Hoe wij het bloedbad in Kolwezi overleefden
Twee zendelingen van Jehovah’s Getuigen overleefden de verschrikking, maar leden een tragisch verlies
ALLES leek normaal toen wij die vrijdagavond, 12 mei, naar de slaapkamer van ons zendingshuis gingen. Wij woonden in Kolwezi, een mijnstad in de provincie Shaba, in zuidelijk Zaïre. Het was een leuke stad, bewoond door zo’n 120.000 mensen, onder wie 4000 buitenlanders die hoofdzakelijk werkzaam waren in de reusachtige kopermijnen in de buurt. Koper vormt de voornaamste bron van inkomsten van Zaïre. Hoe weinig vermoedden we nog dat ons gedurende de volgende uren en dagen gebeurtenissen te wachten stonden die over de gehele wereld de voorpagina’s van de kranten zouden halen. En vooral één gebeurtenis zou ons de rest van ons leven beïnvloeden.
Bij het krieken van de volgende dag, zaterdagochtend, werden we gewekt door een scherp „rat-tat-tat”, dat de ochtendstilte verstoorde. Eerst vroegen we ons verwonderd af wat het was. Daarna klopte ons hart ons in de keel toen we ons ervan bewust werden dat we het geratel van machinegeweren en geweerschoten hoorden. Wat was er aan de hand? Een muiterij in het leger? Een aanval van rebellen? Spoedig was het strijdrumoer vlakbij en gierden de kogels over ons huis. Sommige boorden zich in de hoge bomen op het erf.
Vlug vulden we de badkuip met water en bakten wat brood voor het geval dat de water- en elektriciteitsvoorziening zouden uitvallen. Wij hoorden luide stemmen op straat en keken door een spleet in de garagedeur naar het hek. Een groep zwaar bepakte soldaten ging voorbij. Ze spraken Swahili. Waren het Katangese rebellen, dezelfden die vorig jaar de provincie Shaba (het voormalige Katanga) hadden aangevallen? Dezen spreken in het algemeen Swahili, terwijl de regeringstroepen van Zaïre Lingala spreken. De Katangezen proberen weer terug te nemen wat zij als hun provincie beschouwen. In elk geval proberen ze een verandering in de regering te forceren.
De hele zaterdag en zondag hield het geluid van vechten aan, soms verder weg, soms in de huizen achter ons, waar af en toe luide uitbarstingen van mitrailleur- en geweervuur te horen waren. Zoals we hadden gevreesd, viel de watervoorziening uit, maar de elektriciteit bleef sporadisch in stand. We bleven dicht bij de radio om te trachten er achter te komen wat er gaande was. Als een voorzorgsmaatregel tegen verdwaalde kogels hadden we de grote ramen van onze slaapkamer afgedekt met kussens en een matras.
Onze slaapkamer vernield
Vroeg in de maandagmiddag begonnen de twee partijen elkaar weer te beschieten. We trokken ons terug in onze provisorisch gebarricadeerde slaapkamer. Om ongeveer 2 uur ’s middags schudde ons huis onder een donderende explosie, plotseling gevolgd door een tweede oorverdovende knal, en nog één — onze slaapkamer was getroffen. Secondenlang bleven we bewegingloos en sprakeloos liggen, te geschokt om te beseffen wat er aan de hand was. Ik riep mijn vrouw toe dat ze in de centraal gelegen hal bescherming moest zoeken. Stof en rook onttrokken de verwoestingen in de slaapkamer aan het oog. We bloedden en zochten ons zo goed en kwaad als het ging een weg naar de badkamer om onze wonden te onderzoeken. Mijn vrouw bloedde aan haar schouder, ikzelf aan mijn arm, en wij beiden hadden hier en daar kleinere, diepe verwondingen.
Er waren mortiergranaten door het dak geslagen, juist boven de plek waar ik had zitten werken, en de bomscherven waren alle richtingen opgevlogen. We waren beiden door enkele kleine stukjes getroffen. We maakten onze wonden schoon met alcohol en trachtten de stukjes lood er met een scheermesje en een naald uit te vissen. Daarna verbonden we onze wonden.
We keerden terug naar onze slaapkamer. Deze bleek vrijwel volledig verwoest te zijn. Er was een gapend gat in het plafond en het dak boven mijn bureau. De kamer was gevuld met puin en metaaldelen van de mortiergranaten en de golfplaten van het dak. Er zaten kleine gaatjes in de muur, het vloerkleed, de dekens en onze persoonlijke bezittingen op bed, in het meubilair en zelfs in onze leren tassen. Maar wij hadden verbazingwekkend genoeg maar geringe verwondingen opgelopen.
Gelukkig hield het bombardement spoedig daarna op, zodat we een schuilplaats konden bouwen in de derde slaapkamer, waar dozen met lectuur stonden. We stapelden de dozen op om enkele van de ramen af te schermen en dekten de rest af met een reserve-matras. We sleepten ons bed uit de verwoeste slaapkamer, plaatsten het in de meest beschermde hoek en bouwden er een afdekking overheen van stukken triplex, aan de hoeken ondersteund door dozen.
Een serie explosies
De volgende twee dagen brachten we de hele middag in onze geïmproviseerde schuilplaats door, terwijl mortiergranaten en andere projectielen de een na de ander op ons erf en in de buurt ontploften. Nooit was er enig waarschuwingsteken vooraf — enkel een plotselinge ontploffing en dan het lawaai van neerstortend puin. En ondertussen hield het geratel van machinegeweren en kleine vuurwapens ononderbroken aan. We hoorden het raam achter onze barricade van matras en dozen breken toen een mortiergranaat net buiten de kamer tot ontploffing kwam. Gelukkig waren de muren van het huis gemaakt van stevige stenen.
Er explodeerde opnieuw een granaat, ditmaal vlak buiten de keuken, waardoor de ramen braken. En toen nog twee granaten op het achtererf, zodat het raam van de lectuur-verzendafdeling brak en er tal van kleine gaten ontstonden in de cementen muur van een klein gebouw achter het hoofdgebouw. Ons waterreservoir lag vol met stukjes gebroken glas en pleisterwerk. Aan de voorkant van het huis explodeerde nog een projectiel, waardoor de hele buitenmuur met scherfgaten bezaaid raakte en de stukken glas die nog in de sponningen zaten, over de hele voorkant van het huis naar binnen werden geblazen. Op het erf regende het van tijd tot tijd kleine takjes, wanneer verdwaalde kogels door de bomen joegen.
Tijdens een gevechtspauze kwam onze buurman van de overkant vragen of we iets van geneeskunde afwisten. Er was namelijk een mortier of ander projectiel bij zijn keukenraam ontploft, waardoor zijn vrouw aan de achterkant van haar hoofd ernstig gewond was geraakt. Ze verkeerde in een shocktoestand, maar het was onmogelijk haar naar het ziekenhuis te krijgen vanwege het vuurgevecht dat in die richting werd gehoord. We konden hem alleen maar helpen met wat penicilline tegen wondinfectie.
In de loop van de woensdagmiddag kwam er geen tegenvuur meer vanuit de posities van het Zaïrese leger vlak bij ons huis, hoewel er mortiergranaten en projectielen in de buurt bleven ontploffen.
Donderdags was het al veel rustiger in de buurt van ons huis, afgezien van een enkele uitbarsting van machinegeweervuur, hier en daar geweerschoten en enige mortierexplosies in de verte. Ik hoorde een auto de straat inkomen en keek voorzichtig om de hoek in de hoop dat er een vriendelijk persoon zou passeren. Tot mijn ontzetting stonden er vier Katangese soldaten bij ons hek. Ze bevalen me naar hen te komen, waarbij ze een geweer op mijn hoofd gericht hielden, en gaven me bevel het hek te openen.
Ik wist niet zeker of ze een stelling achter onze hoge stenen muur wilden inrichten, of dat het hun bedoeling was te plunderen en te molesteren. Om enige bedenktijd te krijgen, wees ik hun op de twee kettingen met hangsloten aan het hek en zei ik dat ik mijn sleutels moest halen om het hek te kunnen opendoen. Ik ging het huis binnen en daarna barricadeerden we in allerijl de deuren. Zouden ze het hek proberen open te breken of over de muur proberen te klimmen? Oh, wat baden we die paar minuten tot Jehovah God! Ze losten enkele schoten in de lucht. Maar na een tijdje liepen ze verder de straat af.
Wij bleven in het huis en lieten de deuren gebarricadeerd uit vrees voor ongedisciplineerde soldaten. We hadden al over de radio gehoord dat er blanken waren vermoord. Soms braken de rebellen in om te doden, andere keren alleen maar om te stelen, zonder iemand kwaad te doen. Het was belangrijk ons niet openlijk tegen hen te keren.
Vrijdag wilde ik naar de gewonde vrouw aan de overkant van de straat gaan kijken. Nauwelijks had ik echter een stap buiten de deur gedaan of de kogel van een sluipschutter vloog rakelings langs mijn hoofd. We bleven binnen, biddend en in de bijbel lezend.
Zaterdags kwam er onverwacht hulp opdagen; Belgische en Franse troepen trokken de stad in om alle buitenlanders te evacueren. Voordien hadden Zaïrese parachutisten de luchthaven heroverd. We hadden maar een paar minuten om wat dingen bij elkaar te graaien — alleen wat we konden dragen — en ons dan naar het vliegveld te haasten. Alles was verlaten. Tijdens onze tocht gingen we nog even bij enkelen van onze christelijke broeders langs. Ze waren veilig, maar hadden niet veel voedsel meer.
Langs de hele route hing een gespannen sfeer, aangezien de rebellen zich nog niet ver hadden teruggetrokken. Overal waren tekenen van de oorlog zichtbaar — lichamen van dode soldaten, beschadigde voertuigen, geweerhulzen, gebouwen met kogelgaten. Op de luchthaven zagen we uitgebrande helikopters en vliegtuigen, geëxplodeerde en nog ongeëxplodeerde mortiergranaten, en de evacuatiestrijdkrachten die de weg en de luchthaven omringden.
Honderden Europeanen dromden naar de luchthaven, waar ze hun auto’s in de steek lieten. Na een wachttijd bij de startbaan werden we met Belgische leger-transportvliegtuigen naar de luchtmachtbasis Kamina gevlogen, vanwaar toestellen van de Belgische luchtvaartmaatschappij Sabena ons naar de hoofdstad brachten voor een eventuele verdere vlucht naar onze respectieve landen.
Onderweg hoorden we vele berichten over moorden op burgers, zowel Europeanen als Zaïrezen. We zagen foto’s van een huis vol mannen, vrouwen en kinderen die waren vermoord. Volgens officiële schattingen zijn meer dan 200 Europeanen gedood en zijn sommigen door de invallende rebellen als gijzelaars meegevoerd, het oerwoud in. De invallers schenen besloten te hebben zich naar hun schuilplaatsen over de grens terug te trekken om zich daar op een nieuwe poging voor te bereiden.
Wij verliezen onze zoon
We kwamen in Kinshasa aan, maar onze beproevingen waren nog niet voorbij. Op dinsdag begon mijn vrouw, die al bijna zes maanden zwanger was, en in die toestand alle gevaren en spanningen van de oorlog had meegemaakt, weeën te krijgen. Ze werd in een ziekenhuis opgenomen. Op donderdag bracht ze voortijdig een zoon van 750 gram ter wereld. Hij bleef slechts vier dagen — vier dagen van grote spanning — in leven, te klein om adem te kunnen halen of voedsel in zijn maagje te kunnen verteren.
Wat zal het geweldig zijn wanneer Jehovah de oorlog tot de einden der aarde doet ophouden (Ps. 46:9). Wij en andere christenen waren diverse malen de dood nabij. Slechts Jehovah’s hulp en leiding hebben uitkomst kunnen bieden. Zulke ervaringen versterken ons geloof in hem en in de doeltreffendheid van gebeden. — Ingezonden.