Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g79 22/12 blz. 20-24
  • Energie uit de ingewanden der aarde

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Energie uit de ingewanden der aarde
  • Ontwaakt! 1979
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een bezoek ondergronds
  • Waar de steenkool wordt aangetroffen
  • Hoe is de steenkool ontstaan?
  • De mijnwerker
  • Steenkool — Zwarte stenen uit een donker gat
    Ontwaakt! 2005
  • Kolenwinning in het prairielandschap
    Ontwaakt! 1971
  • Moeten wij terug naar steenkool?
    Ontwaakt! 1980
  • Kolen
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
Meer weergeven
Ontwaakt! 1979
g79 22/12 blz. 20-24

Energie uit de ingewanden der aarde

Door Ontwaakt!-correspondent in België

„IK BEN mijnwerker.” Wanneer iemand dat zegt, hebben de meeste mensen de neiging hem met een mengsel van ontzag en medelijden te bezien. Is het delven van steenkool niet een zwaar en gevaarlijk werk? Enkele decennia geleden was dit inderdaad het geval, maar door de toenemende mechanisatie en de steeds betere veiligheidsvoorschriften is er veel ten goede veranderd.

In België spreekt de mijnwerker beslist tot de verbeelding. Zijn beeltenis komt zelfs op geldstukken voor. En dat is geen wonder, want in de goede tijd van de steenkool werkten er 150.000 mensen in de mijnen, voorwaar geen gering aantal voor een van de kleinste landen van Europa.

Zowel in het noorden als in het zuiden van België worden steenkoolbekkens aangetroffen. Niet iedereen weet dat op bepaalde dagen buitenstaanders onder leiding van bevoegde gidsen deze kolenmijnen kunnen bezichtigen. Ik heb veel vrienden die een groot deel van hun leven in de ingewanden der aarde doorbrengen. Dit was voldoende reden voor mij om zelf ook eens naar beneden te gaan. Misschien vindt u het fijn om mij op deze leerzame reis te vergezellen.

Wij bevinden ons in Beringen, een steenkoolveld in het Noorderbekken. Daar steenkool bijna uitsluitend op grote diepten (circa 800 meter) wordt gevonden, zijn er schachten nodig om de kolenlagen te bereiken. Alles loopt via deze schachten — transport van personen, uitrusting en steenkool. De schachten bergen ook waterleidingen, elektrische bedrading en leidingen met perslucht.

Een leek zou kunnen denken dat het boren van een schacht er gewoon op neerkomt een gat steeds dieper te maken en de aarde af te voeren. Maar zo eenvoudig is het niet. De verscheidene lagen waar men doorheen moet boren, bestaan soms uit drijfzand, losse rotsformaties en water, wat de schacht gemakkelijk zou kunnen doen instorten. Om dit te voorkomen wordt een zeer vernuftige werkwijze toegepast. Men boort rondom de plaats waar de schacht moet komen, zo’n 40 gaten helemaal tot op het vaste gesteente. In elk van die gaten worden twee pijpen neergelaten waardoor een koelvloeistof, pekel van -25 °C, naar beneden stroomt en weer naar boven komt. Geleidelijk bevriest alles. Na drie of vier maanden heeft men een grote kolom bevroren grond verkregen, waarin de eigenlijke schacht wordt gedolven, die dan wordt versterkt met gietijzeren ringen.

Een bezoek ondergronds

Voordat wij in de mijn afdalen, krijgt iedere bezoeker een deel van de uitrusting die zo typerend is voor de mijnwerker: een lamp, een helm en een CO-masker tegen koolmonoxide. Binnen een minuut bereiken wij de plaats van bestemming, 789 meter onder de grond. Wij zien nog geen spoor van kolen. Wel zien wij verlichte ronde tunnels verschillende richtingen opgaan. De tunnels zijn bekleed met kegelvormige betonblokken. Onze gids vertelt ons dat deze bekleding de enorme druk het beste weerstaat.

Deze tunnels worden „steengangen” genoemd. Ze zijn bijzonder belangrijk, want met deze tunnels wordt het ondergrondse gebied ontsloten. Te beginnen bij de schacht gaan deze gangen verschillende kanten op en dringen door in de „concessievelden”, en via deze gangen worden de verschillende kolenlagen aangeboord. Wanneer wij vernemen dat de gangen na ongeveer 50 jaar ontginning wel 90 kilometer lang zijn, verbaast het ons niet dat wij van een treintje gebruik moeten maken om bij een van de acht „winplaatsen” te komen.

De rit heeft iets weg van een ritje met de ondergrondse van een grote stad. Bovendien hebben wij meteen de gelegenheid onze gids een paar vragen te stellen die ons door het hoofd spelen.

„Toen we in de lift zaten, zijn we langs nog een verdieping gekomen — betekent dat dat er twee steenkoollagen in deze mijn zijn?” vraag ik.

„Helemaal niet. Er worden 11 verschillende lagen ontgonnen, maar er zijn er meer. De lagen liggen niet horizontaal maar schuin, met hellingen tot 14 graden. De dikte varieert van 80 centimeter tot 2,70 meter. Deze steenkoollagen met daartussen gesteente dat uit zandsteen en leisteen bestaat, kunt u vergelijken met een stuk doorregen spek van tientallen meters dik. Het witte vet is het gesteente, het rode vlees de steenkool.”

„Nu begrijp ik het”, zei ik. „Het zou niet meevallen om al deze lagen te ontginnen wanneer er maar één stel gangen zou zijn.”

„Dat klopt”, antwoordt onze gids. „Wij bevinden ons nu 789 meter onder de grond. Tweeënzestig meter boven ons loopt nog een stel steengangen. Op deze beide niveaus wordt de steenkool gewonnen. Ze beginnen hier en bereiken via iets hellende mijngangen of galerijen de kolenlagen.”

Wij zijn nu op onze bestemming gekomen. Lopend vervolgen wij onze weg door verlichte gangen en wij bemerken dat er een aangename luchtstroom te voelen is. Onze gids verklaart: „Alle frisse lucht wordt door de schacht naar dit niveau gezogen. Ze dringt door in de gangen, de gebieden waar gedolven wordt en de werkpunten. De vuile lucht stroomt via het niveau boven ons naar de oppervlakte terug. Ieder jaar wordt ongeveer één miljoen ton steenkool naar boven gebracht.”

Wij verlaten nu de mijngang en komen via een schuin lopend traject bij een tunnel die met ijzeren bogen is ondersteund. Direct daarachter zit hout. De mijnwerkers noemen dit soort gangen „galerijen”. De gids vestigt onze aandacht op steenstof dat net boven onze hoofden op planken ligt. Bij een explosie zal de luchtstoot deze planken kantelen zodat een stofwolk het vuur dat achter de luchtstoot aankomt, kan doven. Deze wijze van brandbestrijding richt zich tegen ronddwarrelend kolenstof dat vlam kan vatten. Kolenstof is licht ontvlambaar, explosief zelfs.

„Is de kans op brand dan echt zo reëel?” vraag ik.

„Het gebeurt zelden, maar wegens de catastrofale afmetingen die een brand zou kunnen aannemen, moeten wij de uiterste voorzorg betrachten. Deze strijd tegen stof heeft een hele ontwikkeling doorgemaakt. Boren die tegelijk water sproeien en het water dat onder hoge druk in de kolenlagen wordt geïnjecteerd, zijn doeltreffende wapens in de strijd tegen kolenstof.”

Waar de steenkool wordt aangetroffen

Wij zijn aan het einde van de galerij gekomen. Onze aandacht wordt getrokken door een nauwe, lage gang van ongeveer één meter hoog, loodrecht op de galerij waar wij ons bevinden. Aan de ene kant zien wij hellend gesteente waartegen een hydraulische steun gedrukt staat, en aan de andere kant zien wij eindelijk een lage wand glimmende zwarte steenkool. Dit is nu de plek waar de steenkool gewonnen wordt. Wij betasten het oppervlak. Deze laag steenkool van één meter dikte zou duizenden jaren geleden een laag plantengroei van 25 meter dik zijn geweest.

„De ontginning van een steenkoollaag”, verklaart de gids, „gebeurt als volgt: we beginnen min of meer loodrecht op de steengangen; met twee galerijen moet er een beetje getast worden waar steenkool zit. Stuiten ze toevallig in beide galerijen op steenkool, dan worden die twee met elkaar verbonden. Deze verbinding ziet u hier voor u en dit is werkelijk de plaats waar de steenkool gewonnen wordt, de ’pijler’ genoemd. Deze werkfronten van 200 meter breed dringen zich steeds verder de steenkoollaag in. Er wordt telkens over de hele breedte een laag steenkool losgemaakt. We kunnen het zo stellen: de gang, de galerijen en de pijler vormen de vier zijden van een enorm, schuin oplopend, min of meer rechthoekig stuk steenkool van ongeveer één meter dik.”

Ik heb mij een mijnwerker altijd voorgesteld als een man die steenkool staat te hakken, en ik vraag of dat soort van mijnwerker nog bestaat.

„Praktisch niet”, antwoordt onze gids. „En daar zijn we echt niet rouwig om, want het losmaken van steenkool met zo’n pneumatische boor hamer is heel zwaar werk. De machine doet nu het grootste deel van het werk. Elke dag schaaft de machine meters steenkool van de laag af. De stijlen worden verzet en men laat het dak van het verlaten, afgewerkte deel gewoon instorten.”

Wij zijn erg verbaasd. Inderdaad hadden wij gesteente opgemerkt dat van het plafond gekomen moest zijn. „Is dat niet gevaarlijk?” vraag ik.

„Nee, de breuken die hierdoor ontstaan, zijn te verwaarlozen tegenover de bovenlaag die honderden meters dik is. Dit wordt allemaal door de ingenieurs wiskundig berekend. Er worden trouwens ook andere methoden toegepast. Soms worden zulke uitgegraven gedeelten met stenen volgeblazen.”

Wij komen langzaam vooruit. Tweehonderd meter in een gebukte houding is een lange afstand voor mijn ongeoefende benen. Ik kijk peinzend naar de lange benen van een jonge mijnwerker voor mij en kan niet nalaten op te merken dat het in de mijn een voordeel moet zijn om klein van stuk te zijn.

„Op het eerste gezicht ja”, lacht hij, „maar je moet een nadeel in een voordeel weten om te zetten. Kijk maar.” Hij buigt zich diep voorover en met lange krabachtige bewegingen bereikt hij in een mum van tijd het einde van de gang.

Hoe is de steenkool ontstaan?

Ik wil meer over het ontstaan van steenkool te weten komen. Met dat doel benader ik een gids. Bereidwillig legt hij uit: „Algemeen wordt aangenomen dat steenkool is ontstaan ten gevolge van catastrofes. Wanneer dode plantengroei aan de buitenlucht blootgesteld blijft, gaat ze tot ontbinding over. Maar wanneer de plantengroei plotseling door water, klei of zand van de lucht wordt afgesneden, spreekt men van een steenkoolvormend proces. Hierbij zijn de uitgeoefende druk en de tijd heel belangrijke factoren. In het zuidelijke steenkoolbekken van België heeft men veel skeletten gevonden van prehistorische dieren — dinosaurussen, enzovoort. In dit verband zou ik willen vermelden dat de enige skeletten die gevonden zijn, van uitgestorven of nog levende diersoorten zijn. Er is geen spoor gevonden van de miljoenen zo genoemde overgangsvormen tussen de verschillende diersoorten, die volgens de evolutietheorie redelijkerwijs moeten hebben bestaan.”

De mijnwerker

Een van de voordelen die het werken in een mijn biedt, is het feit dat men al vroeg, hier in België na 25 dienstjaren, voor pensionering in aanmerking komt. Dat betekent in de praktijk dat iemand die op 18-jarige leeftijd in de mijn gaat werken, op 43-jarige leeftijd met pensioen gaat. Bovendien heeft de mijnwerker veel vakantiedagen die hij naar eigen goeddunken kan opnemen. Dan zijn er verreikende sociale voorzieningen zoals gratis kolen en lage huishuren.

Het gevaar van stoflongen is nog steeds heel reëel aanwezig. Bijzonder schadelijk is het steenstof. Dit komt omdat de moleculaire bouw hoekig is in tegenstelling met kolenstof waarvan de molecuulbouw rond is. Talrijke stofbestrijdingsmiddelen en daarbij de kortere werktijden hebben het gevaar natuurlijk wel verminderd.

„Hoe is het gesteld met het gevaar van instorting?” wil ik weten.

„Echte natuurlijke mijnrampen zoals instortingen, explosies en branden komen zelden voor. De steeds beter wordende werkomstandigheden en veiligheidsvoorschriften hebben hun invloed doen gelden. Bovengronds is een gigantisch controlepaneel dat praktisch alles registreert wat er maar mis zou kunnen gaan in de mijn.

Een ongenode gast waar wij ondergronds mee te maken hebben, is mijngas. Zoals al gezegd, ontstond steenkool doordat grote hoeveelheden plantengroei van de lucht werden afgesneden. Bij het winnen van de steenkool komen echter ook nog verscheidene andere bestanddelen waaruit planten zijn samengesteld, vrij. Zo komt per kubieke meter steenkool 350 kubieke meter mijngas en 200 kubieke meter kooldioxide vrij. Deze gassen worden door schuine boorgaten weggezogen en bovengronds opnieuw aangewend als een bron van energie.”

Ik moet nog steeds de vraag kwijt die mij al heeft beziggehouden vanaf het moment dat wij omlaaggingen: „Is het voor sommigen geen beangstigende ervaring om in de diepte te moeten afdalen en met uitzondering van deze twee schachten van de wereld afgesneden te zijn?”

„U bedoelt de factor angst”, lacht hij. „Die bestaat praktisch niet, omdat dit werk van vader op zoon overgaat. We kennen de mijn, en we weten gewoon niet anders. Het komt overeen met een vissersplaats waar de zoon evenals de vader visser wordt. Om u gerust te stellen kan ik vertellen dat er behalve de schachten nog andere verbindingen met de bovenwereld zijn. Wanneer zich onvoorziene omstandigheden voordoen, bestaan er extra ondergrondse verbindingen met andere mijnen in dit steenkoolbekken.”

Wij keren nu naar ons punt van vertrek terug en suizen met de lift weer omhoog. Iedereen heeft kans gezien in een hele korte tijd pikzwart te worden. Onder de douches van de mijnwerkers wassen wij het zwarte steenkoolstof af. Maar wat wij niet kunnen uitwissen, is de levendige indruk die ons eerste bezoek aan de ingewanden der aarde op ons heeft gemaakt.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen