Olievondsten in de Noordzee — zegen of nachtmerrie voor Noorwegen?
Door Ontwaakt!-correspondent in Noorwegen
GESTELD dat het huis waar u woont, uw eigendom is en omgeven is door een flinke lap grond en er plotseling op uw grond olie en gas wordt ontdekt, hoe zou u dat dan vinden? Eén ding is zeker — door die vondst zou u er financieel wel beter op worden. Maar u zou wellicht moeten verhuizen wegens de vervuiling die er dan zou ontstaan.
Noorwegen bevindt zich in een situatie die daar wel wat op lijkt. Het gaat het land niet slecht — het is een welvaartsstaat zonder sloppenwijken of analfabetisme en het kindersterftecijfer is een van de laagste ter wereld. En in 1969 zijn in de Noordzee grote voorraden olie en gas ontdekt op het continentale plat dat bij Noorwegen hoort. Sindsdien zijn nog meer voorraden ontdekt, waaronder het grootste olieveld dat ooit voor de kust onder de zeebodem is gevonden. De winning van olie en gas voor de kust is een feit, en er zullen nog meer boringen volgen zodat de produktie nog zal toenemen.
De vier miljoen Noren zijn zich er terdege van bewust dat hun visgronden en kusten gevaar lopen door vervuiling te worden getroffen. Zij kunnen niet wegtrekken uit hun bergachtige land waarvan minder dan 3 percent bebouwd kan worden. De Noren moeten blijven waar ze zijn en dan maar proberen de werkzaamheden in de Noordzee zo veilig mogelijk te houden.
Het kwam plotseling
Het olietijdperk heeft Noorwegen vrij plotseling overvallen. In 1959 werd aan de Nederlandse kust, bij Slochteren-Delfzijl, aardgas ontdekt en bij het begin van de jaren ’60 ontwierpen de aan de Noordzee liggende landen onderling een verdeling volgens het zogenaamde „equidistantiebeginsel”, waarbij de grenslijnen op gelijke afstanden van de betrokken landen liepen. In 1965 werden de eerste vergunningen verleend voor boringen op het Noorse continentale plat, en in 1966 werd de eerste put geboord door de Esso.
In 1968 stootte men op het eerste teken van koolwaterstoffen. Het was echter pas aan het eind van december 1969 dat de Phillipps Petroleum Company een grote aardolielaag ontdekte. Dit was helemaal in het zuiden van het Noorse continentale plat, nu bekend als het Ekofisk-veld. Ook werd hier gas gevonden.
Pas in 1976 begonnen voor Noorwegen de inkomsten uit de export van olie binnen te vloeien. De voor de jaarlijkse binnenlandse consumptie benodigde hoeveelheid van ongeveer negen miljoen ton olie werd toen met een 4,6 miljoen ton overtroffen.
Hoe groot is de rijkdom?
Na ten tijde van de eeuwwisseling waarschijnlijk nog het armste land van Europa te zijn geweest, had Noorwegen in 1970, gerekend in termen van het bruto nationaal produkt (BNP) per hoofd van de bevolking, de negende plaats bereikt in de ranglijst van alle landen ter wereld. Dit was nog voordat er enige olie uit de Noordzee was gepompt.
Deze rijkdom was aan verscheidene factoren te danken. Ten eerste aan de traditionele rol van handel en scheepvaart (verantwoordelijk voor ongeveer 28 percent van het BNP). Ten tweede aan de ontwikkeling van een krachtige industrie (25 percent van het BNP). Landbouw, bosbouw en visserij, eens de voornaamste inkomstenbronnen, komen nu helemaal achteraan met een gezamenlijk aandeel van net 6,5 percent van het bruto nationaal produkt.
Toen verscheen olie als een economische factor in het beeld. Volgens een schatting van de Noorse minister van industrie, Bjartmar Gjerde, zal tegen 1980 de produktie van olie en gas een jaarlijkse waarde van 35 tot 40 miljard Noorse kronen (ƒ 14 tot 16 miljard) hebben bereikt er zal de regering uit deze inkomsten jaarlijks 20 miljard kronen (ƒ 8 miljard) binnenkrijgen.
Op basis van de komende olie-inkomsten heeft Noorwegen omvangrijke leningen in het buitenland gesloten. Dit heeft men gedaan om een stimulans te geven aan de nationale economie en om te vermijden dat die te sterk wordt beïnvloed door de internationale depressie. De Noorse volksvertegenwoordiging, de „Storting”, heeft de regering gemachtigd leningen af te sluiten tot een bedrag van 5 miljard kronen (ƒ 2 miljard) en het grootste deel van dit bedrag is op gunstige voorwaarden geleend.
Daar staat tegenover dat de investeringen op het Noorse plat ongetwijfeld veel hoger zullen blijken te liggen dan de regering oorspronkelijk heeft gedacht. De kosten voor het aanboren van het Statfjord-veld zijn in het begin geraamd op 18 miljard kronen. In de herfst van 1976 werd dit verhoogd tot 32 miljard. Maar de huidige schattingen lopen al rond de 60 miljard, en sommige pessimistische waarnemers voorspellen dat het hele veld meer dan 100 miljard gaat kosten voordat het volledig tot ontwikkeling is gebracht. De inkomsten van de olie- en gasvelden zouden dus wel eens niet zo groot kunnen zijn als sommige Noren zich hebben voorgesteld.
Hoe groot zijn de olievelden voor de kust? Op deze vraag is geen nauwkeurig antwoord te geven. Het totaal van de aangetoonde winbare voorraden komt momenteel overeen met ongeveer 1200 miljoen ton olie. Voorspellingen omtrent de produktie aan het begin van de jaren ’80 geven aan dat Noorwegen met de bestaande velden jaarlijks 75 miljoen ton kan produceren en daarvan dan 60 tot 65 miljoen ton olie en gas zal exporteren. Dat betekent dat iets minder dan 10 percent van de huidige consumptie van West-Europa door de Noorse produktie gedekt zal kunnen worden.
De dreiging van vervuiling
Vanaf de tijd dat het boren in de Noordzee begon, hebben de Noren in angst geleefd voor een ongeluk waardoor schade aan het milieu zou worden toegebracht. Deze vrees scheen bewaarheid te worden toen op 22 april 1977 olie te voorschijn spoot uit een put op het Ekofisk-veld waarvan de afsluiter defect was. Dit heeft een week geduurd en televisie, radio en kranten hebben alle dagen uitvoerig aandacht geschonken aan deze spuiter. Rondom de Noordzee verkeerden mensen in angst dat de 15 tot 21 duizend ton olie die door de bron waren uitgebraakt, in de daaropvolgende weken hun stranden zouden bederven.
Ondanks het feit dat de ter plaatse aanwezige bestrijdingsmiddelen tegen de vervuiling ontoereikend waren, heeft de 6000 vierkante kilometer grote olievlek zich snel opgelost, zodat ze al na een paar weken niet meer te zien was. Noorse deskundigen hebben gerapporteerd dat er geen gevaar op korte of langere termijn voor het leven in de zee schijnt te bestaan.
De man die er in hoofdzaak voor heeft gezorgd dat de spuiter werd bedwongen, de uit Texas afkomstige Paul „Red” Adair, heeft in een hoorzitting van het Amerikaanse congres in Washington, D.C., erop gewezen dat de hoeveelheid olie die bij dergelijke ongelukken vrijkomt uit een bron voor de kust, niet zo gevaarlijk en omvangrijk is als andere vormen van olieverontreiniging. In het getuigenis dat hij voor de congrescommissie aflegde, stelde hij dat deze zaken buiten alle proporties worden opgeblazen en hij voegde daaraan toe dat verontreiniging die van olietankers afkomstig is, een veel groter probleem vormt.
Niet lang vóór het ongeluk in de Noordzee was er in opdracht van de Shell een onderzoek uitgevoerd om te proberen een idee te krijgen van het gevaar dat verbonden kan zijn aan verschillende soorten lekkages. In wat als een extreem geval beschouwd wordt — een olieramp op het Statfjord-veld waarbij 5,5 miljoen barrels olie zou vrijkomen — zou, naar men verwacht, niet meer dan 100.000 barrels olie de Noorse kust bereiken. In het algemeen zou slechts ongeveer 5 percent van de ontsnappende olie naar de kust drijven en hier zou normaliter twee of drie weken mee gemoeid zijn, zodat er ruimschoots tijd zou zijn om maatregelen tegen de vervuiling te nemen.
Natie verdeeld over doeleinden
De Noren zijn het onderling helemaal niet eens over de wijze waarop met de rijkdommen onder het continentale plat moet worden gehandeld. Eén controverse die nog steeds leeft, gaat over de vraag wat het gevaar is voor het leven in de zee en het milieu in het algemeen. Een andere kwestie heeft te maken met de dreiging van toekomstige oliespuiters. De algemene veiligheid vormt een punt van discussie in de „Storting” (het parlement) en onder geleerden. Politici trachten tot een beslissing te komen over de vraag of men een aanvang moet maken met proefboringen boven de 62ste breedtegraad. De steeds machtiger wordende staatsoliemaatschappij Statoil is het middelpunt van nog een controverse. En ook worden er vraagtekens gezet rond de toekomst van de Noorse industrie in een olieland.
Het is geen wonder dat voor de Noren dergelijke zaken een punt van debat zijn. Een olie-industrie is iets nieuws voor Noorwegen en de Noren willen beslist weten wat de uitwerking op hun samenleving zal zijn.
De doeleinden die de natie door haar politici zijn gesteld, en die los staan van het olietijdperk, oefenen nu een sterke invloed uit op de bespreking van de verschillende kwesties die zijn opgeworpen. Deze doeleinden zijn onder andere het opvoeren van de levensstandaard en het verbeteren van de kwaliteit van het bestaan — het milieu en de werkomstandigheden. En de politieke groepen hebben zich bijna allemaal uitgesproken voor het bevorderen van internationale solidariteit en verbetering van de omstandigheden in ontwikkelingslanden. Sommigen hebben zelfs voorgesteld het grootste deel van de uit olie verkregen rijkdom te reserveren voor hulp aan ontwikkelingslanden.
Zal dus olie en gas in de Noordzee een zegen blijken te zijn voor de bevolking van Noorwegen en andere landen? Of zal het ten slotte een nachtmerrie blijken voor de Noren die graag zowel hun levensstandaard als de kwaliteit van het leven verbeterd zien? Slechts de toekomst zal het uitwijzen.