Het mooiste voorrecht op het gebied van geven
Zoals door Vicki Johnson aan een redactielid verteld
Zelfs personen die goed kunnen horen en zien zijn vaak al moeilijk zover te krijgen dat zij naar de waarheden betreffende Gods koninkrijk luisteren en ze begrijpen. Nu stond ik voor de uitdaging ze een jonge vrouw bij te brengen die vanaf haar geboorte doof en blind was!
MIJN man en ik wonen naast het Helen Keller Nationaal Centrum voor dove blinden, in Sands Point, op Long Island, New York. Terwijl wij de voltooiing van het gebouw dichterbij zagen komen, vroegen wij ons af hoe het moest zijn om blind en doof te zijn, voor sommigen zelfs vanaf hun geboorte. Nooit de schoonheid van de aarde gezien te hebben, of haar verrukkelijke geluiden gehoord te hebben! De gedachte alleen al overweldigde ons; wij konden ons onmogelijk voorstellen in zulke volslagen duisternis en stilte te moeten leven! Wij kennen Jehovah’s belofte dat op de paradijsaarde onder zijn Koninkrijksregering de blinden het gezicht en de doven het gehoor zullen terugkrijgen, maar hoe zouden wij deze hoop met degenen die weldra onze buren zouden zijn kunnen delen? Wij baden dat wij de gelegenheid hiervoor zouden krijgen.
In september 1977 deed die gelegenheid zich voor. Onze gemeente van Jehovah’s Getuigen kreeg een brief van Georgine Dilts uit Seattle in Washington. Zij had via brailleschrift bijbelstudie gegeven aan de 25-jarige Debbie Curry, een jonge vrouw die vanaf haar geboorte blind en doof was. Debbie was het eerst benaderd door Dallas Talley, een blinde Getuige. Hij studeerde met haar en nam haar mee naar vergaderingen, maar droeg haar uiteindelijk over aan Georgine Dilts. En nu stelde Georgine ons ervan in kennis dat Debbie naar het Helen Keller Centrum, naast ons huis, was overgeplaatst. Onze gemeente werd gevraagd iemand aan te wijzen om de bijbelstudie met haar voort te zetten. Men vroeg mij dit te doen! Hoe zou ik dat kunnen? Mijn wereld was gevuld met beelden en geluiden. Ik vond zien en horen vanzelfsprekend. Hoe zou ik Debbie in haar donkere en stille wereld kunnen bereiken? Hoe zou ik communicatie met haar kunnen onderhouden? Ik kende geen gebarentaal — en ook al was dit wel het geval geweest, dan kon zij dit niet zien!
Toen ik Debbie in het instituut ontmoette werd mijn vrees minder, om niet te zeggen dat ze helemaal verdween. Ik had geen vingertaal nodig om met haar te praten. Ik kon gewoon spreken, en zij liet haar hand het werk van haar oren doen. Wanneer ik sprak, hield zij haar duim op mijn lippen, en haar vingers op mijn kaak en keel. Door de trillingen van mijn keel te voelen, wist zij wat ik zei! Dit wordt de Tadoma-methode genoemd. Het woord staat nog niet in de woordenboeken. Het is gevormd uit de combinatie van de voornamen van een broer en zuster — Tad en Oma — beiden zowel doof als blind, die voor het eerst in het gebruik van deze methode waren opgeleid. Debbie sprak tot mij met gebruikmaking van haar stem, hoewel ik er in het begin enige moeite mee had om alles wat zij zei te kunnen verstaan. Haar vermogen om zich door middel van haar stem te uiten is verbazingwekkend, aangezien zij nooit één enkel woord heeft horen spreken!
Haar eerste vraag was: „Wanneer kan ik mee naar de Koninkrijkszaal?” Diezelfde week vergezelde zij mij naar een van de gemeentelijke boekstudies en maakte ik met haar een afspraak voor een huisbijbelstudie. Ook maakte zij er een begin mee om enkele door-de-weekse vergaderingen in de Koninkrijkszaal te bezoeken. De eerste vergadering is een school die ons opleidt om te prediken en de tweede helpt ons om het predikingswerk te organiseren.
De ondernomen stappen om Debbie te helpen
In het begin nam ik publikaties in braille voor haar mee om tijdens de vergaderingen te lezen, maar dat was slechts tijdelijk. Een andere vrouw in de gemeente en ik namen cursussen in vingertastspraak en binnen een paar weken vertolkten wij voor Debbie beurtelings de vergaderingen. Zij hield onze hand dan losjes in die van haar en wij spelden in haar hand wat er werd gezegd. Zij was blij dat zij een deel van het geheel was. Enige tijd later had ik een oefenlezinkje tijdens de school. Debbie wilde er ook aan meedoen. Ik zette mijn voordracht zo in elkaar dat zij ook iets kon zeggen, en dit vond zij prachtig. Zij geeft ook commentaar tijdens de gemeenteboekstudie.
Het Wachttorengenootschap is zich van de noden van de gehandicapten bewust. Het heeft boeken over de bijbel in braille, waarvan Debbie er vele te leen heeft gehad. In zijn braille-afdeling laat het Genootschap veel van zijn publikaties voor blinde lezers in braille zetten. Voor de persoonlijke bijbelstudie met Debbie gebruiken wij het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt. Zij heeft het boek in braille, leest elke paragraaf met de vraag hardop voor en geeft het antwoord. De studieartikelen van elke uitgave van het tijdschrift De Wachttoren worden in braille uitgegeven. Dit gaf Debbie het verlangen ’s zondags, wanneer dit tijdschrift wordt bestudeerd, de vergadering in de Koninkrijkszaal bij te wonen.
Het Helen Keller Centrum, waar Debbie verblijft, moet hier toestemming voor geven. Het Centrum is niet tegen Jehovah’s Getuigen gekant, maar treedt erg beschermend op ten behoeve van degenen die aan de zorg ervan zijn toevertrouwd. Jack, een van de vrijwillige werkers, had Debbie elke zondagmorgen meegenomen naar de katholieke Kerk. Hij was erg lief voor haar, ging met haar zwemmen, en nam haar mee naar restaurants en andere plaatsen. Men vond dat in het Centrum een goede regeling en wilde er niet graag verandering in aanbrengen. In het Centrum was men ervoor dat Debbie’s tijd tussen ons werd verdeeld — door de week met mij naar de Koninkrijkszaal, ’s zondags met Jack naar de katholieke Kerk.
Debbie verzocht echter voortdurend om ’s zondags naar de Koninkrijkszaal te mogen gaan. Uiteindelijk stemde haar sociale werker met deze verandering in, mits zij haar wens om dit te doen zelf aan Jack kenbaar zou maken. Dit kostte haar veel moeite. Zij mocht hem erg graag. Hij was bijzonder goed voor haar geweest. Zij wilde dat ook hij over het leven in Jehovah’s aardse paradijs zou vernemen.
Zij nodigde Jack uit voor haar persoonlijke bijbelstudie. Hij is overtuigd katholiek, maar hij kon geen neen tegen Debbie zeggen. Zo was hij dus verzeild geraakt in wat naar zijn idee zo iets als een vergadering van de Ku Klux Klan moest zijn. In het Centrum had men gesproken over ’die mensen die Debbie naar ettelijke religieuze bijeenkomsten per week sleuren’, waarbij men vond dat ’één vergadering per week al heel vroom is’, zodat ’dit toch wel bijzonder vreemde mensen moeten zijn’. Jack vertelde dit aan ons, maar voegde eraan toe: „Jullie zijn heel gewone, gastvrije mensen en zorgen echt goed voor Debbie.” Hij keerde naar het Centrum terug met de aanbeveling om Debbie bij ons te laten zijn, zo vaak wij dat maar wilden. Zij begon onmiddellijk ’s zondags de Wachttoren-studies te bezoeken.
„Ik heb geen problemen”
Een van de Wachttoren-studies ging erover ’onze last op Jehovah te werpen’. Nadien nam ik opnieuw enkele van de punten met Debbie door.
„Wanneer wij problemen hebben”, zei ik, „kunnen wij altijd tot Jehovah God in gebed gaan en ze met hem bespreken. Wij moeten nooit aarzelen met welke problemen maar ook waarmee wij in ons leven te maken krijgen, tot hem te gaan.”
Deze jonge vrouw die 26 jaar van haar leven in volslagen duisternis en stilte heeft doorgebracht, antwoordde: „Ik heb geen problemen.” Als er in vergelijking met haar iemand zou moeten zeggen geen problemen te hebben, dan ben ik dat!
Eens rees er een klein probleem. Ik leid een bijbelstudie met Denise, een tiener, die eveneens de vergaderingen in de Koninkrijkszaal bezoekt. Zij was aan de beurt om een toespraakje te houden en wij namen samen haar aantekeningen door. Debbie legde haar hand op de aantekeningen. Ik nam ze weg maar zij legde ze er weer op. Toen het voor de derde keer gebeurde, nam ik haar hand weg en hield deze even vast. Debbie ging met haar rug naar mij toe zitten. Toen ik met Denise klaar was wendde ik mij tot Debbie. Ze haalde een oude brief van haar grootmoeder, die ik haar al verscheidene keren had voorgelezen uit haar tasje en gaf hem aan mij om voor te lezen. Toen ik aan het gedeelte kwam waar haar grootmoeder schreef dat zij niet opnieuw gedoopt hoefde te worden daar zij reeds, toen zij een klein meisje was, in de Bethanië-kerk van de Pinkstergemeente was gedoopt, pakte Debbie de brief weer terug. Zij wilde mij iets duidelijk maken.
„Je wilt dus niet als een van Jehovah’s Getuigen gedoopt worden?” vroeg ik.
„Neen.”
„Maar eerder heb je gezegd dat je dat wel wilde. Nu niet meer?”
„Neen.”
„Wanneer ben je van gedachten veranderd?” Zij gaf geen antwoord.
„Wil je een lid van de Pinkstergemeente, of een van Jehovah’s Getuigen zijn?”
„Pinkster.”
„Wil je nog wel de bijbel met mij bestuderen?”
„Neen.”
„Wil je dat ik je donderdag ophaal om mee naar de Koninkrijkszaal te gaan?”
Zij aarzelde maar zei ten slotte „Ja”.
Ik besefte wat er aan de hand was. Zij was jaloers omdat ik enige tijd met Denise bezig was geweest. Zij wilde mij pijn doen door de Getuigen te verwerpen. Ik liet de zaak rusten, maar bracht haar bij onze volgende ontmoeting weer ter sprake.
„De laatste keer dat wij elkaar spraken” zei ik, „wilde je geen Jehovah’s Getuige zijn. Meende je dat echt?”
„Neen.”
„Je was kwaad.”
„Neen.” Zij hield star en stijf vast. Zij wilde niet dat ik zou denken dat zij kwaad was.
„Jawel”, zei ik, „je was kwaad. Dat is begrijpelijk. Je wilde aandacht van me. Maar Denise was aan de beurt. Dat ik aandacht aan Denise besteed, wil niet zeggen dat ik niet van jou houd. Kun je dat begrijpen?”
Zij gaf geen antwoord en ik vervolgde:
„Je kunt het vergelijken met een moeder die meer dan één kind heeft. Zij houdt van al haar kinderen, maar schenkt op verschillende tijden aan elk van hen afzonderlijk aandacht. Die keer was Denise aan de beurt. Nu jij. Als je kwaad wordt, word dan kwaad op mij, maar nooit op Jehovah of zijn waarheid. Ik word soms ook kwaad. Het is een menselijke zwakheid en wij moeten die proberen te overwinnen.”
Debbie had het begrepen. Sindsdien heeft zij nooit meer blijk van jaloezie gegeven. Ik heb door eigen ondervinding geleerd wat haar grootmoeder uit de Amerikaanse staat Washington mij in een brief vertelde: „Zoals u zeker wel ontdekt zult hebben, is zij een blijmoedige jongedame, die zelden een slecht humeur heeft.” Debbie’s grootmoeder gaf ook wat interessante inlichtingen:
„In de bibliotheek van het Congres bevindt zich de film ’Een dag met Debbie’. Deze werd opgenomen als een opvoedkundige film om de gehandicapten te helpen. Zij was toen tussen 8 en 9 jaar oud. Zij is in tv-programma’s, in collegezalen en bij veel andere groepsbesprekingen verschenen. Dit vond plaats om ouders van het feit te doordringen dat een gehandicapt kind de mogelijkheid tot een schoolopleiding kan en moet worden geboden en dat een dergelijk kind ook een aandeel moet hebben aan de activiteiten van de gemeenschap.”
Maar grootmoeder eindigt haar brief aan mij bijzonder innemend: „Nogmaals wil ik u, uw echtgenoot en uw vrienden die zo goed en lief voor onze Debbie zijn geweest, bedanken.” Ik heb haar brief erg op prijs gesteld. Het welzijn van Debbie gaat haar ter harte. Toen ik met Debbie begon te studeren, nam haar grootmoeder in verband hiermee contact op met het Centrum. De sociale werker verzekerde haar dat dit goed voor Debbie was en dat Jehovah’s Getuigen „een hecht aaneengesloten groep vormen, die werkelijk zorg dragen voor degenen met wie zij studeren”.
Met Debbie gedeelde vreugden
Direct nadat ik met Debbie in contact gekomen was, wilde ik dat zij zich bij mij op haar gemak zou voelen. Ik zei tegen haar: „Ik wil dat je je vrij voelt tegenover mij. Aarzel niet om wat je maar wilt te vragen.” Tot mijn grote vermaak, en ook tot mijn vreugde, reageerde zij onmiddellijk: „Kunnen wij pizza gaan eten?” Zij vindt het heerlijk om in restaurants te eten en als het geen pizza is dan zijn het hamburgers en patates frites. Zij heeft mij gevraagd met haar te gaan zwemmen. Zij heeft een grappig maniertje om dingen te vragen. In plaats van direct voor de draad te komen en iets te vragen zegt zij gewoonlijk: „Wat doet u zaterdagmorgen? ’s Middags? Zaterdagavond? Zondagmiddag?” Zij gaat wel eens naar een dansavondje. Zij heeft dan een vibrator om haar arm die de trillingen overbrengt en zo geniet zij van muziek.
Nog een vreugde die wij samen delen is anderen over Jehovah’s koninkrijk te vertellen. Nadat wij enkele maanden de bijbel bestudeerd hadden, wilde zij mij van deur tot deur vergezellen om getuigenis te geven. Ik stelde een korte getuigenisboodschap voor haar op schrift om aan de huisbewoner te overhandigen. Hierin staat dat zij niet kan zien of horen, maar het fijn zou vinden wanneer de huisbewoner aandacht zou hebben voor de volgende schriftplaats — daarop lees ik de tekst en volgt er een gesprek. Debbie ziet de noodzaak ervan in deze kennis met anderen te delen, en wil haar deel bijdragen. Nadat zij de eerste keer met mij van deur tot deur gegaan was zei zij: „Wanneer kan ik een bijbelstudie bij iemand leiden? Ik wil mensen in de bijbel onderwijzen.” Door Debbie en haar sociale werker is iedereen in het Helen Keller Nationaal Centrum op de hoogte van het werk van Jehovah’s Getuigen.
Toen mijn man en ik haar meenamen naar het internationale hoofdbureau van het Wachttorengenootschap, vond zij het interessant om dingen aan te raken. Wij hadden altijd geprobeerd haar ertoe te bewegen voorwerpen aan te raken in de mening dat zij hierdoor geholpen zou worden ze beter te leren kennen. Maar vreemd genoeg is zij daar afkerig van. Toen wij echter in de drukkerij werden rondgeleid wilde zij alles aanraken — papier, boekbinderslinnen, lijm, machinerieën. Onder nauwlettend toezicht voelde zij zelfs de trillingen van de grote rotatiepersen terwijl deze duizenden boeken en tijdschriften produceerden.
De grootste vreugde die wij met Debbie hebben gedeeld, beleefden wij in 1978 op het internationale „Zegevierend geloof”-congres dat in het Shea Stadion te New York werd gehouden. Daar, voor 55.000 bezoekers symboliseerde Debbie, met 486 anderen, haar opdracht aan Jehovah God door middel van onderdompeling in water! Dit gebeuren werd ’s avonds tijdens het televisiejournaal uitgezonden.
De grootste vreugde die in het verschiet ligt
Debbie kijkt vol verlangen uit naar de tijd dat zij op Jehovah’s paradijsaarde zal horen en zien zoals andere mensen. Stelt u zich eens voor hoe ontroerd zij zal zijn als zij voor het eerst haar ogen opent en bergen, bossen, stromende rivieren en woelige oceanen, bloemen en vogels en gracieuze dieren, mannen en vrouwen — en zichzelf ziet! Ik hoop dat ik het voorrecht heb daarbij te mogen zijn om dat te beleven, te zien hoe verbaasd en verwonderd zij zal zijn bij het horen van het lied van een zangvogel, het geruis van de wind, het gegons van insekten, het gebulder van een waterval, en menselijke stemmen — ook die van haarzelf. Wij hebben de neiging om dit alles als vanzelfsprekend te beschouwen. Debbie Curry zal dit niet zo ervaren. Hebben wij ten volle waardering voor onze ogen en oren? Debbie Curry zal dit beslist hebben.
Bij tijd en wijle vergt het veel van iemand om uren met Debbie bezig te zijn, maar het is de inspanning alleszins waard als zij zegt: „Gisteravond heb ik Jehovah om sterkte gebeden”, of wanneer zij glimlacht en er een rilling door haar heengaat omdat zij blij is over een of andere kleinigheid, of wanneer zij midden onder de bijbelstudie ophoudt, mij tegen zich aandrukt en zegt: „Ik houd zo van mijn bijbelstudie.” In al mijn 40 jaar als Getuige, is dit werkelijk mijn mooiste voorrecht op het gebied van geven geweest!