Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g79 8/3 blz. 20-23
  • Honing — van bij naar consument

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Honing — van bij naar consument
  • Ontwaakt! 1979
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De bij van dichtbij
  • Een druk leven
  • Een blik op Hare Majesteit
  • Honing is heilzaam
  • Van de kast naar u
  • Bijenhouden — Een „zoet” verhaal
    Ontwaakt! 1997
  • Honing — Het geschenk van de bij aan de mens
    Ontwaakt! 2005
  • Honing, honingraat
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Honing, honingraat
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
Ontwaakt! 1979
g79 8/3 blz. 20-23

Honing — van bij naar consument

DOOR ONTWAAKT!-CORRESPONDENT IN ZUID-AFRIKA

HOUDT u van de zoete smaak van honing? Duizenden jaren lang, totdat het gebruik van riet- en bietsuiker zich ontwikkeld had, was honing het enige zoetmiddel dat de mens ter beschikking stond. Hoeveel weet u van honing? En wat is er allemaal bij betrokken om de honing van de bij naar u te brengen?

We kunnen dit te weten komen door aan te lopen bij een bijenstal hier in Zuid-Afrika. Deze heeft tien kasten, die allemaal wit geverfd zijn en waarvan het onderste deel, de bodem, ervoor zorgt dat ze enkele centimeters boven de grond staan. De kasten zijn gemaakt van hout en bestaan uit verschillende verdiepingen, die bovenop elkaar zijn geplaatst. Ze zijn 46 cm breed en 56 cm diep. Op de bodem rust als eerste een grote verdieping van ongeveer 28 cm hoog, de zogenaamde „broedkamer”. Dit is het hart van de kast, waar nieuwe bijen worden grootgebracht en gevoed.

Boven de broedkamer bevinden zich één of meer verdiepingen van elk ongeveer vijftien centimeter hoog, waarin de honing wordt bewaard, de zogenaamde „honingkamers”. Bovenop dit geheel ligt een binnenafdekking en dan volgt het dak.

Tussen de broedkamer en de honingopslagruimten daarboven bevindt zich een metalen plaat met gaatjes, het „koninginne-” of „moerrooster”, waar werkbijen wel doorheen kunnen, maar de koningin niet, zodat ze haar eieren slechts in de broedkamer kan leggen.

In de broed- en honingkamers hangen houten ramen, die de raten van was bevatten. De ramen zijn vrij van elkaar opgehangen, zodat de bijen er tussen kunnen bewegen en de ramen gemakkelijk te verwijderen zijn.

De bij van dichtbij

Hier op onze bijenstal (in Zuid-Afrika) behoren de bijen tot het ras Apis mellifera adansonii. Als we het lichaam van deze verbazingwekkende insekten van dichtbij bekijken, zien we een wonder van ingewikkeldheid en doeltreffend ontwerp. Ieder detail ervan is aangepast aan het levensdoel — nageslacht voort te brengen, bloemen te bestuiven en honing te produceren.

Neem bijvoorbeeld de „werkbij”, een onvruchtbaar vrouwtje. Evenals dit bij andere insekten het geval is, is haar lichaam in drie stukken te verdelen. De kleine kop is driehoekig van vorm met er bovenop drie enkelvoudige ogen en aan beide zijkanten ervan één groter samengesteld oog. De kop heeft voelsprieten, harde mandibulae (voorkaken) om mee te bijten en een lange tong waarmee vloeistoffen kunnen worden opgezogen.

Het middelste gedeelte, of het borststuk, is hard, rond en toegerust met spieren die de aandrijvende kracht vormen voor de zes poten en vier vleugels. Dit is de „motor”, die ons vliegende schepseltje in staat stelt om kilometers van haar kast weg te vliegen en beladen met stuifmeel en nectar terug te keren. Op wat voor brandstof loopt deze motor? Een klein druppeltje honing!

Het grootste deel van het lichaam van een bij is zijn achterlijf, dat, evenals de kop en het borststuk, wordt beschermd door een harde laag, die dienst doet als geraamte of „uitwendig skelet”. Insekten hebben geen beenderen. Het is nauwelijks te geloven dat deze minuscule ruimte plaats biedt aan een ingewikkeld spijsverteringsstelsel met twee magen (waarvan de één dienst doet als tijdelijke opslagplaats voor nectar en water), ingewanden, een stofwisselingssysteem met hart en aderen, een ademhalingsstelsel voor het overdragen van zuurstof aan alle delen van het lichaam, en een zenuwstelsel.

Waarnemers zullen opmerken dat het lichaam van een bij behaard is, en dus uitermate geschikt voor het verzamelen van stuifmeel van bloemen. Zijn twee achterpoten hebben kleine „stuifmeelkorfjes” en de twee middelste poten speciale borsteltjes van stijve haren om het stuifmeel in deze korfjes te borstelen. De middelste poten hebben ook een klein uitsteeksel om de onderzijde van het lichaam van was te reinigen. De voorste poten hebben een „poetsgroef” waar de voelsprieten doorheen getrokken worden en een kleine kam om de ogen mee schoon te maken. De voorste vleugels zijn bij het opvouwen niet met de kleinere achtervleugels verbonden. Maar wanneer ons dametje ze uitspreidt, haken ze automatisch ineen — wat een groot voordeel is bij het vliegen.

Aan de houten ramen in een kast zijn de honingraten gehecht, opgebouwd uit enorme aantallen zeshoekige cellen — volmaakt van vorm om maximale sterkte te paren aan een minimum van ruimteverlies. Waar halen de bijen de was vandaan om deze honingraten op te bouwen? Dat is één van de wonderen der schepping! Bepaalde bijen doen zich flink tegoed aan honing en houden zich dan ongeveer vierentwintig uur rustig. Op onverklaarbare wijze ontstaan dan aan hun achterlijf zeer kleine wasschubben. De bijen schrapen die was eraf en gebruiken deze om hun cellen te vervaardigen. Er zijn drie tot zeven kilo honing voor nodig om een halve kilo was te produceren.

Een druk leven

Het leven van een werkbij is inderdaad druk. Haar bestaan begint, wanneer de koningin haar achterlijf in een cel steekt en er een klein eitje in afzet. Drie dagen later komt er uit het eitje een larve of made. Er verschijnen jonge werkbijen die de verzorging van de nieuwe baby overnemen. In haar kop heeft een werkbij klieren die een speciaal voedingssap afscheiden (soms ook wel ’koninginnegelei’ genoemd). Dit voedsel heeft speciale voedende kwaliteiten. Volgens sommigen neemt de larve de eerste dag meer dan 500% in grootte toe.

Na twee en een halve dag gaat de voeding over op een mengsel van stuifmeel en honing. Beide worden in broedkamercellen bewaard. Op de negende dag nadat het eitje is gelegd, worden de cellen met een poreus dekseltje van was verzegeld en spint de larve een zijden cocon. Wonderbaarlijke, ingewikkelde veranderingen voltrekken zich dan en negen of tien dagen later bijt een jonge, bijna geheel volgroeide bij zich een weg uit de cel.

Meteen, zodra ze uit de cel is, gaat de bij aan het werk. Eerst houdt het jonge dier zich bezig met het schoonmaken van cellen. Dan ontwikkelen haar voedingsklieren zich en wordt ze verzorgster van de larven, die de eerste paar dagen zowel overdag als ’s nachts voortdurende aandacht nodig hebben. Volgens enkele autoriteiten moeten ze 1300 maal per dag worden gevoerd!

Enkele dagen later gaat onze jonge werkster over tot het verrichten van opslagwerk. In deze hoedanigheid ontvangt ze nectar en stuifmeel van de „haalbijen”, welk materiaal ze in cellen opslaat. Ook helpt ze mee de kast koel te houden. Na ongeveer twee weken (afhankelijk van de omstandigheden) neemt juffrouw Bij andere taken op zich. Haar wasklieren ontwikkelen zich en ze gebruikt deze periode voor het bouwen van cellen en het verrichten van andere taken die tot nut van de bijenstaat zijn. Later neemt ze bij het vlieggat de functie van wachter in, waarbij ze de taak heeft alleen leden van haar korf door te laten. Met de twee voelsprieten op haar kop kan ze aan de reuk vreemdelingen onderscheiden. Ze zal indringers, inclusief mensen, aanvallen als die zich voor honing of enig ander doel toegang tot de korf trachten te verschaffen.

Als juffrouw Bij drie weken oud is, wordt ze „haalbij”. Als zodanig vliegt ze, vaak over aanzienlijke afstanden, uit om nectar, stuifmeel en water op te sporen en mee terug te nemen naar de korf. Om zoveel als ze maar dragen kan, bijeen te krijgen moet ze misschien wel duizend klaverbloemen bezoeken. Geen wonder dat een werkbij tijdens de honingtijd slechts vijf tot zes weken leeft!

Het is voor haalbijen echter niet noodzakelijk om iedere keer, wanneer ze eropuit trekken om stuifmeel te verzamelen, onbekend terrein af te speuren. Het is verbazingwekkend dat bijen een manier hebben om elkaar te „vertellen” waar ze de nectar moeten zoeken. Hoe? Wel, wanneer een werkbij, nadat ze een nieuwe bron van nectar heeft opgespoord, in de kast terugkeert, voert ze een dans uit om haar medebijen de weg te wijzen. Een uit achtvormige lussen bestaande ’rondedans’ betekend dat de nectar dichtbij is. Een ’kwispeldans’, waarbij het achterlijf in een snelle kwispelende beweging wordt gebracht, geeft aan dat de nectar ver weg is en ook hoe ver. Loopt ze op de raat vertikaal naar boven, dan zegt ze dat de bijen in de richting van de zon moeten vliegen. Een dans die onder een andere hoek wordt uitgevoerd, toont in wat voor richting ze ten opzichte van de zon moeten vliegen. De reuk van de nectar en haar eigen speciale geur, die ze op de bron van de nectar heeft achtergelaten, helpen de andere haalbijen om de juiste plaats te vinden. Werkelijk een opmerkelijke tekentaal.

Een blik op Hare Majesteit

In het oog lopend is de bijenkoningin. ’Hare Majesteit’ is anders, anders wat functie en bouw betreft. Ze is groter, is niet toegerust voor het vergaren en dragen van stuifmeel en gebruikt haar angel slechts om mededingende koninginnen te doden. Dit gebeurt wanneer de korf in zijn bloeitijd verkeert en er nieuwe koninginnen verschijnen.

Komt een koningin uit één of ander speciaal koninklijk geslacht voort? Nee, het eitje waaruit zich een koningin ontwikkelt is feitelijk hetzelfde, als dat waaruit een werkbij komt. Hoe komt er dan een koningin uit voort?

In werkelijkheid weet niemand dat. Wel zeker is echter dat er verschillen in het voedingsproces bestaan. In een bijenkast zijn koninginnecellen of „moerdoppen” veel groter en ook vallen ze op door hun vorm. Wanneer er een eitje in een koninginnecel is afgezet, krijgt het een speciale behandeling. In plaats van slechts twee en een halve dag met ’koninginnegelei’ te worden gevoed, ontvangen toekomstige koninginnen dit unieke voedsel vier en een half tot vijf dagen. De ontwikkeling van een koningin neemt, verrassend genoeg, slechts vijftien tot zestien dagen in beslag, korter dan van werkbijen.

Wanneer er nieuwe koninginnen verschijnen, maakt de bijenstaat zich gereed om te gaan „zwermen”, dat wil zeggen, een nieuwe staat te gaan vormen, gewoonlijk met de oude koningin. Zo nodig vechten de jonge, onbevruchte koninginnen daarna onderling uit wie er als nieuwe koningin van de oude korf overblijft. De overwinnende koningin onderneemt dan een bruidsvlucht, achtervolgd door een aantal mannetjes, of „darren”. Eén van hen slaagt erin tijdens de vlucht met haar te paren.

Tijdens haar paringsvlucht ontvangt de koningin voldoende sperma om jaren vooruit te kunnen. Daarna wordt ze feitelijk een eierleg-machine, die in staat is om zo’n 3000 eitjes per dag te leggen. Een koningin kan in tegenstelling tot de korte levensduur van werkbijen, verscheidene jaren leven en de voortbrengster worden van veel toekomende geslachten.

Honing is heilzaam

Honing vindt zijn oorsprong bij bloemen die nectar hebben. Dit trekt insekten, waaronder ook bijen, aan. Behalve suikers bevat nectar ook verscheidene van de mineralen die van vitaal belang zijn voor de menselijke gezondheid. Nadat de bijen flink wat van dit zoete sap hebben gedronken, voegt hun lichaam er enzymen en mierezuur aan toe. Dit verteert en verandert de suikers. Eenmaal terug in de korf dragen verdere behandelingen ertoe bij dat het water eruit verdampt.

Het uiteindelijke produkt bestaat uit circa 41 percent vruchtesuiker (fructose), de zoetste suiker die men kent. Ook bevat het 35 percent druivesuiker (glucose), 17 percent water, 2 percent saccharose en kleine hoeveelheden minerale zouten en aminozuren. Bovendien zitten er in honing bijna alle spoorelementen die het menselijk lichaam nodig heeft. Al deze factoren maken honing tot erg aangenaam en gezond voedsel.

Honing is speciaal goed voor kleine kinderen. Het is zacht laxerend en kan veilig door baby’s worden gegeten, te beginnen met een halve theelepel per dag. Als voorverteerd voedsel kan honing ook helpen bij spijsverteringsstoornissen. Het kan verlichting schenken bij constipatie, en aldus een gunstige uitwerking hebben op hoge bloeddruk. Honing kan snel in energie worden omgezet en de aminozuren ervan kunnen calcium in het lichaam opbouwen. Bovendien werkt het zacht kalmerend en bevordert het de slaap. Uit ondervinding blijkt, dat personen die uitgeput en prikkelbaar zijn, er baat bij vinden een tijdlang bij iedere maaltijd twee theelepels honing te nemen (Honey and Its Value, door D. C. McGill, M. A. Ph. D.). Terecht vermeldde een bijbelschrijver: „Mijn zoon, eet honing, want het is goed; en laat zoete raad honing op uw gehemelte zijn.” — Spr. 24:13.

Van de kast naar u

Hoe haalt iemand nu honing uit een bijenkast? Een „beroker” is hierbij een belangrijk hulpmiddel. Dit is een apparaat dat bestaat uit een kleine blaasbalg, vastgemaakt aan een metalen cilinder met brandbaar materiaal erin. Wanneer dit wordt aangestoken, komt er rook uit door een tuitvormig deksel. Een paar wolkjes rook bij het vlieggat van een kast zorgen ervoor dat de bijen alarm slaan. Vuur is een gevaarlijke vijand voor bijen. Om zich op de veronderstelde noodtoestand voor te bereiden, nippen de bijen een beetje honing op. Dit maakt ze, te zamen met het effect van de rook, handelbaarder.

De volgende stap is de kast te openen door het dak en de binnenafdekking te verwijderen. Sommige bijen zullen druk bezig zijn op de honingramen. Een wolkje rook verdrijft de meeste naar de broedkamer. Als de meeste cellen verzegeld zijn met een dun waslaagje, is het duidelijk dat de honing rijp is. Alles zal schoon en netjes zijn — geen vuiligheid, geen ophoping van uitwerpselen of afval.

Onze methode is dat we de ramen met honing eruit nemen en vervangen door nieuwe, waarin een uit was geperste plaat is bevestigd, waarop het patroon van de cellen al is aangegeven. Op deze ondergrond zullen de bijen dan verder bouwen tot de cellen voltooid zijn.

Nadat de dunne waszegeltjes van de cellen zijn verwijderd, worden de ramen in een „honingslinger” gehangen. Dit is een metalen, trommelvormig vat, waarin de ramen op een ronddraaiend mechanisme worden vastgemaakt. Wanneer het mechanisme binnenin de trommel wordt rondgedraaid, en daarmee ook de ramen, wordt de honing door de middelpuntvliedende kracht uit de raten geslingerd. Het vliegt tegen de zijkant van de trommel, druipt naar beneden, passeert een honingzeef en vloeit dan naar buiten via een uitloop of snijkraan in klaarstaande potten.

We hopen dat dit bezoek aan onze bijenstal u geholpen heeft de waarde van honing en het essentiële aandeel dat bijen erin hebben om het voor ons klaar te maken, vollediger te waarderen. Het is inderdaad wonderbaarlijk hoe deze kleine schepseltjes getuigen van de wijsheid van de grote Ontwerper en Schepper van alles wat leeft, Jehovah God. — Ps. 104:24.

[Diagram op blz. 22]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

VOELSPRIET

KOP

BORSTSTUK

SAMENGESTELD OOG

KAKEN

VOORSTE VLEUGEL

ACHTERLIJF

ACHTERSTE VLEUGEL

1. POETSAPPARAAT VOOR VOELSPRIETEN AAN VOORPOOT

2. UITSTEEKSEL OM WAS TE VERWIJDEREN AAN MIDDELSTE POOT

3. STUIFMEELKORFJES AAN ACHTERPOOT

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen