Is uw levenswijze op de dood georiënteerd?
DE MENS wil graag leven. Toch hoort de dood onverbrekelijk bij het huidige menselijke bestaan. Dit simpele feit heeft een diepe invloed op de wijze waarop mensen leven en de manier waarop zij het leven op zich bezien.
Zelfs zij die zeggen totaal geen godsdienstige instelling te bezitten, proberen vaak binnen hun korte levensduur zo veel mogelijk belevenissen samen te persen als zij maar kunnen. Zij leven onder de schaduw van de dood. Veel godsdienstig georiënteerde personen geloven dat de mens een onsterfelijke ziel bezit en hopen dat de dood hun een gelegenheid zal bieden te ontsnappen aan het fysieke bestaan en over te gaan naar een geestenwereld. Dit is de reden waarom zo veel beschavingen op de dood georiënteerd zijn en bepaalde gebruiken kennen om de doden te eren wier ziel naar men meent, deel heeft aan een bewust bestaan in een geestenwereld. De hoop echter die de bijbel in het vooruitzicht stelt, is niet gebaseerd op de gedachte dat de ziel na de dood voortbestaat.
Wat de bijbel leert
De bijbel identificeert de levende mens als een „levende ziel”, bestaande uit het lichaam en de „levensadem” (Gen. 2:7). De bijbel spreekt ook over een geest in zowel dieren als mensen (Ps. 104:25-30; Pred. 3:19, 20). Deze geest is de in iedere cel van het lichaam aanwezige levenskracht, die wordt onderhouden door de zuurstofrijke lucht en het voedsel, welke beide door God zijn verschaft. Toen God het eerste mensenpaar maakte, voorzag hij in alle omstandigheden die het voor hen en hun nageslacht mogelijk moesten maken om voor eeuwig te blijven leven als zij gehoorzaam bleven aan hun Schepper. Ongehoorzaamheid zou de dood teweegbrengen. — Gen. 2:8, 9, 15-17.
De dood is het tegenovergestelde van leven als een levende ziel. Daarom zei God tot Adam, nadat hij door ongehoorzaamheid gezondigd had: „Omdat gij naar de stem van uw vrouw hebt geluisterd en van de boom zijt gaan eten . . . Met smart zult gij . . . eten al de dagen van uw leven . . . totdat gij tot de aardbodem terugkeert, . . . Want stof zijt gij en tot stof zult gij terugkeren.” Omdat de mens niet voldeed aan Gods vereisten voor het leven, eindigden de dagen van zijn leven en keerde hij terug tot het stof waaruit hij genomen was. Hij stierf. — Gen. 3:17-19.
In de hele bijbel vinden wij consequent deze visie op de dood. Over de uitwerking van de vloed in Noachs dagen zegt het verslag: „Alle vlees . . . dat zich op de aarde bewoog, blies de laatste adem uit, . . . alle mensen. Alles waarin de adem van de levenskracht werkzaam was . . . stierf” (Gen. 7:21, 22). ’Acht zielen werden veilig door het water heengevoerd’ (1 Petr. 3:20). De christelijke schrijver van het boek Romeinen bevestigt dat ’het loon dat de zonde betaalt, de dood is’ (Rom. 6:23). Hij stemde in met de bijbelse verklaring dat „de ziel die zondigt, díe zal sterven”, en dat de ziel bij de dood ophoudt een bewust bestaan te hebben: „Op die dag vergaan zijn gedachten.” — Ezech. 18:20; Ps. 146:4.
Praktijken die gebaseerd zijn op misleiding
De bijbel leert echter dat er een geestenrijk bestaat. „God is een Geest” (Joh. 4:24). Hij schiep andere geesten lang voordat de mens of de dieren werden gemaakt (Job 38:4, 7). Enkelen van dezen, met inbegrip van degene die nu als Satan bekendstaat, kwamen tegen God in opstand en zijn buitengesloten van verlichting in Gods gezin van getrouwe engelen (Gen. 3:1-15; 6:1-7; 1 Petr. 3:19, 20; Jud. 6). Zij zijn bedriegers geworden, eropuit om mensen ervan te overtuigen dat de mens na de dood als geest voortbestaat (Openb. 12:9). Zij zijn degenen die zich voor de doden uitgeven en manifestaties teweegbrengen die mensen doen geloven dat zij contact kunnen hebben met de geesten van de doden. Dat is de reden waarom in alle delen van de wereld wel een of andere vorm van aanbidding van de doden wordt beoefend. — Jes. 8:19.
In veel streken van Nigeria gelooft men bijvoorbeeld dat de ziel na de dood in een sluimerende toestand geraakt, waarin ze blijft totdat er een eerste en een tweede begrafenisplechtigheid hebben plaatsgehad. De eerste plechtigheid is het begraven van het lichaam van de gestorvene. De tweede, een soort van herdenkingsdienst, is een geestelijke begrafenis die de ziel moet vrijmaken uit de sfeer van de doden en haar in staat moet stellen volledig het geestenrijk binnen te gaan. Om die reden zijn de herdenkingsdiensten die een week na de begrafenis in de kerken worden gehouden, voor veel Nigerianen dan ook gelijkwaardig aan een tweede begrafenis.
Andere gewoonten zoals het „waken” bij de dode hebben zich ontwikkeld als een poging om te verhinderen dat boze geesten zich met het lijk bemoeien of dat de geest van de overledene weer in deze wereld terugkeert. Deze gewoonten brengen vaak ingewikkelde en dure ceremoniën met zich mee die erop zijn gericht in het openbaar te tonen dat de dode hoog wordt geëerd. Ook hoopt men daarmee zijn gunst te winnen.
Onlangs is een Nigeriaanse begrafenisplechtigheid op de televisie uitgezonden, waarbij beelden te zien waren van kostbaar geklede rouwklagers die weenden bij het graf. Sommigen probeerden zich zelfs in het graf te werpen. Zodra de begrafenis van de gestorven man voltooid was, volgde een groots opgezette viering met veel eten, drinken en pretmakerij. Sommigen schatten dat deze begrafenis ongeveer N5000 [ƒ 17.200] heeft gekost. In de meeste delen van Nigeria is het rouwen en vervolgens feestvieren bij de begrafenis van iemand die een hoge leeftijd heeft bereikt, een uiting van het geloof dat hij zijn leven als een mens met succes voltooid heeft en gereed is het geestenbestaan binnen te gaan.
De eer die men de doden betoont, wordt verder geïllustreerd in een brief die iemand naar een Nigeriaanse krant schreef. De schrijver vertelde over een vriend die geen tijd kon vrijmaken om zijn zieke vader te bezoeken en slechts N20 [ƒ 70] kon sturen om medische verzorging te bekostigen. Maar toen de oude man een maand later stierf, kon die zelfde zoon wel vrijaf krijgen van zijn werk, en leende hij meer dan N580 [ƒ 2000] „om de kosten van de begrafenisceremonie te bestrijden”. Verdere onkosten werden nog door andere verwanten gedragen. De briefschrijver maakte de opmerking: „Toen de man ziek was, kreeg hij slechts N20 en moest hij verder maar voor zichzelf zorgen, maar toen hij stierf, werden zijn stoffelijke resten — het nutteloze levenloze lichaam — met veel vreugde weggebracht . . . voor een bedrag van maar liefst N2000 [ƒ 6900].”
In veel gevallen scheren de nauwe verwanten van de overledene hun haar, knippen hun nagels, brengen tekens of insnijdingen op hun lichaam aan en dragen speciale kralen of kleine zakjes met zaden of brouwseltjes. Dit alles vormt een speciaal beschermende „medicijn” tegen de geest van de gestorvene. Dergelijke dingen werden niet beoefend door aanbidders van Jehovah en worden in de bijbel veroordeeld. — Lev. 19:28.
Natuurlijk droefheid te voelen bij de dood van een geliefde
Het is voor mensen iets natuurlijks smart en droefheid te voelen over het verlies van een geliefde. Gods dienstknechten hebben uiting gegeven aan een dergelijke droefheid en hebben hun smart getoond door wenen en het dragen van stemmige kleding (Gen. 23:2; Deut. 34:8; Joh. 11:33, 35, 38). Ook vanwege bedroefdheid om nog andere rampen dan een sterfgeval kleedde men zich in voorchristelijke tijden in zakken en kende men soms voorgeschreven rouwperiodes (2 Sam. 14:2; Esth. 4:1). Rouwen hield geen verband met het gunstig stemmen van de doden. Het was een uiterlijk teken van de droefheid die was veroorzaakt door een tragedie die iemands persoonlijke leven of de gemeenschap als geheel had getroffen.
Evenzo geven christelijke aanbidders van Jehovah zich niet over aan buitensporig rouwen, en de bijbel toont aan waarom niet: ’Wij willen niet dat gij onwetend zijt betreffende hen die in de dood slapen, opdat gij niet treurt gelijk de overigen, die geen hoop hebben’ (1 Thess. 4:13). Christenen bezien hun doden als personen die onbewust ’slapen’, in de hoop op een opstanding, zonder dat rituele handelingen hen gunstig hoeven te stemmen of met God hoeven te verzoenen. — Joh. 11:11-14.
De hoop op de opstanding is gebaseerd op de voorziening die God heeft getroffen om de uitwerking van zonde teniet te doen en het doodsoordeel weg te nemen. Liefdevol heeft hij door de dood van Jezus Christus een losprijs voor de mensheid verschaft. Dit heeft voor God de weg geopend om in de toekomst de doden op te wekken en hun de gelegenheid te bieden opnieuw te leven, met het vooruitzicht op eeuwig leven. — Joh. 3:16; Matth. 20:28; Joh. 11:24-26.
Houd begrafenisregelingen binnen schriftuurlijke grenzen
Christenen moeten het daarom vermijden besmet te raken met de onjuiste gewoonten van de mensen om hen heen. Zij moeten alle praktijken mijden die gebaseerd zijn op de gedachte dat de ziel overgaat in een geestenwereld. Ingewikkelde begrafenisrituelen zijn niet nodig. Gewoonlijk gaat men ertoe over het lichaam in de grond te begraven. Er komen ook andere methoden van lijkbezorging voor, zoals crematie of een graf in zee. Als het lichaam voor de begrafenis wordt gewassen uit oogpunt van reinheid, mag er geen verband worden gelegd met het onschriftuurlijke ritueel de gestorvene voor het leven ’in de volgende wereld’ gereed te maken. — Hand. 9:37.
De wijze koning Salomo gaf de raad: „Het is beter te gaan naar het huis van rouw dan te gaan naar het huis van feestgelag, want dat is het einde van de gehele mensheid; en de levende dient het ter harte te nemen” (Pred. 7:2). Deze raad maakt twee dingen in verband met begrafenissen duidelijk. Ten eerste is een feestgelag of een opzichtig vertoon niet passend in verband met het rouwen om de doden. Ten tweede is het juist uit medeleven degenen die een verlies hebben geleden, te bezoeken en te troosten.
Bij het afleggen van dergelijke bezoeken, dienen degenen die niet van ver zijn gekomen als zij de familie komen condoleren, de fijngevoeligheid te bezitten hun bezoek kort te houden en de familie niet te verplichten hen van voedsel te voorzien. De familie zou indien ze dit wenst, dergelijke voorzieningen kunnen treffen voor personen die van ver komen. Hiermee zou men gastvrijheid betonen. Aan de andere kant zullen alle bezoekers de fijngevoeligheid willen tonen niet zelfzuchtig zo te handelen dat zij de familie nog meer op kosten jagen terwijl de begrafenis al onkosten genoeg met zich brengt. In plaats daarvan zouden zij de familie heel passend kunnen aanbieden om te helpen door huishoudelijke taken over te nemen of boodschappen te doen.
Wat begrafenissen betreft die onder Jehovah’s Getuigen worden gehouden, kan er op iedere geschikte plaats een dienst worden gehouden, in een rouwkamer, de Koninkrijkszaal, het huis van een familielid of zelfs op het kerkhof. De familie kan aan een algemeen gerespecteerd mannelijk gemeentelid vragen de dienst te leiden. Er wordt dan een eenvoudige, op de bijbel gebaseerde lezing gehouden waarin de schriftuurlijke uitleg wordt gegeven van de dood en van Gods voornemen de doden door een opstanding in het leven terug te roepen. Na deze dienst wordt het lichaam zonder ritueel begraven.
De bijbel laat zien dat aanbidders van Jehovah het lichaam ook wel in een stoet naar de plaats van de begrafenis droegen. Het was tijdens zo’n begrafenisstoet dat Jezus een jonge man opwekte (Luk. 7:12-16). Men dient op te merken dat dit in verband stond met het wegdragen van het lichaam om begraven te worden. Het was geen rituele tocht om de stad. Ja, eenvoud is het opvallendste kenmerk van christelijke begrafenissen. De beschrijvingen van de begrafenis van Jezus en van voorchristelijke aanbidders van God tonen aan dat men zich slechts op een eenvoudige en fatsoenlijke wijze van het lichaam ontdeed (Matth. 27:59, 60; Gen. 25:9, 10; 49:29-32). Een dergelijke eenvoud stemt overeen met de eenvoudige waarheid dat de doden ’zich van helemaal niets bewust zijn . . . Ook hun liefde en hun haat en hun jaloezie zijn reeds vergaan’ (Pred. 9:5, 6). Bovendien zouden christenen bij het leiden van begrafenissen niet willen samengaan met religies die onjuiste geloofsovertuigingen betreffende de doden hebben. — 2 Kor. 6:14-17.
Na de begrafenis kan er niets meer voor de doden worden gedaan. Prediker 9:5, 10 vertelt ons: „. . . ook hebben zij geen loon meer, . . . er is geen werk noch overleg noch kennis” in het graf waarheen de doden gaan. De doden kunnen dus niets doen om hun eigen situatie te veranderen, noch kunnen zij zich bemoeien met de levenden. Dit betekent ook dat de levenden niets voor de doden tot stand kunnen brengen. Dus „tweede begrafenissen”, dodenwacht, herdenkingsdiensten die het karakter dragen van het vereren of gunstig stemmen van de dode, offers en gaven, speciale gebeden voor de zielerust — „R.I.P.” — gebaseerd op het geloof in het bewuste bestaan van de ziel in het vagevuur of elders, hebben geen nut en zijn gebaseerd op onjuiste gedachten. — Ps. 49:6-9.
In plaats van een dienst die aan de begrafenis voorafgaat, kan ook heel goed op een geschikt moment kort na de begrafenis een herdenkingsdienst gehouden worden. Een dergelijke dienst zou niet ten doel hebben de dode tot voordeel te strekken, en zou ook niet zijn ingegeven door vrees voor hem. Het zou een gelegenheid bieden om troost te verschaffen aan de achterblijvende verwanten en intieme kennissen in hun bedroefdheid, aangezien het tijd kost om droefheid en een gevoel van verlies te boven te komen. Dit feit geeft bovendien te kennen dat het voor christenen niet gerechtvaardigd is jaarlijks of met andere regelmatige tussenpozen herdenkingsdiensten te houden voor dode ver wanten. De bijbel geeft alleen een machtiging om dit te doen ter nagedachtenis aan Jezus Christus die zichzelf heeft gegeven om bevrijding te verschaffen van het doodsoordeel. — Luk. 22:19; 1 Kor. 11:24, 25.
Hoewel wij de dood moeten accepteren als iets dat deel uitmaakt van de huidige menselijke ervaring, bestaat er geen noodzaak de dood met een ziekelijke angst of overdreven eerbiedigheid te bezien. De hoop op de opstanding zal ons behoeden voor overmatige droefheid. „Want indien ons geloof is dat Jezus gestorven en wederom opgestaan is, zo zal God ook hen die ontslapen zijn door Jezus, met hem brengen” door middel van een opstanding (1 Thess. 4:13, 14; Openb. 21:4). Om deze reden is het leven van christenen niet op de dood georiënteerd. Zij zien vooruit naar de toekomst en koesteren de hoop op leven. Hun leven is erop gericht de levenden te helpen.
[Illustratie op blz. 8]
Dienen de doden meer te worden geëerd dan de levenden?