Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g78 8/8 blz. 21-24
  • Ging mijn kind naar het voorgeborchte?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ging mijn kind naar het voorgeborchte?
  • Ontwaakt! 1978
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Wat is het voorgeborchte?
  • Wat ik over de toestand van de doden leerde
  • Is er niets meer?
  • „Zal Jezus ook degenen opwekken die niet zijn gedoopt?”
  • Waar zijn onze dode geliefden nu?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1988
  • Moeten kinderen gedoopt worden?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2011
  • De waarheid over zonde
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2010
  • Hoop voor de levenden en de doden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1955
Meer weergeven
Ontwaakt! 1978
g78 8/8 blz. 21-24

Ging mijn kind naar het voorgeborchte?

DE BEGRAFENIS was voorbij, maar niet de afschuwelijke schok. Dat sneeuwwitte kistje lag nu begraven onder de verschroeide aarde. Het leek me onwerkelijk toe dat mijn kleine jongetje nog maar een paar weken terug zijn eerste stapjes had gezet, zijn gezichtje stralend van triomf. Maar nu was Andrew dood!

Stelt u zich mijn schrik voor toen ik als zijn moeder, hem levenloos in zijn ledikantje aantrof, zijn diepblauwe ogen nietszeggend omhoogstarend in een ziek gezichtje. De dokter had nog twee ampullen coramine rechtstreeks in zijn hartje gespoten. Maar dat had niet meer mogen baten.

Ja, er kwamen condoleantie-brieven en -telegrammen, maar ik was nauwelijks te troosten. Avond aan avond waren de slaappillen die de dokter me had voorgeschreven, niet in staat mijn vermoeide hersenen de vereiste verlichting te schenken. Ik bleef aan het venster staan, starend in de nacht en zoekend langs de hemel. „Waar is mijn kleine ventje nu?” zo vroeg ik mij af. „Is hij daar ergens in de hemel tussen de sterren?”

Mijn oudste dochter was een korte tijd thuis van kostschool. Geconfronteerd met deze tragedie, waren vrijwel haar eerste woorden: „Andrew is in het voorgeborchte”.

Deze hartverscheurende ervaring vond plaats in het jaar 1956. Maar ze staat nog levendig in mijn geheugen gegrift. Het gebeurde allemaal te Empangeni, in het hartje van Zoeloeland.

De jonge Andrew was nooit gedoopt, vandaar die ernstige bezorgdheid. Was een ongedoopt kind voor eeuwig verloren in het voorgeborchte, zoals de katholieke Kerk leerde? Als diepbedroefde moeder móest ik het antwoord weten. Eist God werkelijk dat alle mensen, met inbegrip van baby’s, worden gedoopt? Wat is trouwens het voorgeborchte?

Wat is het voorgeborchte?

De New Catholic Encyclopedia schrijft onder „Voorgeborchte”: „Thans wordt de term door theologen gebruikt om de staat en plaats aan te duiden van enerzijds de zielen die de hel en haar eeuwige straf niet verdienden maar vóór Christus’ Verlossing de hemel niet konden ingaan (het Voorgeborchte der Vaders genoemd), en anderzijds de staat en plaats van die zielen die eeuwig zijn buitengesloten van de zalige aanschouwing, alleen vanwege de oorspronkelijke zonde (het Voorgeborchte der kinderen). . . . Het woord verwijst in onze tijd naar de plaats of staat waar kinderen vertoeven die zonder het Doopsel-Sacrament zijn gestorven en die daar de pijn van het verlies ervaren maar geen zintuiglijke pijn. Soms is de betekenis ruimer en duidt het ook op een staat of plaats waar deze kinderen een natuurlijk geluk genieten.”

Dit naslagwerk verklaart echter ook: „Het lot van kinderen die zonder Doopsel sterven, is inderdaad een erg ingewikkeld probleem. . . . Het vraagstuk van het Voorgeborchte behoort nog steeds tot de onopgeloste problemen van de theologie. Nergens vindt men een officiële bevestiging van de zijde van de Kerk dat het Voorgeborchte werkelijk bestaat.”

Hoe het ook zij, overal ter wereld gaan vrome katholieken uit van het bestaan van een voorgeborchte. En u kunt beslist begrijpen dat een diepbedroefde, van haar kind beroofde moeder moest weten of er nu wel of geen voorgeborchte bestond.

Wat ik over de toestand van de doden leerde

Ik bleef heel ernstig bidden of ik het juiste begrip omtrent de toestand van de doden te weten mocht komen. Niet lang na de tragedie verhuisde ons gezin naar de stad Pietermaritzburg. Op een zaterdag werd er aan de deur geklopt. Toen ik de deur opendeed, stonden daar twee dames met een klein jongetje voor mij. Waarom waren ze gekomen? Om met mij over de bijbel te spreken. Ik nodigde ze binnen en het duurde niet lang of ze waren me aan het vertellen wat de Schrift over de toestand van de doden had te zeggen.

Zij vestigden bijvoorbeeld mijn aandacht op Prediker 3:19-21. Hoewel ik katholiek was, gebruikte ik de King James-​vertaling van de bijbel. Daarin stond: „Want wat de zonen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook de dieren; één ding wedervaart hun beiden: zoals de één sterft, zo sterft ook de ander; ja, zij hebben allen één adem; zodat een mens geen uitnemendheid heeft boven een dier, want alles is ijdelheid. Zij gaan allen naar één plaats; allen zijn uit het stof, en allen keren terug tot het stof. Wie kent de geest van de mens die opvaart naar boven, en de geest van het dier die nederwaarts vaart in de aarde?”

Ja, de mens mag dan denken dat hij een ziel bezit die naar de hemel gaat, maar ik zag nu in dat dat een dwaling was, „want wat de zonen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook de dieren”, en „zoals de één sterft, zo sterft ook de ander”. Andrew moest derhalve in het graf zijn. Het was precies zoals de psalmist schreef: „Vertrouwt niet op vorsten, noch op de zoon van de mens, bij wie geen hulp is. Zijn adem gaat uit, hij keert terug naar zijn aarde; op diezelfde dag vergaan zijn gedachten.” — Ps. 146:3, 4, KJ.

De twee vrouwen lieten me ook de volgende woorden in het boek Prediker lezen: „Want de levenden weten dat zij zullen sterven; maar de doden weten niets, en zij hebben ook geen loon meer; want de gedachtenis aan hen is vergeten. Ook hun liefde, en hun haat, en hun afgunst, is nu vergaan; en zij hebben voor nimmer meer deel aan iets wat onder de zon wordt gedaan. Alles wat uw hand te doen vindt, doe dat met uw macht; want er is geen werk, geen overleg, geen kennis, geen wijsheid, in het graf, waarheen gij gaat.” — Pred. 9:5, 6, 10, KJ.

Nu was het mij duidelijk dat de doden geen pijniging ondergingen in een brandende hel. De beide getuigen van Jehovah legden mij duidelijk uit dat het Hebreeuwse woord sjeool, en de Griekse uitdrukking hades, die soms met „hel” zijn vertaald, duiden op het gemeenschappelijke graf der mensheid. Bovendien wezen mijn bezoeksters erop dat ’God liefde is’ en dat het een belediging was voor de Schepper om te geloven dat hij mensen voor een poosje of voor altijd in een brandende hel zou pijnigen. — 1 Joh. 4:8.

Maar toen wilde ik meer weten. Was het graf het einde voor degenen die waren gestorven?

Is er niets meer?

„Integendeel”, zo werd mij verteld, „de tijd zal komen dat de doden de stem van Jezus Christus zullen horen en te voorschijn zullen komen in een opstanding.” Wat een troost lag er opgesloten in die woorden van Jezus Christus! „Verwondert u hier niet over”, zo zei hij, „want het uur komt, waarin allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen, en te voorschijn zullen komen; zij die het goede hebben gedaan, tot de opstanding des levens; en zij die het kwade hebben gedaan, tot de opstanding der verdoemenis” (Joh. 5:28, 29, KJ). Dat vooruitzicht op een opstanding was geweldig! Maar toen bleef nog de brandende vraag over . . .

„Zal Jezus ook degenen opwekken die niet zijn gedoopt?”

Mijn bezoeksters verzekerden mij ervan dat volgens Gods Woord ongedoopte baby’s, zoals mijn kleine Andrew, niet van Gods wonderbare voorziening van de opstanding waren buitengesloten. Nee, de overgrote meerderheid van de doden in de herinneringsgraven zullen onder het hemelse koninkrijk van Jezus Christus tot leven hier op aarde worden opgewekt.

Voor mij was hetgeen die vrouwen mij hadden geboden, fantastisch. Het was iets waar ik nog nooit eerder van had gehoord. Toen zij mij dan ook aanboden me bij het onderzoeken van verdere bijbelse waarheden te helpen, nam ik dat aanbod verheugd aan. En met het verstrijken van de tijd leerde ik ook meer over de doop.

Jezus Christus had bijvoorbeeld tot zijn volgelingen gezegd: „Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën, hen dopende in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige geest, en leert hun onderhouden alles wat ik u geboden heb” (Matth. 28:19, 20). Dit betekende dat iemand eerst Gods naam en voornemen moest leren kennen vóór hij gedoopt kon worden. Hij zou kennis moeten verwerven omtrent de rol van de Zoon, Jezus Christus, in Gods regeling der dingen, en ook iets moeten weten over de werking van de heilige geest, Gods werkzame kracht. Geen enkel klein kind is daartoe in staat. Daarom werd het mij duidelijk dat het niet schriftuurlijk was een baby te laten dopen.

Bovendien leerde ik dat de christelijke doop meer was dan alleen een besprenkeling. Jezus zelf werd volledig in water ondergedompeld om de aanbieding van zichzelf aan de Almachtige God te symboliseren (Matth. 3:13-17). En toen de Ethiopische eunuch als symbool van zijn opdracht aan God werd gedoopt, was „een zeker water” de uitgekozen plaats voor de doop. Zowel hij als de evangelieprediker Filippus „daalden af in het water” en Filippus doopte de eunuch door hem onder water te dompelen en dan op te heffen. — Hand. 8:35-39.

Stelt u zich voor hoe groot mijn opluchting was toen ik besefte dat kleine Andrew niet in het voorgeborchte was! De New Catholic Encyclopedia geeft trouwens zelf toe dat „het woord [Voorgeborchte] door de Kerkvaders niet wordt gebruikt, en ook niet voorkomt in de Heilige Schrift.” Het wordt niet in de bijbel aangetroffen omdat zo’n plaats of toestand niet bestaat. Wat een vreugde die dingen te mogen leren!

Binnen een jaar na de dood van kleine Andrew kreeg ik een dochtertje, dat helaas maar ongeveer twintig minuten leefde. Hoe dankbaar was ik echter op de hoogte te zijn van Gods wonderbare voorziening om de onvolmaakte mensheid los te kopen en degenen die in zijn herinnering zijn, een opstanding te geven! — Matth. 20:28; Hand. 24:15; Rom. 5:12.

Zo’n twintig jaar zijn nu verstreken sinds de ontijdige dood van kleine Andrew en zijn zusje. Maar ik heb nu een vaste hoop voor de toekomst. En wat schenkt het een vreugde deze hoop met anderen te mogen delen door hen te vertellen over Jehovah, de God van de opstanding, en te wijzen op de wonderbare gave die hij geeft — „eeuwig leven door Christus Jezus, onze Heer”! (Rom. 6:23) — Ingezonden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen