Onze ontsnapping aan de burgeroorlog in Tsjaad
Door Ontwaakt!-correspondent in Ivoorkust
BEGIN augustus 1978 kwamen wij in N’Djamena aan. Wij hadden ons geboorteland Frankrijk verlaten om in Tsjaad te gaan helpen met het uitermate belangrijke werk dat bestaat in het prediken van het goede nieuws van Gods koninkrijk. Wij waren ons ervan bewust dat het land in moeilijkheden verkeerde. Dit schrikte ons echter geenszins af en wij verlangden ernaar met ons zendingswerk te beginnen. In het zendelingenhuis woonden drie echtparen en één ongehuwde broeder.
Ons eerste contact met de bevolking tijdens onze christelijke dienst was onvergetelijk. Bij vrijwel elke deur kregen wij de gelegenheid om een schriftuurlijk onderwerp uitvoerig te behandelen en wij bemerkten dat de mensen snakten naar de bijbelse waarheid. Wij waren Jehovah bijzonder dankbaar voor het voorrecht daar te mogen zijn om te helpen.
De maand september bracht het politieke duel aan het licht tussen het staatshoofd, president Malloum, die tot het christelijke deel van de bevolking behoort, en zijn mohammedaanse eerste minister, Hissène Habre. Vanaf augustus 1978 bood het staatshoofd niet veel meer dan mondeling tegenspel en kort daarop gonsde het van de geruchten. Maar wij lieten ons niet in met de politiek en dus bleven Anna en ik met de mensen spreken over Gods oplossing voor de problemen van de mensheid.
Naar het scheen waren de strijdkrachten van FROLINAT (het door het noordelijke buurland Libië gesteunde Nationale Bevrijdingsfront) in de loop van september 1978 tot de aanval overgegaan. In de stad zagen wij vele gewonde soldaten, die klaarblijkelijk net van het front waren teruggekeerd. Maar zelfs toen namen de meeste mensen dit nieuws nog niet ernstig op. Tenslotte woedde het vuur van de oorlog al sinds 1966 in Tsjaad; het grootste deel van de bevolking was onverschillig voor het nieuws en de geruchten.
’s Nachts hoorden wij geregeld mitrailleursalvo’s en geweervuur, hetgeen op gewelddadigheden in de binnenstad scheen te wijzen. ’s Ochtends, aan tafel, bespraken wij wat wij hadden gehoord, om ons ervan te vergewissen dat wij ons niet vergisten.
Het in december 1978 hier gehouden nationale congres van Jehovah’s Getuigen was een succes, al hadden wij ons daarover ten gevolge van het politieke klimaat wel wat zorgen gemaakt.
In januari van het jaar daarop — 1979 — was de atmosfeer dermate gespannen dat wij onze van-huis-tot-huisactiviteiten in de mohammedaanse wijken, waar wij verscheidene malen op moeilijkheden waren gestuit, enigszins moesten intomen. Wij zetten onze activiteiten wat omzichtiger voort en probeerden bij het invallen van de avondschemering zo snel mogelijk terug te keren naar het zendelingenhuis.
Op 27 januari vonden er op de groentemarkt ernstige incidenten plaats waardoor de crisis in een gevaarlijk stadium kwam. Handmitrailleurvuur en granaatontploffingen weerklonken; er vielen verscheidene doden en gewonden. De scholen werden tijdelijk gesloten. In de 40ste straat, waar het zendelingenhuis staat, zagen wij tientallen jonge mohammedanen die leuzen schreeuwden en opzichtig met wapens rondliepen. Op aanraden van verschillende personen met wie wij de bijbel bestudeerden, bleven wij thuis afwachten totdat de rust weer zou keren.
In die periode ontvingen wij een telegram van het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Nigeria met de uitnodiging om naar Lagos te komen als de noodzaak mocht rijzen Tsjaad te verlaten. Aangezien de toestand verslechterde, deden wij een eerste stap hiertoe door aanvragen voor een Nigeriaans visum in te dienen. Toen echter enig herstel in de toestand intrad, schortten wij deze stappen op in afwachting van de verdere ontwikkelingen. Ondanks al deze moeilijkheden wensten wij namelijk onze activiteiten in dit land voort te zetten. Bij het predikingswerk vergaten wij de plaatselijke problemen al heel snel.
Zondag 11 februari was ook een gedenkwaardige dag; die dag kwamen ’s ochtends vrijwel alle plaatselijke broeders, alsmede de zendelingen, bijeen in Farcha, een kilometer of 5 buiten het centrum, ten huize van broeder Sarki om te luisteren naar een bijbellezing, waarna wij allen deelnamen aan een predikingsveldtocht van huis tot huis. Farcha herbergde meer dan 2500 man Franse troepen, alsmede enkele eenheden van het geregelde leger van Tsjaad. Er werden die dag vele publikaties verspreid. Tegen het einde van de ochtend straalde de vreugde van de gezichten van de Koninkrijksverkondigers, ondanks de sfeer van burgeroorlog die er in de lucht hing.
N’Djamena, 12 februari: Anna en ik stonden zoals gewoonlijk om 5.45 uur ’s morgens op. Wij ontbeten samen met de familie. Max en Pauline hadden die dag keukendienst in het zendelingenhuis. Wat ons aangaat, wij vertrokken om ongeveer half acht in de ochtend om een bijbelstudie te gaan leiden. Op onze motorfiets reden wij langs het presidentiële paleis. Toen wij ter hoogte van het nationale radiostation kwamen, ontdekten wij dat er iets ging gebeuren. Gewapende mannen hadden gevechtsposities ingenomen. De hele wijk wemelde van de gewapende en gehelmde soldaten van de FAN (Noordelijke Strijdkrachten) die onder bevel staat van Hissène Habre.
Wij reden door naar de grote moskee aan de Generaal de Gaulle-avenue. Langs beide kanten van deze straat hadden nu mannen in veldtenue stellingen betrokken. Zij behoorden tot de FAT (Strijdkrachten van Tsjaad) onder aanvoering van president Malloum.
Wij zagen de ernst van de toestand in. Er reden opvallend veel auto’s en de meeste gingen in de richting van de Farcha-wijk. Wat ons aangaat, wij wilden terug naar huis. Wij moesten door de wijk waar de gendarmeriekazerne ligt. De mensen renden alle kanten uit. Wij waren ongeveer 100 meter verwijderd van het huis van onze vriend Seraphin, met wie wij de bijbel bestudeerden, toen er een granaat ontplofte, gevolgd door vuur van automatische wapens. Terwijl onze harten als razend tekeer gingen, baden wij hardop tot Jehovah om leiding en steun bij het nemen van de juiste beslissingen.
Wij besloten een toevlucht te zoeken in het huis van Seraphins werkgever — een Franse leraar die met een Amerikaanse getrouwd was. Vanuit de noordoostelijke wijk kwamen mensen in onze richting gevlucht. Wij werden vriendelijk ontvangen en binnengenodigd. De man vertelde dat hij net terugkwam van de universiteit en dat die in lichterlaaie stond. Het was vreselijk!
Even later kwam er nog een leraar aan, regelrecht van het lyceum Félix-Eboué. Hij was geheel van streek over hetgeen hij had gezien. De Nationale Radio Tsjaad was gedeeltelijk verwoest; bij het lyceum waren felle gevechten gaande tussen de FAN en de FAT. Er waren al vele leerlingen gedood. Hij had net tijd gehad om van het terrein te ontsnappen en zijn toevlucht te zoeken in dit stadsdeel waar veel buitenlandse leraren en adviseurs woonden.
Plotseling werd het weer rustig en stil. Het werd tijd om te proberen thuis te komen. Wij hadden minstens 3 kilometer af te leggen. Ik gaf vol gas om maar zo snel mogelijk te gaan. Nog steeds vluchtten de mensen alle kanten op. Ten slotte bereikten wij het zendelingenhuis. Daar waren Max en Pauline nog steeds; wij konden niets anders doen dan wachten en vertrouwen op Jehovah, die ons al had geholpen.
Er vlogen nu ook vliegtuigen boven de stad. Tegen kwart over twaalf ’s middags begonnen ze de wijk Kabalai zwaar onder vuur te nemen. De hele stad weergalmde van de salvo’s van automatische wapens, de explosies en zwaar mortiervuur. Het was oorlog, de gevreesde confrontatie.
Wij begonnen onze koffers te pakken voor het geval het nodig zou worden te evacueren. Wij luisterden aandachtig naar alle nieuwsuitzendingen op de radio (France International, Voice of America, Radio Canada International). Wij leefden urenlang in spanning, niet wetend hoe het af zou lopen. In de middag vlogen er helikopters boven ons stadsdeel en beschoten het, maar gelukkig werd ons huis niet geraakt.
Toen het bedtijd werd, richtten wij onder het bed een schuilplaats in als bescherming tegen mogelijke verdwaalde granaten. Daar onder onze bedden hoorden wij de kogels fluiten en sommige ervan op onze metalen luiken afketsen!
Dinsdag 13 februari duurden de gevechten in volle hevigheid voort. Wij vroegen ons werkelijk af wat er van ons moest worden, maar wij vertrouwden op Jehovah. Anna en ik beseften dat wij, zelfs al zou ons het ergste overkomen, de schitterende hoop op de opstanding hadden. In die kritieke ogenblikken voelden wij in ons binnenste een helpende kracht.
Woensdagochtend 14 februari scheen er, afgezien van een enkel schot zo hier en daar, een eind aan de gevechten te zijn gekomen. Vanuit onze ramen keken wij naar de straat. Op de hoeken van de straten stonden tal van gewapende mannen. De radio meldde dat er vele slachtoffers waren. Wij besloten een degelijker schuilplaats te maken met behulp van dozen met lectuur. Aangezien Olaf en Barbara in de ’rimboe’ zaten, op bezoek bij de gemeenten daar, verhuisden wij naar hun kamer, die minder onbeschermd lag dan de onze aan de voorkant van het huis.
Wij bereidden ons voor op een derde nacht van gevechten. Dit zou de verschrikkelijkste worden van allemaal. Het krijgsgeweld was merkbaar heviger dan de voorafgaande nachten. In onze geïmproviseerde schuilplaatsen, plat op onze buik tegen elkaar aan gedrukt, konden wij het geratel van automatische wapens en het ontploffen van zware mortiergranaten horen. Elk ogenblik kon een granaat het huis in puin leggen. Op ongeveer 50 meter van het huis had het noordelijke kamp een raketwerper opgesteld op het dakterras van een flatgebouw. Telkens als er een raket werd afgevuurd, was er een oorverdovend kabaal. Eén keer dachten wij dat wij er geweest waren, toen de lancering van een van de raketten misging en het projectiel met een donderende explosie vlak bij het huis neerstortte. De neervallende brokstukken van de raket en het puin deden ons ijzeren dak galmen. Je reinste vuurwerk! Om ongeveer 7 uur in de ochtend kwam er weer een eind aan de gevechten.
De straat vertoonde nog steeds het beeld van gaande en komende mensen, die de gebieden waar werd gevochten, ontvluchtten. Velen droegen enkele bezittingen opgerold in een stromat op het hoofd.
Die dag lazen Anna en ik in de bijbel en smeekten Jehovah ons te leiden in onze beslissingen met betrekking tot de toekomst. Wij gingen naar bed en de nacht verliep, in vergelijking met de vorige nachten, betrekkelijk rustig. De troepen van de strijdende partijen hadden een wapenstilstand getekend.
Al spoedig had iedereen zijn beslissing genomen. Zowel Max en Pauline als Patrice zouden met de auto naar het zuiden rijden via het 250 kilometer verderop gelegen Bongor, naar Kameroen, en vandaar door naar Nigeria. Wat Anna en mijzelf aangaat, wij zouden proberen het vliegveld te bereiken. Zoals wij daar midden in een burgeroorlog zaten, leek in feite geen enkele uitweg erg waarschijnlijk of mogelijk.
Die vrijdagnacht werd voor het grootste deel in gebed doorgebracht, want wij hadden Jehovah’s leiding nodig. De slaap wilde niet komen. Wij vroegen ons af wat de volgende dag zou brengen. Anna en ik stonden in alle vroegte op, maakten twee witte vlaggen, zetten de motorfiets klaar en luisterden toen naar het complete Afrikaanse nieuwsbulletin. De wapenstilstand scheen nog van kracht te zijn. Dit was de meest geschikte tijd om te proberen de Franse militaire basis te bereiken. Met droefheid in ons hart verlieten wij onze drie huisgenoten om ongeveer 7.45 uur ’s morgens. Later zouden zij in de richting van de Chagouabrug vertrekken.
Er waren maar weinig mensen op straat toen wij vertrokken. Wij reden in de eerste versnelling om de indruk te vermijden dat wij op de vlucht waren. Toen wij op de hoofdstraat uitkwamen, moesten wij beslissen welke kant wij op zouden gaan. Op de hoeken stonden soldaten, klaar om te schieten. Wij vroegen aan een paar mohammedanen wat de veiligste weg zou zijn om bij het vliegveld te komen. Volgens hen zou de kortste route ook het veiligste zijn. Toen wij zagen dat die weg verlaten lag, waagden wij het erop. O, wat hebben wij tijdens die onvergetelijke rit tot Jehovah gebeden!
De gevolgen van de oorlog lagen daar voor onze ogen — de huizen verlaten, her en der verspreid munitiekisten. Wij groetten de mensen die wij onderweg tegenkwamen om een zo ontspannen mogelijke sfeer te scheppen. Als wij een straathoek naderden, minderde ik zoveel mogelijk vaart met het oog op verborgen sluipschutters die er zaten. Maar onze witte vlaggen waren al van verre zichtbaar. Deze wijk had zwaar te lijden gehad. Er klonk geen geluid; alles leek uitgestorven. Toen wij langs de gendarmeriekazerne kwamen, richtten tientallen soldaten (onder bevel van kolonel Wadal Abdelkader Kamougue) hun geweren op ons. Wij maakten een vriendelijk gebaar. Zij reageerden er niet op, maar zij lieten ons doorrijden.
Nu reden wij voor de gevangenis langs, met soldaten aan weerskanten, maar niemand hield ons tegen. Het was alsof zij ons niet zagen. Daarop namen wij de grote weg die rechtstreeks naar het vliegveld leidde. Alle bossen rondom het vliegveld waren afgebrand. Overal in het rond lagen verkoolde lichamen en de door bommen opengereten huizen boden een sinistere aanblik.
Op het vliegveld aangekomen werden wij naar de ontvangsthal verwezen. Wij legden uit dat wij uit de mohammedaanse wijk in het noordoosten van de stad waren gekomen. De militaire autoriteiten verklaarden dat het een wonder was dat wij langs de gendarmerie hadden kunnen komen. Zij vertelden dat ook anderen hadden geprobeerd de basis te bereiken, maar tevergeefs. Enkele Europeanen die op deze manier geprobeerd hadden te ontsnappen, waren gedood.
Die middag werden er in een gemeenschappelijk graf ongeveer 800 lijken begraven. Honderden lichamen lagen nog openlijk op straat in verschillende wijken van de stad: Kabalai Moursal, Saaba Ngali, Bobolo, St. Martin’s Basin, bij het Nationale Radio Station, in de binnenstad. Deze lijken waren tot tweemaal hun normale omvang opgezwollen en hongerige honden begonnen ze al aan te vreten. De stank van de dood lag over de stad.
Het aantal doden in de hoofdstad werd nu op ettelijke duizenden geschat. Iemand van de Gezondheidsdienst vertelde ons dat het ziekenhuis, dat ook onder vuur had gelegen, uitpuilde. Wij zagen dat er handkarren vol met verschrikkelijk door messen toegetakelde lichamen weggereden werden. Diverse ambassades waren verwoest en het gebouw van de VN was afgebrand.
De autoriteiten prezen ons wegens ons initiatief, want zij waren wel op de hoogte geweest van onze omstandigheden, maar hadden niet tussenbeide kunnen komen om ons te evacueren. Aangezien al onze papieren in orde waren verstrekten de Franse autoriteiten ons een maaltijd en zetten ons op het eerstvolgende toestel van de luchtmacht dat het land uitging. Na ettelijke uren wachten op de startbaan vertrok ons vliegtuig om 6.30 uur ’s avonds naar Libreville in Gabon. Het stemde ons verdrietig N’Djamena onder dergelijke omstandigheden te moeten verlaten. Wij waren ervan overtuigd dat het lang zou duren eer wij zouden kunnen terugkeren naar dit land dat zich stevig in de greep van een burgeroorlog bevond.
Het vliegtuig landde om ongeveer 10 uur in de avond in Libreville. Alle evacué’s van Franse nationaliteit werden door de Franse ambassade opgevangen. Wij werden ondergebracht in het Okoume Palace Hotel.
Aangezien het Genootschap ons had voorgesteld naar Nigeria te gaan, gingen wij maandagochtend naar de ambassade van dat land om een visum te halen. De ambtenaar aldaar weigerde pertinent ons een visum te verlenen, omdat wij Fransen waren en evacués uit Tsjaad. Hij wilde niets met ons te maken hebben. Zelfs een visum voor 24 uur werd ons geweigerd. Wat nu? Wij hadden heel weinig geld bij ons.
Van daaruit konden wij ons natuurlijk heel gemakkelijk naar Parijs laten evacueren, maar indien enigszins mogelijk wilden wij in Afrika in de zendingsdienst blijven. Met Jehovah’s hulp besloten wij te proberen naar Abidjan in Ivoorkust te gaan. Met behulp van de reisagent van Air Afrique, die belast was met het toezicht op de repatriëring van uit N’Djamena geëvacueerd personeel van Air Afrique met hun gezinnen, slaagden wij erin twee kaartjes Libreville-Abidjan-Dakar te bemachtigen. Zij waren zelfs zo vriendelijk ons als zendelingen reductie te geven — en dat in een land waar het werk van Jehovah’s Getuigen verboden is. Er waren nog maar twee plaatsen over op vlucht RK 103. Wij waren overgelukkig dat wij in Afrika konden blijven.
En zo kwamen wij op dinsdag 20 februari, ’s middags om ongeveer 3.45 uur, in Abidjan aan, en passeerden zonder enige moeite de douane op het vliegveld. Wat waren wij gelukkig dat wij hier waren, vol waardering voor Jehovah’s bescherming! Na enig zoeken vonden wij uiteindelijk onze christelijke broeders. Nooit zullen wij het welkom en de liefde vergeten waarmee onze medezendelingen ons ontvingen. Alle broeders die wij in Abidjan hebben ontmoet, zijn één en al goedheid voor ons geweest.
Hier in Ivoorkust gaan wij ermee voort Jehovah’s naam te heiligen en verrichten wij met zeer veel vreugde het predikingswerk in een van de betere woonwijken van de stad. Wat een voorrecht is het, anderen te mogen vertellen over Jehovah’s voornemen om ware vrede en zekerheid te brengen voor allen die rechtvaardigheid liefhebben! (Micha 4:2-4; Ps. 46:8, 9) — Ingezonden.
[Kaart op blz. 12]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
TSJAAD
N’Djamena