De zienswijze van de bijbel
Bezit u een hoop die zeker is?
„KUNT u iets zien?” „Ja, schitterende dingen.”
Deze vraag en dit antwoord luidden een van de geweldigste ontdekkingen op het gebied van de archeologie in. Degene die de vraag stelde, was lord Carnarvon, een rijke Engelsman en begunstiger van de Egyptoloog Howard Carter. Carter, die de vraag beantwoordde, stond op dat moment in de duisternis te turen die er heerste achter het gat dat hij had gemaakt in de verzegelde toegang tot een pas ontdekte graftombe in het beroemde Egyptische Dal der Koningen. Verscheidene jaren hadden zij nu reeds opgravingen verricht in het dal, zich vastklampend aan Carters beredeneerde verwachting de nog niet ontdekte graftombe te zullen vinden van koning Toetanchamon, een van de oude farao’s van Egypte. En nu, juist nu zij na veel zwoegen bijna op het punt stonden de hele onderneming op te geven, hadden zij de ingang naar een oude verzegelde graftombe blootgelegd. Vol verwachting trachtten zij te ontdekken wat zich achter de ingang bevond. Carter geeft zelf een beschrijving van wat hij zag:
„Terwijl mijn ogen aan het licht gewend raakten, begon ik in de kamer door de waas heen geleidelijk enkele details te onderscheiden, vreemde dieren, beelden en goud — overal zag ik de schittering van goud. Een ogenblik — het moet voor de anderen die erbij stonden, een eeuwigheid hebben geleken — was ik met stomheid geslagen en toen lord Carnarvon, die de onzekerheid niet langer kon verdragen, gespannen vroeg: ’Kunt u iets zien?’ was alles wat ik kon uitbrengen: ’Ja, schitterende dingen.’ . . . Wij hadden nog nooit van zo iets durven dromen, een hele kamer — het leek wel een heel museum — vol voorwerpen, sommige vertrouwd, maar sommige volstrekt nieuw voor ons, in een schijnbaar eindeloze overvloed op elkaar gestapeld.”
Meer dan 3000 jaar hadden deze schatten onaangeroerd gelegen. Het ging om bijna 5000 voorwerpen: beelden, meubelstukken, boten, wapens, vazen, goud en juwelen. In deze uit de rotsen gehouwen, uit vier kamers bestaande graftombe lagen zelfs voedsel, kleding en spelen, samen met de rijkversierde lijkkisten en de gemummificeerde stoffelijke resten van de jeugdige koning Toetanchamon. Deze vondsten lieten heel duidelijk zien op welke wijze de oude Egyptenaren hun doden begroeven.
Maar waarom lagen al deze waardevolle schatten en levensbenodigdheden weggeborgen en verzegeld in deze onderaardse graftombe? De oude Egyptenaren deden dit omdat zij in een leven na de dood geloofden. Zij geloofden dat de dood slechts een overgang naar een onsterfelijk leven in het hiernamaals was. Levensmiddelen en uitrusting waren nodig om de reis te kunnen maken naar een land dat veel leek op het land dat men achterliet. Zij geloofden dat hier hun ka, of levenskracht, met het lichaam zou worden herenigd; daarom werd het lichaam voor deze gebeurtenis zorgvuldig toebereid en gemummificeerd. Er werden zelfs oesjabtis, beelden die in het hiernamaals dienaren van de koning zouden worden, in de tombe geplaatst. Hun vertrouwen in deze hoop werd misschien tot uitdrukking gebracht in de woorden die vermoedelijk van koning Toetanchamon zelf afkomstig zijn en die men in hiërogliefen aantrof op een van de kisten die het lichaam omsloten: „Ik heb gisteren gezien; ik ken morgen.”
Maar kende hij de toekomst werkelijk? Of was het een hoop die misplaatst was? Niemand zal betwisten dat de voorwerpen die daar gevonden zijn, er nog net zo stonden als toen de graftombe indertijd verzegeld werd — ze waren niet verplaatst en niet gebruikt. Zelfs de mummie was grotendeels vergaan, hoewel men verschillende soorten zalf had gebruikt ten einde het vleselijke lichaam voor het hiernamaals te bewaren. Zijn hoop op een leven na de dood was echter nooit verwezenlijkt.
Hoe staat het met uw hoop voor de toekomst? Is uw hoop zeker of is ze misplaatst? Wij kunnen de woorden van de bijbelschrijvers uit de oudheid niet ontkennen die zeiden dat „allen sterven” en dat de dood „een afloop met betrekking tot de mensenzonen” vormt (1 Kor. 15:22; Pred. 3:19, 20). Bestaat er enige zekere hoop op een leven na de dood?
Velen zullen hier tegenwoordig bevestigend op antwoorden. Daar zij geloven dat de menselijke ziel onsterfelijk is, verwachten zij misschien als een vluchtige geest in de hemel rond te zweven, een toestand te bereiken die nirwana wordt genoemd, of te ervaren hoe hun ziel naar een ander lichaam verhuist. Anderen hebben hun lichaam tot uiterst lage temperaturen laten invriezen in de hoop dat de wetenschap er in de toekomst in zal slagen datgene wat hun dood heeft veroorzaakt, te overwinnen en hen tot leven terug te brengen. Zijn deze toekomstverwachtingen goed gefundeerd of zijn ook deze misplaatst? Kan men werkelijk te weten komen of er een zekere, stevig gefundeerde hoop voor de toekomst bestaat?
Ja, dat kan; en die hoop wordt aangetroffen in een boek dat zelfs het oude Egypte in ouderdom overtreft — de bijbel. Daarin verklaart de Schepper van de mens en van alles wat bestaat, wat hij voor de stervende mensheid zal doen: „Hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan. . . . ’Zie! Ik maak alle dingen nieuw’” (Openb. 21:4, 5). Neen, dit zal niet bereikt worden doordat de zogenaamde onsterfelijke ziel van een dood menselijk lichaam in leven blijft; de bijbel verklaart namelijk duidelijk dat de vleselijke mens zelf een ziel is, en dat de ziel zelf sterft — ze is niet onsterfelijk. — Gen. 2:7; Ezech. 18:4, 20.
De hoop voor de doden is gelegen in de „opstanding der doden”, want de bijbel verzekert ons dat „het uur komt waarin allen die in de herinneringsgraven zijn, zijn stem zullen horen en te voorschijn zullen komen” (Matth. 22:31; Joh. 5:28, 29; zie ook Handelingen 17:32; 24:15). Hoe kunnen wij zeker zijn van deze hoop? Hoe weten wij dat deze niet misplaatst is, zoals de hoop van koning Toetanchamon? De Schepper, Jehovah God, voorzag dat wij een gezonde basis voor deze hoop nodig zouden hebben en hij „heeft alle mensen een waarborg verschaft doordat hij hem [Christus] uit de doden heeft opgewekt” (Hand. 17:31). Dit wonder werd bevestigd door meer dan 500 personen die de opgestane Jezus werkelijk hebben gezien (1 Kor. 15:3-8). En het vermogen van de Almachtige om doden op te wekken werd verder gedemonstreerd doordat andere personen die gestorven waren, uit de doden werden opgewekt — terwijl drie van deze opstandingen door Jezus zelf werden verricht. — Matth. 9:18, 23-25; Luk. 7:12-15; Joh. 11:38-44.
Wat voor soort van leven stelt de bijbel de uit de doden opgewekte mensheid in het vooruitzicht? Zal het precies zo’n leven zijn als zij reeds hebben gehad? Zoals wij uit de bijbelse belofte in Openbaring 21:4 hebben gezien, zullen ziekte en pijn die de mensheid duizenden jaren hebben gekweld, tot het verleden behoren. En door ’alle dingen nieuw te maken’, zal God het huidige, goddeloze, verdorven en onderdrukkende samenstel van dingen, samen met alle onrechtvaardigheden en vooroordelen ervan, wegdoen. Het voornemen dat God oorspronkelijk had toen hij de mens maakte, zal verwezenlijkt worden: Een aarde, gevuld met een volmaakte, in harmonie en vrede levende mensheid, die de vruchten van haar arbeid geniet in paradijselijke omstandigheden die zich over de gehele aarde uitstrekken. Niets dat de mens kan maken, kan vergeleken worden met de schitterende dingen die God in zijn komende rechtvaardige nieuwe ordening voor de gehoorzame mensheid zal doen. — Dan. 2:44; Gen. 1:28; Jes. 55:11; 65:17, 21-25; Micha 4:3, 4.
Zult u daar zijn om ervan te genieten? Dit is mogelijk wanneer u zich deze hoop eigen maakt door de bijbel te bestuderen en de levengevende kennis van God en Christus in u op te nemen (Joh. 17:3). Laat de bladzijden van dit tijdschrift u helpen een zekere hoop voor de toekomst te verwerven.