Genetische manipulatie — Zal het mensenras erdoor verbeteren?
ER WORDT heel wat ophef gemaakt van nieuwe ontdekkingen op het gebied van de genetica. Sinds de ontwikkeling van krachtige microscopen de mens in staat stelt dieper door te dringen in de wereld van de kleinste eenheid van leven, de cel, en daar tot dusver onbekende structuren te zien, hebben sommige onderzoekers en journalisten het denkbeeld geopperd dat de mens wellicht de gehele genetische code, ja, het „geheim van het leven”, zal ontdekken. Zij breiden hun bespiegelingen nog verder uit en voorspellen zelfs dat zij door genetische manipulatie erfelijke ziekten en gebreken zullen kunnen genezen en misschien een ras zullen kunnen voortbrengen dat naar lichaam en verstand superieur is aan het huidige mensenras.
Bij de heel eenvoudige levensvormen heeft men inderdaad op het gebied van genetische beïnvloeding het een en ander kunnen doen. Maar geleerden geven bijna eenstemmig toe dat zij nog lang niet zo ver zijn dat zij aan de genen van de menselijke cel kunnen sleutelen om zo gebreken te corrigeren. Laten wij eens een paar dingen onderzoeken die men heeft gedaan.
Kloneren
Het woord „kloon” wordt gebruikt voor een groep organismen die zonder seksuele vereniging is voortgebracht uit één enkele voorouder. In de natuur worden klonen aangetroffen bij organismen die in staat zijn tot ongeslachtelijke voortplanting, dat wil zeggen bij bepaalde planten en bacteriën. Het nageslacht erft alle genen van één ouder. Alle individuen in een kloon zijn daarom genetisch gelijk. Kunstmatig heeft men dergelijke volkomen gelijke nakomelingen weten te verkrijgen uit dieren die zich geslachtelijk voortplanten, zoals zeeëgels, salamanders en kikkers. Bij deze klonering wordt een eicel ontkernd, dat wil zeggen, de kern wordt verwijderd en vervangen door een kern die afkomstig is uit een lichaamscel van een dier van dezelfde soort. Maar dit wegnemen van een kern uit een lichaamscel van een dier, en het transplanteren daarvan in het ei van een ander dier, moet als het niet om de heel eenvoudige levensvormen gaat, steeds in een zeer vroeg stadium plaatsvinden. Dit is zo omdat maar even later, nog steeds in een vroeg stadium van de ontwikkeling van een embryo, de cellen zich gaan differentiëren of specialiseren en niet meer geschikt zijn voor het kloneren van een volslagen nieuw individu. Waarom? Omdat, hoewel iedere lichaamscel het volledige aantal chromosomen heeft, de gedifferentieerde cel niet in andere delen van het lichaam kan functioneren. De genetische code van zijn chromosomen functioneert alleen ten behoeve van dat deel van het lichaam waarvoor de cel is gespecialiseerd. Wanneer een dergelijke kern in het kernloze ei geplaatst wordt, zal de poging tot kloneren mislukken. M. W. Strickberger, verbonden aan de Saint Louis University, zegt in zijn boek Genetics over kloneren het volgende:
„De cellen van vroege zeeëgel-embryo’s bijvoorbeeld, kunnen van elkaar gescheiden worden in het twee- en viercellig stadium en zich toch nog ontwikkelen tot volledige embryo’s. Bij salamanders toonde Spemann aan dat één enkele cel uit het embryonale, 16-cellige stadium een volledig embryo kon voortbrengen. Recentere experimenten door Briggs en King hebben getoond dat sommige kernen uit het blastula- of gastrula-stadium [zeer vroege ontwikkelingsfasen] van kikkerembryo’s (Rana pipiens) bij inplanting in een kernloos ei nog het vermogen bezitten om een volledig embryo voort te brengen. Bij Xenopus laevis, de Afrikaanse klauwkikker, zo heeft Gurdon laten zien, kan ten minste 20 percent van de ingewandscellen van vrij zwemmende kikkervisjes worden getransplanteerd en functionele spier- en zenuwcellen voortbrengen. Bovendien kunnen sommige van deze ingewandscellen zelfs een volledig levensvatbaar embryo voortbrengen. Bij planten ontdekte Steward dat afzonderlijke cellen van de wortel van de peen er met de juiste voeding toe kunnen worden gebracht te differentiëren tot volledige planten. Bij de Drosophila [het fruitvliegje] heeft Hadorn aangetoond dat embryonale delen bij de larve die zich bijvoorbeeld normaliter tot weefsel van voortplantingsorganen zouden ontwikkelen, zich na vele opvolgende transplantaties ook tot ander weefsel ontwikkelen, waaronder delen van de kop, het borststuk, de poten en vleugels.”
Merk op dat Strickberger zegt dat het voor het welslagen van het kloneren noodzakelijk is dat er kernen worden genomen van een zeeëgel die nog pas in het twee- of viercellig stadium is, en van een salamander-embryo dat uit slechts 16 cellen bestaat — dus nog heel erg klein is. De kern moet afkomstig zijn van het blastula- of gastrula-stadium van kikkerembryo’s (in deze fase is nog geen gelijkenis of vorm van het dier te herkennen). Er moeten cellen uit deze snel op de bevruchting volgende stadia worden gebruikt, om dat als een cel zich differentieert en in een bepaald deel van het lichaam zijn gespecialiseerde werk begint te doen, deze cel niet meer te gebruiken is zoals dat met de jongere cellen nog het geval is, omdat ze niet meer plooibaar genoeg is om alle delen van het individu, in dit geval een kikker, te produceren. Bij één kikkersoort, de Xenopus laevis, zal een heel klein percentage ingewandscellen van kikkervisjes misschien een volledig embryo produceren dat in leven zal blijven. (Een kikkervisje is een vroege, nog niet volgroeide vorm van een kikker.) In het geval van de Drosophila, het azijnvliegje of „fruitvliegje”, ontwikkelt embryonaal weefsel van de voortplantingsorganen in het larvale stadium (een vroege wormachtige fase) zich alleen tot andere weefsels waarmee het door successievelijke transplantaties in contact is gebracht, doch niet tot volledige embryo’s.
Wat het kloneren van mensen betreft, biologen maken er geen aanspraak op dat zij dit kunnen, of dat zij zelfs maar enige vooruitgang in deze richting hebben geboekt. Enkele personen die niet goed zijn ingelicht, hebben, kennelijk uit sensatie, voorgeschilderd hoe er onder leiding van genetische ’ingenieurs’ gekloneerde bevolkingsgroepen zullen ontstaan bij wie slechts de meest wenselijke persoonlijke eigenschappen voorkomen. Sommigen hebben getheoretiseerd dat personen als Einstein — geestelijke reuzen — of geweldige sportmensen — door kloneren gedupliceerd zouden kunnen worden. Maar merk op dat zelfs bij lage levensvormen als de zeeëgel en de salamander, cellen van het blastula- of gastrula-stadium — zeer vroege embryonale fasen — genomen moeten worden om met succes te kunnen kloneren. Wie zou in de blastula- of gastrula-fase van de vorming van een kind kunnen zien of het de intelligentie van een Einstein zal hebben? In die vroege periode van de groei bestaat er nog niet eens een gelijkenis met de vorm van een mens en het is dan onmogelijk om te weten of het individu gezond en intelligent zal zijn, of misvormd, imbeciel en inferieur.
De controverse met betrekking tot genetische manipulaties
Er is een hevige controverse geweest over „genetisch gesleutel”. Sommigen zijn er voorstanders van en zeggen dat geleerden mettertijd in staat zullen zijn om uit de cel bepaalde delen van het chromosoom waarop zich gebrekkige genen bevinden, weg te halen en die dan te vervangen en zo de cel te „repareren”. Dit zou verhinderen, zo hopen zij, dat ouders erfelijke ziekten aan hun kinderen overdragen. In het huidige stadium van deze nieuwe experimentele techniek is een dergelijke manipulatie van de menselijke cel totaal onmogelijk. Waarom?
Biologen weten bijzonder weinig over de vraag welk chromosoom, en vooral welk gen (of wellicht meerdere genen) in een cel betrokken is bij de vorming van een bepaalde eigenschap. Bovendien is de menselijke cel oneindig veel ingewikkelder dan cellen van kikkers, en geleerden zijn op het moment niet in staat tot een dergelijk geëxperimenteer met de menselijke cel omdat er alle kans is dat zij de cel zullen doden. Dit is ongetwijfeld een „veiligheidsfactor” die door de Schepper is ingebouwd zodat wanneer een cel en zelfs een chromosoom ernstig is beschadigd, de cel sterft. Een dergelijke „veiligheidsfactor” verhindert de verdere ontwikkeling van het embryo en de geboorte. Anders zouden veel meer baby’s geboren worden die ernstig misvormd zijn of geestelijk niet volwaardig zijn.
Momenteel richten de pogingen tot genetische manipulatie zich hoofdzakelijk op het produceren van bepaalde noodzakelijke stoffen als insuline en het opsporen van erfelijke ziekten in de menselijke foetus, Veel van dit werk is toegespitst op het experimenteren met bacteriën. Maar zelfs hierover bestaat grote bezorgdheid. Omdat men nog maar zo weinig weet van de organismen waarmee men werkt, zijn wetenschapsmensen, regeringsambtenaren voor volksgezondheid en andere bezorgde personen zwaar aan het discussiëren geweest over de beperkingen die aan pogingen tot genetische manipulatie zouden moeten worden gesteld, vooral wanneer het gaat om het veranderen van bacteriën.
Een ander aspect van genetische beïnvloeding is de radioactieve behandeling van insekten. De New York Times van 17 mei 1978 berichtte op bladzijde A16 over de inspanningen van geleerden van de universiteit van Californië te Berkeley, die muskieten bestralen met een niet-dodelijke dosis van kobalt 60, met de bedoeling genetisch materiaal los te breken en naar een andere plaats te verhuizen. Het doel is een stam muskieten voort te brengen die immuun zijn voor een bepaald virus dat hersenvliesontsteking (encephalitis) veroorzaakt. Zij zijn van plan hele kolonies van muskieten met een dergelijke immuniteit los te laten in de hoop dat „wanneer zij zich kruisen met de normale muskietenpopulatie in dat gebied, de encephalitis-vrije erfelijke eigenschap doorgegeven zal worden aan voldoende nageslacht om de hele muskietenpopulatie als drager van die ziekte uit te schakelen”. Een andere techniek voor het bestrijden van ziekten is het loslaten van onvruchtbare muskieten. Als genoeg vrouwtjes paren met onvruchtbare mannetjes, zal de totale populatie in aantal afnemen waardoor het gevaar van besmetten van mensen minder wordt.
Sprekend over het effect van dergelijke inspanningen, bracht Dr. William C. Reeves, een van de onderzoekers die aan dit project deelneemt, twijfel tot uitdrukking: „Soms is zelfs bij goed ontwikkelde en effectieve methoden het geluk ons niet gunstig gezind. Er worden misschien honderdduizenden muskieten losgelaten nadat er drie jaar nodig zijn geweest om ze te kweken, en dan worden ze binnen korte tijd gedood door een harde wind of te grote hitte, voordat ze kunnen paren.”
Dr. Reeves vervolgde: „In het laboratorium en in proeftenten bereikten wij goede resultaten, maar het is niet altijd zeker dat iets dergelijks ook in de natuurlijke omgeving zal werken.”
Een betere hoop
Genetische manipulatie biedt dus misschien degenen die nu leven een flauwe hoop erdoor te worden geholpen, en verder een zeer twijfelachtige hoop, zo dat al het geval is, voor de toekomst. Dergelijke schrale vooruitzichten kunnen beslist niet tippen aan de hoop van een beter, niet eindigend leven dat de Schepper mensen die hem liefhebben aanbiedt. Een van de apostelen van Jezus Christus, Simon Petrus, schreef: „Er zijn nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, die wij overeenkomstig zijn belofte verwachten, en daarin zal rechtvaardigheid wonen.” — 2 Petr. 3:13.
De apostel Johannes maakte eveneens deze hoop bekend. In het laatste boek van de bijbel — de Openbaring of Apocalypse — tekende hij een visioen op dat hem door Jezus Christus was gegeven. Johannes schrijft: „Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde . . . Toen hoorde ik een luide stem, afkomstig van de troon, zeggen: ’Zie! De tent van God is bij de mensen, en hij zal bij hen verblijven’ en zij zullen zijn volken zijn. En God zelf zal bij hen zijn. En hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan.” — Openb. 21:1-4.
De Schepper die exact de werking van de genen en alle andere componenten van de cel en van het menselijke lichaam kent, en wie de belangen van de mensheid ter harte gaan, onthult ons op deze wijze welke hoop er werkelijk bestaat, niet alleen voor degenen die nog geboren zullen worden, maar ook voor de nu levenden. En hij belooft diegenen te helpen aan wie geen enkele geleerde, zelfs niet in zijn meest fantastische dromen, iets durft te beloven, namelijk degenen die zijn gestorven. Want Jezus Christus zelf zei: „Verwondert u hierover niet, want het uur komt waarin allen die in de herinneringsgraven zijn, zijn stem zullen horen en te voorschijn zullen komen.” — Joh. 5:28, 29.
Het vraagstuk van het verouderen
Het uitbannen van de dood betekent ook het einde van het verouderen. Geleerden weten niet wat nu precies het ouder worden veroorzaakt. Als zij zien op welke wijze cellen zich delen, staan zij voor een raadsel. Leonard Hayflick, microbioloog aan het Bruce Lyon Memorial Research Laboratory in Oakland in de Amerikaanse staat Californië schrijft dat bepaalde experimenten erop schijnen te duiden dat in alle dierlijke cellen een „ingebouwd” verouderings- en afstervingsproces aanwezig is. Gewone menselijke embryonale cellen die in een reageerbuis in een laboratorium werden gekweekt, bleken na ongeveer 50 verdubbelingen van de populatie (teweeggebracht door delingen van de individuele cellen) zich niet meer verder te delen. Kankercellen die niet het normale patroon volgen, bleven zich wel delen. Tijdens de populatieverdubbelingen gingen de normale cellen ook iets achteruit zodat in werkelijkheid het individu heel goed kan verouderen en sterven voordat de 50 verdubbelingen voltooid zijn. Dit is in overeenstemming met de bijbelse uitleg dat wij onvolmaaktheid hebben geërfd van de voorvader van de mensheid, Adam. — Rom. 5:12.
Ook hebben andere onderzoekingen aanwijzingen opgeleverd dat alle zoogdieren in hun levensduur een bepaald patroon schijnen te volgen. De levensduur schijnt in grote trekken recht evenredig te zijn met de lichaamsgrootte en omgekeerd evenredig met de hartslag- en ademhalingsfrequentie. De kleine spitsmuis bijvoorbeeld leeft een „snel” maar kort leventje, met een hoge stofwisselingssnelheid waarvoor grote hoeveelheden voedsel vereist zijn, en met een snelle hartslag en ademhaling. In het „kalmere” leven van de olifant verlopen deze processen langzamer en duurt het leven veel langer. Maar paradoxaal genoeg gehoorzaamt het menselijke lichaam niet aan dit patroon. Mensen leven langer dan „zou moeten”, te oordelen naar dit patroon. Stephen Jay Gould van de Harvard University (V.S.) merkt op: „Homo sapiens is een duidelijk afwijkend zoogdier in meer aspecten dan alleen zijn hersenen. Wij leven ongeveer driemaal zo lang als zoogdieren van onze lichaamsgrootte ’zouden moeten’ leven, maar wij ademen met de ’juiste’ snelheid en daarom ademen wij in ons leven ongeveer driemaal zo veel als het gemiddelde zoogdier van onze grootte van lichaam.”
Ook deze schijnbare onregelmatigheid wordt door de bijbel verklaard, want dat boek laat zien dat de dieren werden geschapen met een beperkte levensduur. Dat was echter niet met de mens het geval. Het bijbelverslag onthult dat vroeg in de geschiedenis van het mensenras, toen het nog niet ver van de ingeschapen volmaaktheid afstond, mensen 700 tot 900 jaar leefden. — Gen. 5:3-31.
Als iemand geloof stelt in zijn eigen zintuigen die hem vertellen dat er een Schepper is die de sterrenstelsels met hun verbazingwekkende orde tot bestaan heeft gebracht, die de aarde heeft gemaakt met haar menigvuldige levensvormen, die alle van elkaar afhankelijk zijn, dan is het niet moeilijk in te zien hoe een dergelijke Schepper het leven van mensen voor eeuwig kan onderhouden. Hij belooft de mensheid tot volmaakt leven te herstellen door Christus’ Koninkrijksregering. Als Schepper is hij uiteraard in staat iedere molecule en iedere stap van de activiteiten van de cel te kennen en te beheersen. Wanneer wij bedenken welke astronomische hoeveelheid energie er in het universum aanwezig is, beseffen wij dat er geen probleem bestaat voor Degene in wie onbegrensde energie huist, om welke genetische onregelmatigheden maar ook te genezen, en energie te verschaffen om de menselijke levenscyclus voor eeuwig voort te zetten, en zo het verouderen en sterven te beëindigen, want de psalmist zei in gebed tot hem: „Bij u is de bron van het leven.” — Ps. 36:9.