De toren van Pisa — Waarom staat hij scheef?
Door Ontwaakt!-correspondent in Italië
BEPAALDE bekende steden in de wereld hebben hun faam te danken aan een of ander uniek bouwwerk of aan een artistiek meesterwerk dat als een bijna toevallige erfenis uit een vroegere tijd bewaard is gebleven. Zo is het ook gesteld met de stad Pisa, hier in Italië. De naam van deze voormalige maritieme republiek zou tegenwoordig praktisch onbekend geweest zijn, ware het niet dat daar al meer dan 700 jaar de beroemde scheve toren staat.
Een bezoek aan de Toren van Pisa is een ongewone ervaring, en mocht u hem toevallig bezoeken in gezelschap van de „expert” die mij de toren heeft laten zien, dan zult u er des te meer plezier aan beleven. Maar laat mij u erover vertellen.
Mijn eerste indruk
In alle oprechtheid moet ik zeggen dat ik op mijn reis door Midden-Italië Pisa alleen maar heb aangedaan om de toren te zien. (Ik hoop dat de bewoners van de stad niet beledigd zullen zijn door mijn woorden.) Nu weet ik echter dat de stad om nog vele andere redenen een bezoek waard is.
De toren staat daar heel majestueus midden op een groot plein en de stijl ervan is zo buitengewoon, dat het er haast op lijkt dat de bouwers hem met opzet scheef hebben gebouwd om de natuurwet van de zwaartekracht te tarten. De eerste aanblik is gewoon fascinerend, en men krijgt de indruk voor een bewegingloze reus te staan die zich op één been in evenwicht houdt. Terwijl ik het plein overliep, kon ik mijn ogen er niet van afhouden. Toen ik er van dichtbij tegen opkeek, speciaal aan de kant waarnaar hij overhelt, kreeg ik het gevoel alsof hij elk moment bovenop mij kon vallen. Dat gevoel was zo sterk dat ik even later, heimelijk om mij heen blikkend om zeker te zijn dat niemand keek, zo nonchalant mogelijk naar de andere kant wandelde. Nu kon ik hem op mijn gemak bewonderen.
De gids
Ik ging nog steeds op in mijn eerste oppervlakkige beschouwingen, die meer te maken hadden met meetkunde dan met kunst, toen ik in mijn gedachten werd onderbroken door een stem met een typisch Toscaans accent.
„Vierenvijftig meter en zes centimeter.”
Ik keerde mij om ten einde de onbekende die deze informatie had verschaft, te bedanken, en zag een jonge jongen staan. Hij was nogal dik en keek zeer helder uit zijn ogen. Ik bemerkte de tevreden uitdrukking op zijn gezicht en kwam tot het besef dat hij mij het antwoord had gegeven op de vraag die juist op dat moment in mijn geest was opgekomen.
„Als de mensen er zo’n 30 seconden naar hebben staan kijken, vragen ze zich gewoonlijk af hoe hoog hij is. Uw tijd kwam perfect overeen met het gemiddelde”, was het antwoord dat mij met de ogen deed knipperen. „Zou u er prijs op stellen als ik u begeleidde voor een bezoek aan de toren?”
Ik antwoordde niet meteen, maar richtte mijn blik omhoog om nog eens te kijken. Of het nu was omdat ik de toren vanaf een ander punt bekeek, of omdat ik zojuist die uitnodiging had gekregen: in ieder geval leek het alsof hij nog verder was gaan overhellen.
„O! Ik zie dat u bang bent!”
Dat kan waar geweest zijn, of misschien moest ik alleen maar gerustgesteld worden. Hij scheen dit ook te begrijpen, en voor ik het wist, ratelde hij een eindeloze lijst geschiedkundige feiten af, die bij controle aan de hand van een reisgids van de plaats ook inderdaad juist bleken te zijn. Ik denk dat hij mij ervan probeerde te overtuigen dat als de toren er zo’n lange tijd had gestaan, het niet erg waarschijnlijk was dat hij juist nu om zou vallen.
Ik kwam te weten dat de toren gebouwd was als klokketoren voor de nabijgelegen kathedraal en doopkapel. Hij was ontworpen door Bonanno da Pisa, en de eerste steen werd gelegd op 9 augustus 1173. Na verschillende onderbrekingen werd het werk in 1370 beëindigd door Tommaso di Andrea Pisano, maar het schijnt dat er al in 1298 werd gemeld dat hij scheef stond. Het meest geruststellend is het feit dat hij tot op de dag van vandaag meer dan 100 aardbevingen schijnt te hebben doorstaan, en de nog veel vernietigender uitwerking van de Tweede Wereldoorlog heeft overleefd, toen nabijgelegen stadsgedeelten zwaar gebombardeerd werden en er een paar pilaren door kanonvuur kapotgeschoten werden.
Het probleem van zijn scheve stand
Overdonderd door zo’n tot in details doorgevoerde nauwkeurigheid kon ik alleen maar instemmend knikken. Maar uiteindelijk vatte ik toch de moed om de vraag te stellen die mij al vanaf het begin had beziggehouden: „Maar . . . werd hij scheef gebouwd of is hij pas later gaan overhellen?”
Enigszins op mijn hoede wachtte ik zijn reactie af, maar ik was opgelucht toen ik aan de peinzende uitdrukking op zijn gezicht zag dat ik geen volkomen onzinnige vraag had gesteld.
„In feite is dat juist de vraag waar deskundigen zich jarenlang het hoofd over gebroken hebben. Sommigen menen inderdaad dat het de bedoeling was dat hij zou overhellen om hem iets origineels te geven. Maar de meesten houden het erop dat het lag aan de kleiachtige ondergrond die was doordrenkt met water uit ondergrondse bronnen, en die ging verzakken nadat men met bouwen was begonnen. Terwijl alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen in acht werden genomen, werd de bouw aan een scheve toren voortgezet. Niemand weet zeker wat er precies gebeurd is . . . alleen de toren weet het”, zei hij terwijl hij er vertederd naar keek, „en die kan niet spreken om ons over zichzelf te vertellen.”
Toen vertelde hij mij verschillende legenden die door de eeuwen heen zijn overgeleverd om de verschillende theorieën te ondersteunen. Volgens één verhaal werd de toren in scheve stand gebouwd omdat er een gebochelde was, die wilde dat de toren op hem zou lijken. In een ander wordt verteld dat het de kracht van de wind was die hem deed overhellen. In de achttiende eeuw heette het dat de toren helemaal niet scheef stond, maar dat het alleen maar door gezichtsbedrog zo leek.
Mijn gids gaf een opsomming van al deze inlichtingen op een manier alsof hij dat al honderd keer had gedaan en met een zekere zelfvoldaanheid, zodat ik in de verleiding werd gebracht een vraag te verzinnen die hij niet zou kunnen beantwoorden. Ik probeerde de volgende: „Weet je ook hoeveel hij weegt?”
„Veertienduizend vijfhonderd ton”, kwam het antwoord eruit, snel gevolgd door: „De top helt vier meter en eenendertig centimeter over, en dat neemt toe met 0,7 of 0,8 millimeter per jaar.”
Zelfs deze keer was hij in staat geweest om een antwoord te geven. Ik besloot mijn laatste troef uit te spelen. „En wanneer zal hij omvallen?” vroeg ik hem met een nogal ironische klank in mijn stem.
„Dat is nogal duidelijk! Als zijn zwaartepunt zich niet langer boven zijn grondvlak bevindt. Bij een te scheve stand . . .”
Ik begreep dat het geen zin had te proberen het van deze wandelende encyclopedie te winnen, dus besloot ik dat het beter was hem op een serieuze manier te gebruiken: „Kan er niet iets gedaan worden om te voorkomen dat hij steeds erger gaat overhellen?”
„Er zijn heel wat oplossingen bedacht en sommige zijn ook uitgeprobeerd. In 1933 hebben ze hem zelfs 361 injecties gegeven . . .”
„Wát hebben ze gedaan?” riep ik verrast uit.
„Wat denkt u wel dat ik bedoelde . . . injecties met cement natuurlijk . . . om deze hele plaats heen, bij elkaar 93 ton.”
Natuurlijk, het lag voor de hand, en ik voelde me nogal beschaamd wegens mijn eerste reactie. Maar om hem te laten zien dat ik niet geheel en al onbekend was met het onderwerp, zei ik gelezen te hebben dat erin 1966 een oproep tot de wereld was gericht om te voorkomen dat de toren verder zou gaan overhellen, en dat de deskundigen het er algemeen over eens waren geweest dat de grond in de onmiddellijke nabijheid verstevigd moest worden. Sommigen kwamen met het voorstel dat er een verbod zou moeten komen om binnen een straal van anderhalve kilometer water uit de grond te pompen. Anderen dachten dat het overhellen erger wordt als het grondwater tot dieper dan 50 meter zakt, en dat daarom het probleem verholpen zou kunnen worden door het grondwaterpeil stabiel te houden met een stelsel van pompen waarmee men water kan onttrekken of weer terugpompen, al naar gelang de behoefte van het moment.
De jonge knaap bleek ook op dit punt geïnformeerd te zijn en vervolgde het gesprek door toe te voegen: „En dan heb je nog van die excentrieke ideeën die sommige vreemde figuren zo nu en dan uitdenken.”
„Zoals?”
„Eens kwam een uitvinder met het idee dat de toren overeind gehouden zou moeten worden met stalen kabels; een ander wilde een tunnel graven onder zijn fundamenten . . .”
„Waar had dat goed voor moeten zijn?”
„Wel . . . ik weet het niet precies . . .”
Eindelijk had ik iets gevonden dat hij niet wist! Hoe het ook zij, ik begon het een aardige jongen te vinden en zou zelfs bereid zijn de toren met hem op te gaan als hij het mij opnieuw zou vragen.
„Zou u de toren met me op willen?”
Natuurlijk kwam de vraag precies op het juiste moment, wat ik ook al haast wel verwacht had. „Prima, laten we naar boven gaan”, zei ik zonder een moment te aarzelen.
In de toren
Het was niets meer dan een holle ruimte binnen een enorme cylinder, die in wezen kaal afstak bij de rijkelijk versierde buitenzijde waaraan 207 zuilen, harmonieus verdeeld over zeven verdiepingen, een op kant gelijkende luchtigheid verleenden. Helemaal boven zouden wij de klokken aantreffen.
Behendig beklom mijn gids de steile trap die in de muren was uitgehouwen. Zeven verdiepingen — op elke verdieping hielden wij halt om over de omgang te lopen en het panorama te bewonderen dat zich beneden ons uitspreidde. De ogen van mijn pientere jonge gids schitterden terwijl hij de karakteristieke punten van het landschap rondom aanwees. Nu was het voor hem niet nodig allerlei encyclopedische feiten op te sommen. Hij werd meegesleept door zijn liefde voor de streek waar hij geboren was, en misschien zelfs wel voor dit monument, van de top waarvan wij zo ver konden kijken. Toen, bijna alsof hij was gaan beseffen dat hij zich door zijn gevoelens had laten meeslepen, was hij weer terug in zijn rol van de ter zake kundige gids.
„Galileo Galilei, hier in Pisa geboren voerde zijn experimenten in verband met de wet van vallende lichamen vanaf deze plek uit. Zoals u kunt zien, is dit de plaats waar de klokken zich bevinden: het zijn er zeven, met een totaalgewicht van 9500 kilo. Ze worden nooit aanhoudend geluid, omdat hun beweging trillingen zou kunnen veroorzaken die gevaarlijk zijn voor de toren. Elke klok heeft zijn eigen naam . . . ”
Hij noemde zonder haperen zeven vreemde namen op, maar ik luisterde al niet meer. Ik had er alleen maar schik in hem de rol van officiële gids zo goed te zien spelen.
Terwijl wij de trap af naar beneden gingen, vroeg ik hem informatie over een eventuele symbolische betekenis van het ontwerp en de versieringen van de toren, maar op dit punt bleef hij wat vaag. Later las ik in een artikel van Dezzi Bardeschi (Psicon 1976) de volgende merkwaardige verklaring: „De zeven verdiepingen (van de toren) stellen de zeven wegen voor die naar Christus leiden, de zeven fasen van het leven en de zeven harmonische sferen waar de ziel doorheen moet trekken met de hulp van de zeven gaven van de heilige geest) om God te bereiken.” Klaarblijkelijk waren de leer en filosofie van de middeleeuwen sterk beïnvloed door de oosterse heidense overtuigingen die een integrerend deel waren geworden van de „christelijke” cultuur.
Ook stond een bezoek aan de monumenten in de nabije omgeving op mijn programma. Wat deze betreft was mijn jonge gids minder goed voorbereid. Toen ik ze bekeek, zag ik dat de jongen tekenen van ongeduld vertoonde. Het moment was aan gebroken om uit elkaar te gaan en zo stapten wij weer naar buiten, in de open lucht waar de zon nog steeds scheen op het fluweelachtige groen van de grasmat. Ik nam afscheid van hem en gaf hem een klein bedragje dat hij werkelijk ruimschoots verdiend had, en keek toen toe hoe hij op een drafje, allerlei mensen ontwijkend, door de menigte verdween.
Weer alleen wierp ik een laatste blik op de sierlijke Scheve Toren en dacht erover na dat, net als zoveel andere prachtige oude monumenten, ook deze een getuigenis vormt van menselijke vaardigheid en vernuft: gaven die, op juiste wijze gebruikt, veel meer lof aan de Schepper brengen dan welk klokgelui maar ook.