Een levenreddende nieuwe behandeling
TERWIJL ik Gary’s kamer voor enkele minuten verliet, zag ik twee van onze christelijke broeders uit de gemeente in de wachtkamer zitten. Zij kwamen naar mij toe, en een van hen hield in zijn hand een fotokopie van een bladzijde van de Watchtower. Nadat wij elkaar kort begroet hadden, gaf hij mij de kopie. Het was de rubriek „Inzicht in het nieuws” uit de uitgave van 1 september 1974.a
Terwijl ik het las, kwam er een krachtig gevoel van hoop in mijn hart op. Het aangehaalde bericht sprak over een nieuwe techniek om patiënten die veel bloed hadden verloren, te helpen. De behandeling maakt gebruik van „hyperbare zuurstof”.
Een beslissende krachtmeting
Het was rond 11.30 uur ’s morgens toen de hoofdchirurg van het ziekenhuis de hal inkwam. Hij ontbood ons in zijn kantoor met de opmerking: „We gaan dit eens voor al regelen.”
Het was een klein kantoortje, en het was nu nog kleiner met drie dokters, mijzelf en twee van mijn vrienden erin gepropt. Ik kon zien dat de dokters vermoeid waren, naar ik aannam omdat zij zulke lange dagen maakten en met veel moeilijke problemen geconfronteerd werden. De restrictie om in Gary’s geval geen bloed te gebruiken scheen tot hun last bij te dragen. Ik kon dat begrijpen.
„Ik heb met mijn doktoren gesproken, en we begrijpen hier niets van”, verklaarde de hoofdchirurg. „Meer nog, wij zijn razend! We hebben een jonge man die we kunnen redden, maar de principes die jullie naleven en hem aanmoedigen om na te leven, maken het voor ons bijna onmogelijk te helpen.”
Driftig hing hij verscheidene röntgenfoto’s van Gary’s gebroken been in de klemmen van de lichtbak die zich tegen een van de muren bevond, en ondertussen wees hij naar de meervoudige fracturen in Gary’s been. De breuken zagen eruit als de puntige, zaagvormige breuk van een potlood. Eén toonde duidelijk het bot dat door het vlees naar buiten stak.
„Hiertegen vechten wij”, zei hij, terwijl hij snel na elkaar naar elk van de breuken wees die op de foto’s te zien waren. „Gary moet hier, hier en hier een pin hebben, en in elk geval vereist de operatie bloed.” Steeds weer bleef hij herhalen: „Ik ben woest!” Ik was vreselijk bang, daar ik wist dat ik het voornaamste mikpunt van zijn verontwaardiging was. Ik boog mijn hoofd en liet mijn tranen de vrije loop.
„Ik ben een christen”, verklaarde de hoofdchirurg. „Ik zie er niets verkeerds in bloedtransfusies te nemen. En zelfs al was het verkeerd, God zou het u vergeven.” Toen veranderde hij van tactiek en zei: „Als u niet probeert Gary zo ver te krijgen dat hij bloed neemt, dan is dat hetzelfde als hem vermoorden. Iedereen die werkelijk van hem houdt, [ik wist dat zijn ogen waarschijnlijk op mij gevestigd waren] zal Gary proberen te beïnvloeden om bloed te nemen.” Opnieuw gooide hij het over een andere boeg door op bekwame wijze mijn gevoelens te bespelen ten aanzien van de innige wens die ik had: „Als hij bloed neemt, komt hij weer thuis, bij u en de kinderen, en gaat hij op den duur weer aan het werk. Bloed is het enige antwoord.
Deze man is stervende, en wij kunnen hem redden, maar u bindt onze handen. Hebt u ooit meegemaakt dat iemand eenvoudig in uw handen stierf en u machteloos stond?” vervolgde hij. Hem onderbrekend zei ik zacht: „Ja. Ik heb een dochtertje gehad.” Mijn bevestiging moet hem overrompeld hebben, want hij praatte niet verder. De pijnlijke stilte werd verbroken toen hij verklaarde: „Goed, ik wil dat iedereen mijn kantoor verlaat. Ga maar naar buiten, en denk erover na wat die man moet doormaken.”
Verandering in houding
Toen ik opstond om te vertrekken, richtte ik me tot hem en vroeg: „Kan ik u spreken?” Iedereen stopte en draaide zich naar mij om. „Alleen”, maakte ik mijn zin af. „Oké, iedereen eruit”, bulderde hij.
Toen iedereen weg was, werd ik onmiddellijk een verandering in zijn houding gewaar. Hij scheen milder te worden. Gewoon even over onbeduidender zaken pratend, vroeg hij hoe ik een van Jehovah’s Getuigen was geworden en informeerde hij naar mijn dochter. Toen vroeg hij hoe oud ik was. „Zesentwintig”, zei ik. Tot mijn verrassing antwoordde hij: „Goeie genade, je bent nog zo jong om dit alles te doorstaan.”
Ik was verbluft over de verandering. Ik vroeg hem of hij onbevooroordeeld was. Hij bevestigde dit. Ik wilde dat hij zich blootgaf voordat ik hem het bericht uit de Watchtower over de hyperbare-zuurstofbehandeling gaf. Toen hij het aan mij teruggaf, vroeg ik: „Denkt u dat het zou kunnen helpen?”
„Wel, ik weet het niet”, antwoordde hij. „Zoals de zaken er nu voor staan is alles het proberen waard.”
„Kunt u hem ergens naar toe sturen?” smeekte ik.
„O nee”, zei hij. „Dat ga ik niet doen; dit zult u helemaal zelf moeten doen. U kunt de marinebasis bellen.”
„Maar wat moet ik dan zeggen? En wie moet ik bellen?” vroeg ik.
„U belt ze maar en vraagt wie er gaat over de hyperbare zuurstof en dan vertelt u het eenvoudig.” Toen leunde hij snel voorover om naar de telefoon op zijn bureau te reiken. Hij begon tegen iemand te praten — iemand die hij bij zijn voornaam kende. Hij vertelde mijn hele ervaring en het leek erop dat hij me werkelijk wilde helpen. Toen hij de hoorn weer neerlegde, zei hij: „Het is allemaal geregeld.” Gary zou naar het Long Beach Memorial Hospital gebracht worden.
Waarschijnlijk vanwege de beslistheid van de hoofdchirurg verliepen de voorbereidingen voor het wegsturen van Gary verbazend vlug. Terwijl zij hem voor de reis gereedmaakten, zei een van de dokters echter over de hyperbare zuurstof: „Het zal helemaal niets uithalen.” Hoewel hij zacht sprak, was zijn stem woedend toen hij beklemtoonde: „Hij heeft bloed nodig om zijn wonden te laten genezen.” Dit ontmoedigde mij. Maar in minder dan geen tijd werd Gary naar een wachtende ambulance gereden. Een dokter vergezelde ons tijdens de tocht.
Mijn hoop herleeft
Ten slotte zag ik een enorm, ultramodern ziekenhuis in zicht komen. Verplegers stonden al te wachten. Zij reden Gary naar de zevende verdieping, naar een kleine kamer voor hem alleen in de Intensive Care. Terwijl de zuster naar mij toe kwam, legde zij uit dat ik buiten moest wachten totdat de doktoren klaar waren met hun onderzoek. Ik verliet de kamer en ging de trap af naar een toilet om me wat op te frissen. Daar rustte ik even en bad om moed en sterkte. Er waren zo’n 18 uur verstreken sinds ik door het vreesaanjagende telefoontje van de vorige nacht was gewekt.
Ik speelde het klaar mijzelf weer de trap op te slepen naar Gary’s kamer. Toen ik binnenkwam waren de twee dokters er nog steeds. Een ogenblik vergat ik dat ik het artikel over hyperbare zuurstof bij mij droeg. Ik liep naar de dokter toe die het dichtst bij mij stond en overhandigde het hem. Het was een grote, wat gezette man met brede schouders en zwart, golvend, achterover gekamd haar. Hij nam het aan en begon te lezen. Toen hij klaar was, mompelde hij op typische doktersmanier: „Ja, ja.” Vol ongeduld naar zijn mening vroeg ik: „Hebt u ooit van deze behandeling gehoord?”
„O ja”, antwoordde hij vrij nonchalant. „Ik heb het artikel geschreven.” (Dit was het artikel dat in het Journal of the American Medical Association van 20 mei 1974 verscheen, waarnaar in de Watchtower werd verwezen.) Ik voelde dat ik bloosde, aangegrepen door verlegenheid en uiterste vreugde. Terwijl hij verder sprak en de wijze van behandeling beschreef kreeg ik weer moed.
Ik wilde optimistisch zijn, maar twijfelde nog steeds. Ik herhaalde de commentaren die door de dokter waren gegeven, vlak voordat wij het academisch ziekenhuis verlieten. „Hij dacht”, legde ik uit, „dat de behandeling niet zou helpen, en zelfs als dit wel zo was, dat Gary nog niet goed zou genezen, omdat hij volledig bloed nodig had.” Terwijl hij mij recht in mijn ogen keek, knikte hij vol begrip en verklaarde filosofisch: „Sommige mensen spreken slechts in hun onwetendheid.” Overtuigd en gerustgesteld geloofde ik nu dat Gary een goede kans maakte.
De behandeling met hyperbare zuurstof
Bij de therapie met hyperbare zuurstof wordt het hele lichaam blootgesteld aan zuivere zuurstof onder een druk die groter is dan onze atmosferische druk, die op zeeniveau ruim een kilo per vierkante centimeter bedraagt. Door de verhoogde druk lost er zuurstof op in de lichaamsweefsels en -vloeistoffen in concentraties die veel hoger zijn dan normaal. Het hiervoor gebruikte apparaat is een cilindrische tank van een zware metalen constructie met een dikke glazen overwelving waardoor de patiënt naar buiten, en degenen die buiten zijn, naar binnen kunnen kijken. De ongewoon dikke, cirkelvormige toegangsdeur lijkt wel wat op een kluisdeur. Het is mogelijk met elkaar te spreken door middel van een intercomsysteem.
De compressie wordt na een langzaam begin geleidelijk opgevoerd totdat het voorgeschreven niveau is bereikt. Het gevoel op de trommelvliezen is hetzelfde als wat men voelt tijdens het op- of afrijden van een berg. De eerste paar dagen werd Gary dag en nacht eenmaal per zes uur behandeld. Aan het eind van elke behandeling voelde hij gewoonlijk een versterkende stimulans.
Toen hij op de vierde dag om 8 uur ’s avonds terugkwam van de behandeling, verrichtte de zuster, zoals gewoonlijk, een bloedonderzoek. De uitkomst veroorzaakte enige opwinding — zijn hematocriet was met een heel percent gestegen, van 10 tot 11. Hoewel het nog steeds hachelijk laag was, had het nieuws een aanmoedigende uitwerking op ons beiden. Op de achtste dag van zijn behandeling bereikte zijn hematocriet de 19, hoog genoeg om hem van de Intensive Care over te brengen naar Isolatie.
Een onmiskenbaar bewijs van Gary’s verbeterende gezondheid werd op een morgen geleverd, toen hij wakker werd. „Heb je zin in een ontbijt vanmorgen?” vroeg ik opgewekt. Sinds het ongeluk had hij geen voedsel binnen kunnen houden. Ik stond in één klap naast mijn stoel, die ik als bed gebruikte, toen hij zei: „Ja, ik geloof dat ik dat wel lust.”
„Wat goed, wat goed”, mompelde ik opgewonden. Zijn beginnende trek in voedsel was een bewijs te meer dat hij niet zou doodgaan. Tegen de algemene medische verwachting in was hij zonder bloed blijven leven en terzelfdertijd had hij de — soms dodelijke — complicaties vermeden die vaak optreden als er bloedtransfusies worden gegeven. Maar natuurlijk was de reden waarom wij bloed weigerden, Gods wet aan christenen: ’Onthoud u van bloed.’ — Hand. 15:28, 29.
Weer een crisis
Voordat Gary van de Intensive Care werd overgeplaatst, begon Bryan hoge koorts te krijgen. Zijn fontanel, de zachte plek bovenop zijn hoofd, was gezwollen, wat erop duidde dat er druk op zijn hersenen werd uitgeoefend — een eerste aanwijzing voor hersenvliesontsteking. Er ging een golf van afgrijzen door mij heen toen de behandelende vrouwelijke arts bekendmaakte dat hij een transfusie van bloedplaatjes moest hebben. Zij legde uit dat het verrichten van de lumbaalpunctie vanwege de geringe hoeveelheid bloedplaatjes in zijn bloed het gevaar met zich bracht een bloeding te veroorzaken die tot verlamming kon leiden.
Er was al een rechterlijk bevel verkregen om Bryan uit onze ouderlijke macht te ontzetten toen wij hem de eerste keer in dit ziekenhuis lieten opnemen. Maar er was geen bloed gegeven, omdat geen enkele hoeveelheid zou helpen. Bryan was niet in staat naar behoren zijn eigen bloedplaatjes te maken. Derhalve waren wij met de dokter die Bryan behandelde, overeengekomen dat hem geen bloed zou worden gegeven.
Ten slotte arriveerde de dokter waarmee wij die afspraak hadden gemaakt. Ik vertelde hem kort wat er was gebeurd. Hij zei dat hij de lumbaalpunctie zonder bloed zou verrichten. Zo eenvoudig lag de zaak — er zou geen bloed gegeven worden. Maar de mogelijkheid van dodelijke bloedingen en verlamming was aanwezig. Het lumbaalvocht werd naar het laboratorium gestuurd en daar bleek dat Bryan virusmeningitis had, hersenvliesontsteking veroorzaakt door een virus. Ik zuchtte.
Een treffende ommekeer
Sinds zijn eerste bloedplaatjes-onderzoek, uitgevoerd op de dag dat wij zijn ziekte ontdekten, was de hoeveelheid ervan in Bryans bloed stabiel op 4000 per kubieke millimeter gebleven. Maar een paar dagen nadat hij hersenvliesontsteking had gekregen onthulde een onderzoek van zijn bloed een treffende ommekeer. Met een stralend gezicht meldde de dokter: „Bryans bloedplaatjesgehalte is een beetje gestegen.”
„Echt?” onderbrak ik hem.
„Ja”, vervolgde hij. „Het is gestegen tot 25.000.”
Verschrikkelijk opgewonden wenste ik te geloven dat Bryan zou blijven leven. Ik kon mij nauwelijks bedwingen toen ik Gary het goede nieuws vertelde over de toename in het aantal bloedplaatjes van Bryan. „Dat is nog steeds niet goed, Jane”, zei hij effen, onbewogen door mijn enthousiasme. Hij probeerde mij te beschermen. Een van de dokters verklaarde dat de kans dat Bryan zou blijven leven, één op de miljard was.
Er ging een week voorbij. Wij namen Bryan mee voor een nieuw bloedonderzoek. Ditmaal was het bloedplaatjesgehalte 50.000! En elk volgend, wekelijks onderzoek bleef een toename te zien geven. De test erna gaf een overstelpende 193.000 aan; de volgende week was het 309.000. Ten slotte bereikte het de 318.000, wat normaal geacht wordt. De doktoren stonden versteld, zelfs zozeer dat zij opmerkingen uitten als: ’Hier komt de unieke baby’, en ’Hij maakt ons allemaal Jehovah’s Getuigen’. Zij gingen zelfs zo ver dat zij de verandering in Bryans toestand aan ’een wonder’ toeschreven.
Zowel Gary als Bryan zijn volkomen hersteld, en ik ben zo dankbaar voor de goede afloop. Niemand wenst geliefden te zien lijden of sterven. Maar terzelfdertijd beklemtoonden deze ervaringen voor mij dat er iets belangrijkers bestaat dan ons huidige leven. Het is zelfs nog belangrijker dat wij Gods wetten houden, omdat wij dan de zekere belofte hebben dat God ons uit de doden zal opwekken in zijn nieuwe ordening waar wij eeuwig leven in volmaakte gezondheid en geluk kunnen genieten (Openb. 21:3, 4). Wordt door de getrouwheid van Jezus Christus, zelfs tot in de dood, en door zijn opstanding door God niet bewezen dat een dergelijke loopbaan van gehoorzaamheid aan Gods vereisten de verstandigste loopbaan is?
Ik ben onze barmhartige en vriendelijke God, Jehovah, dankbaar dat hij mij de kracht heeft geschonken om getrouw te volharden in het gehoorzamen van zijn wetten tijdens deze beproevingsvolle dagen. Naar mijn mening waren deze geïnspireerde woorden van de apostel Paulus in mijn geval werkelijk van toepassing: „Wij hebben deze schat echter in aarden vaten, opdat de kracht die datgene wat normaal is te boven gaat, van God zou zijn en niet uit onszelf” (2 Kor. 4:7). — Ingezonden.
[Voetnoten]
a In het Nederlands opgenomen in de Ontwaakt!-uitgave van 8 februari 1976, blz. 25.