Zweden erkent dat Jehovah’s Getuigen uniek zijn
Sinds 1966 heeft de Zweedse regering voor Jehovah’s Getuigen ten aanzien van militaire dienst een unieke tijdelijke regeling laten gelden. Na een onderzoek van ieder afzonderlijk geval, werden Getuigen die goed bekend stonden niet opgeroepen voor militaire dienst of enige soort van vervangende dienst. In 1973 werd er echter een regeringscommissie aangewezen om de vrijstellingswetten in Zweden te herzien. Het doel was onder andere het optreden van de regering tegenover alle gewetensbezwaarden in het land „gelijk te trekken”.
In maart 1977 publiceerde de commissie haar uiteindelijke beslissingen en aanbevelingen voor het opstellen van een wet. Het rapport bevatte een positief verslag over Jehovah’s Getuigen en concludeerde dat de commissie geen andere oplossing had gevonden dan „voor te stellen dat de huidige overeenkomst . . . gehandhaafd zou kunnen worden”, dat wil zeggen, de Getuigen niet op te roepen voor enige vorm van dienst. Als uitleg voor deze uitzonderingsbehandeling van Jehovah’s Getuigen verklaarde de commissie: „Men zou de vraag kunnen opwerpen of bepaalde andere religieuze groepen er aanspraak op mogen maken op overeenkomstige wijze behandeld te worden. De commissie is van mening dat er momenteel geen andere religieuze groepen in ons land schijnen te bestaan die met Jehovah’s Getuigen vergeleken kunnen worden.”