Overleving op zee!
Het meeslepende verslag van een jong echtpaar dat een van de ergste scheepsrampen in de geschiedenis van de zeevaart overleefde
IK WAS nog maar een meisje van veertien toen op 15 maart 1938 de luxueuze lijnboot Wilhelm Gustloff, door het nazi-regime beschreven als „plezierboot bij uitstek”, haar eerste reis maakte. Ze werd beschouwd als een technisch wonder, absoluut onzinkbaar! Ondanks haar enorme omvang kon ze 1465 passagiers en 426 bemanningsleden snel naar hun plaats van bestemming vervoeren.
Zeven jaar later ging de Tweede Wereldoorlog zijn laatste stadium in. Januari 1945 stortte het Duitse oostfront ineen; en duizenden mensen in Oostpruisen sloegen in allerijl op de vlucht. Maar aangezien alle weg- en spoorverbindingen naar Duits gebied waren afgesneden, bleef alleen nog de zee als ontsnappingsroute over. Alles wat dreef, met inbegrip van de Wilhelm Gustloff, werd gecharterd. In die tijd lag het schip voor anker in Gdynia, Polen (toen Gotenhafen genoemd) en diende als onderkomen voor leden van de Duitse marine. We woonden in Gotenhafen en mijn man, Kurt, was aan boord van het schip gestationeerd.
Vlucht naar veiligheid
De stad was vol vluchtelingen, van wie de meesten volledig waren uitgeput door dagenlang zwoegen door sneeuw, met zware bagage op hun rug. Iedereen scheen van plan te zijn aan boord van de Gustloff te gaan, want ze was goed verwarmd en rijkelijk voorzien van proviand. Ze leek een bepaalde veiligheid te garanderen. Maar de tickets waren schaars en spoedig werden ze op de zwarte markt verkocht. Een zakenman uit mijn geboortestad trachtte tevergeefs mijn man om te kopen om voor hemzelf en zijn gezin tickets te bemachtigen, hoewel ze al passage op een ander schip hadden geboekt. Op de een of andere manier slaagde hij er echter toch in aan boord te komen, zoals hij ons later opgewonden kwam vertellen.
Het schip was meer dan vol, aangezien duizenden vluchtelingen passage hadden weten te boeken. Eerst werden ze nog geregistreerd, maar later gebeurde dit niet meer. Het uiteindelijke aantal mensen dat aan boord was, is dus niet bekend. Sommige schattingen spreken over 6500, maar het werkelijke aantal kan nog wel hoger hebben gelegen. Veel passagiers sliepen in de gangen; en men vroeg ons of we onze hut met meer mensen konden delen. Een moeder met twee kinderen trok bij ons in, en hoewel we hierdoor wel wat krap kwamen te zitten, gaf het ons een prettig gevoel iets gedaan te hebben om de tocht voor anderen zo aangenaam mogelijk te maken.
We stonden die dinsdagmiddag, 30 januari 1945, aan de railing toen het schip om één uur zee koos. Hartverscheurend was de aanblik van een klein oud vrouwtje dat op de pier neerknielde, haar volgepakte koffer naast haar, en luid smeekte: „Kapitein, neem me mee! Alstublieft! Alstublieft!” Maar voor haar was het te laat.
Hoe we de ramp overleefden
Om ongeveer 7 uur die avond opende ik de patrijspoort om wat frisse lucht binnen te laten. Turend in de duisternis buiten, zag ik de woelige golven en voelde de koude zeewind. Er dreven kleine ijsschotsen op het water. Het was 18 graden onder nul.
Dit was mijn eerste reis, en het was angstig te bedenken hoe ver we ons reeds op de Oostzee bevonden. Veel passagiers waren zeeziek; ze stonden in lange rijen voor de toiletten, die reeds naar braaksel roken. Het beloofde een gedenkwaardige nacht te worden. Als ik het allemaal van tevoren geweten had!
Aangezien er gevaar bestond dat Russische onderzeeboten zouden aanvallen, moesten we onze zwemvesten aanhouden, ook onder het eten, en men gaf ons de raad ons ’s nachts niet uit te kleden. Ik kan me nog herinneren hoe onplezierig het was met zwemvest en al naar de eetzaal te moeten. In bed hield ik mijn ondergoed en kousen aan en hing de rest van mijn kleren vlakbij, zodat ik er snel bij kon. Helaas namen veel passagiers de waarschuwing niet zo serieus als ik.
Plotseling werden we om 16 minuten over negen door schokken gewekt. Het schip was door drie torpedo’s getroffen. Nu was het een kwestie van leven of dood. We moesten zo snel mogelijk naar het bovendek! Wat was de dichtstbijzijnde uitgang? Gelukkig wisten we dat precies. Binnen enkele seconden waren de gangen propvol. Honderden personen worstelden om naar boven te komen. Ze vochten voor hun leven. Wij vluchtten met de anderen mee en bekommerden ons niet om onze bezittingen.
Om te beletten dat het schip zou zinken, werden onmiddellijk de schotten van enkele van zijn waterdichte compartimenten gesloten. Dit betekende een gewisse dood voor al degenen die zich daar nog bevonden, want nu waren alle vluchtwegen voor hen afgesneden. Voor hen kwam de dood snel, maar voor anderen heel langzaam. Sommigen waren niet in staat boven te komen omdat ze gewond of versuft ergens in het schip lagen. Anderen — hoeveel weet ik niet — pleegden uit wanhoop zelfmoord.
Ondertussen hadden we het beijzelde dek bereikt; we zagen wel dat het nu sterk hellende schip niet lang meer zou drijven. Naast ons stond een jonge zeeman, die, hoewel bleek van angst, met kalme stem bleef roepen: „Er is geen reden voor paniek. De reddingsboten zullen spoedig hier zijn. Blijf kalm alstublieft.” Ik kan hem nog voor mij zien. Hij deed zijn best om de passagiers op hun gemak te stellen. Hij was werkelijk onzelfzuchtig geïnteresseerd in het redden van levens.
Wat een tegenstelling met de vrouw die maar bleef jammeren: „Mijn koffers! Mijn koffers! Mijn juwelen! Al mijn juwelen zijn nog beneden. Ik heb alles verloren!” Ik herinner me nog dat ik me op dat moment afvroeg of het leven werkelijk minder waardevol was dan juwelen.
Recht voor ons ving ik een glimp op van de zakenman die er alsnog in geslaagd was aan boord van de Gustloff te komen. Hij leunde tegen een sloep en rookte een „laatste sigaret”, tot de sloep onverwacht weggleed en hij met zijn hele gezin met luide kreten langs het hellende dek in het donkere water gleed, dat reeds vol zwemmende lichamen was.
Onze situatie werd snel kritieker. Kurt en ik waren nog maar korte tijd getrouwd, en we waren erg verliefd. We wilden niet sterven!
„Zie je die kleine rubberboot daar?” Kurt wees met zijn hand. „Die moeten we zien te bereiken. Dat kan onze redding zijn.”
Ja, ik zag hem goed, maar ik zag ook het ijskoude water. Hoewel ik warm was gekleed met — lange broek, winterjas en handschoenen — verzette mijn hele wezen zich tegen de gedachte te moeten springen. Ik begon te huilen. Plotseling schoof mijn man me over de railing. Nu was er nog enkel de hellende scheepswand tussen ons en het ijzige water. Wat zou ons beneden wachten? Opnieuw aarzelde ik. Hij rukte me los: „Als we nu niet springen, zijn we verloren!” schreeuwde hij.
Een ogenblik hielden we elkaar heel stevig vast. Hand in hand gleden we als op een glijbaan langs de beijzelde wand van het schip naar beneden en vlogen ten slotte wie weet hoe ver door de lucht. Het ijzige water sneed ons de adem af toen we erin belandden. Maar toen we ten slotte aan de oppervlakte kwamen, waren we nog steeds bij elkaar en de rubberboot was dichtbij!
Onze armen en benen waren al bijna stijf bevroren. Het was verstandig geweest me zo dik aan te kleden, want later vernamen we dat veel slachtoffers in het ijzige water waren doodgevroren. Het enige wat de drie mannen konden doen was ons aan boord hijsen. En daar zaten we — vier mannen en een vrouw op een rubber reddingsbootje in de Oostzee. Wat nu?
Er was precies een uur voorbijgegaan sinds de torpedo’s de boot hadden getroffen. Plotseling gingen door een onverklaarbare oorzaak alle lichten aan boord van de Gustloff aan. Zo, op haar helderst verlicht, alsof ze haar naam „plezierboot” nog eer wilde aandoen, verdween ze in de diepte. Het enige wat nu nog restte, was het koude water, de stormachtige wind, de angstaanjagende duisternis, de hopeloze situatie!
Gered
In het duister van de nacht werden we een schip gewaar. We kregen weer meer hoop. Uit alle macht roeiend brachten de mannen ons steeds dichterbij. We konden het silhouet van het schip nu heel duidelijk zien. Redding was nabij. En toen gebeurde er iets afschuwelijks! Juist op dat moment — toen wisten we echter niet wat de oorzaak was — dwong een onderzeebootwaarschuwing het schip zijn positie te verlaten, ons alleen achterlatend!
Na meer dan een uur in de kleine boot te hebben doorgebracht, dreven we opnieuw naar een boot, een torpedoboot met het kenteken T-36, die was omgeven met reddingsbootjes en zwemmende figuurtjes. Mochten we goede hoop hebben? We dreven steeds dichter bij, maar konden niet om hulp schreeuwen; daar waren we te hees voor. Naarmate onze hoop toenam, groeide ook onze vastbeslotenheid om vol te houden. Spoedig zagen we mensen op de boot rondlopen. Plotseling klonk een mannenstem: „De dame eerst.”
Ze trokken me langs de beijzelde scheepswand naar boven. Ik kon niet lopen, en ik verdween langs een glijbaan in het inwendige van het schip, waar behulpzame handen werden uitgestoken om me van mijn natte en gedeeltelijk bevroren kleren te bevrijden. Men wikkelde mij in warme wollen dekens en legde me in een kooi. Daar kreeg ik iets warms te drinken.
Maar mijn angst was nog niet voorbij. De reddingsactie werd abrupt afgebroken om een mogelijke onderzeebootaanval te ontlopen. Men liet dieptebommen ontploffen. Bij het geluid van elke explosie werd ik half uit mijn kooi geslingerd en ik bad dat ik liever wilde sterven dan opnieuw in dat ijzige water te belanden.
En wat was er van Kurt geworden? Enkele minuten na mijn redding, was de boot omgedraaid en had zich met grote snelheid verwijderd. Was hij opgepikt? Toen een dokter naar me toekwam om te vragen hoe het met me ging, vertelde ik hem dat ik geen hulp nodig had, maar vroeg of hij kon ontdekken of mijn man aan boord was. Hij beloofde op onderzoek uit te gaan. Wat was ik opgelucht enige tijd later over de luidspreker te horen: „Attentie! Boodschap voor mevrouw Habisch. Uw man is veilig en wel in kamer . . .” Het kamernummer ben ik vergeten.
Ik trok de kleren aan die het dichtstbij lagen — mijn eigen spullen hingen in de machinekamer te drogen — en ging naar Kurt. Hij moet wel hooglijk verbaasd zijn geweest zijn vrouw plotseling in het uniform van eerste luitenant voor hem te zien staan! Lange tijd spraken we niet. We zaten enkel maar bij elkaar en hielden elkaar stevig vast. We konden het nauwelijks geloven. We hadden het overleefd!
Opnieuw vaste grond onder de voeten
Volgens schattingen zijn maar 800 tot 900 personen gered. Het schip dat ook ons redde, had 564 overlevenden opgepikt. Wat een opwindend moment toen we te Sassnitz de boot konden verlaten en de vreugde ervoeren weer vaste grond onder onze voeten te hebben!
Er waren vele opmerkelijke gevallen van overleving en hartverwarmende verenigingen. Een gewonde vrouw die zich zorgen maakte over haar verdwenen kinderen, kreeg ze alle vier levend terug. Wij verheugden ons tevens met een moeder en haar zes maanden oude baby, die beiden de hele ramp in uitstekende conditie hadden overleefd. Hoe dankbaar waren we, ook zelf tot de overlevenden te behoren van een van de ergste scheepsrampen in de geschiedenis! We hadden in dat zesde jaar van de wereldoorlog alles van enige materiële waarde verloren — kleren, linnengoed, sieraden en belangrijke papieren, diploma’s en spaarbankboekjes. Maar we leefden! Zo’n vijf- of zesduizend anderen waren niet zo gelukkig geweest. Ik vroeg me af waarom. Waarom? Waarom?
Het antwoord
Weken daarna hoorde ik nog de bloedstollende kreten, het kolkende water en het klagende gehuil van de wind. Het leven moet wel erg waardevol en kostbaar zijn als men het zo moeilijk vindt om te sterven, zo dacht ik.
Hoewel ik in God geloofde en mijn man respect had voor de bijbel, waren we niet echt religieus. Wat me echter bezighield was de vraag: „Hoe kon God zo’n tragedie toelaten?” Ik zocht oprecht naar een antwoord, en er kwam ook een antwoord, hoewel pas tien jaar later.
Door middel van een bijbelstudie met Jehovah’s Getuigen leerde ik dat God dergelijke tragedies ten gevolge van menselijk geweld slechts tijdelijk toelaat. En wel met een reden, zo werd mij uit de bijbel getoond. Maar spoedig zullen onder de heerschappij van Gods koninkrijk zulke hartverscheurende dingen niet meer voorvallen. Een wereldverandering, zo vernam ik, is nabij!
De bijbel leert duidelijk dat de Almachtige God de weg zal banen voor zijn rechtvaardige heerschappij door een eind te maken aan dit corrupte samenstel van dingen. Even plotseling, en voor velen even onverwacht als het zinken van de Gustloff, zal het gehele goddeloze samenstel van deze wereld haar vernietiging tegemoetgaan (Dan. 2:44; 1 Joh. 2:15-17; 2 Petr. 3:7). Ik was echter ook blij te vernemen dat God voldoende voorzieningen heeft getroffen opdat degenen die werkelijk willen, en bereid zijn de noodzakelijke stappen te ondernemen, die vernietiging kunnen overleven om zich te verheugen in het nieuwe samenstel van dingen dat zal volgen. — 2 Petr. 3:13; Openb. 21:3, 4.
Thans, meer dan 30 jaar later, zijn mijn man en ik de mannen niet vergeten, die hebben geholpen om ons te redden. Gedreven door een geest van behulpzaamheid en met risico voor hun eigen leven, hingen zij aan touwen en touwladders boven het water om halfdode lichamen uit de woelige en ijskoude zee te vissen. Hun levenreddende werk heeft talloze mensen van een gewisse dood gered. Hun onzelfzuchtige inspanningen, verricht met een totale inzet, dienen ons thans als een voortreffelijk voorbeeld omdat ook wij, door de prediking van het goede nieuws van Gods koninkrijk, mensen kunnen helpen gered te worden van een zekere dood in de komende wereldcatastrofe. Nu onze drie kinderen zijn opgegroeid, besteden we al onze tijd aan dit belangrijke predikingswerk. Mijn echtgenoot dient nu sinds 1971 als een reizende opziener van Jehovah’s Getuigen.
Zo Jehovah wil, hopen wij leven te verwerven in zijn nieuwe ordening en ook kennis te maken met enkele van onze medepassagiers op de Gustloff, zij die niet tot de overlevenden behoorden. Deze hoop baseren we op de bijbelse belofte in Openbaring 20:13: „En de zee gaf de doden in haar op.” Dan, op die gelukkige dag van de opstanding, hopen we hun het goede nieuws te kunnen vertellen dat Gods koninkrijk regeert en dat zij daaronder zekerheid kunnen genieten en eeuwige redding kunnen verwerven. — Ingezonden.