Muziek beheerste mijn leven
VELEN kennen mij het beste onder mijn bijnaam „Trummy”, de musicus die jarenlang met Louis Armstrong en nog vele andere bekende musici en orkesten de trombone heeft bespeeld. Mijn aparte trombonestijl droeg er mede toe bij dat songs als „Ain’t She Sweet?” en „Margie” tot de toppers gingen behoren.
Aan het eind van de jaren ’30 en aan het vroege begin van de jaren ’40 componeerde ik ook zelf tal van hitnummers. Twee van de bekendste zijn misschien wel „T’Ain’t What Cha Do, It’s the Way That Cha Do It” en „What Cha Know, Joe?” Ook schreef ik de song „Travellin’ Light” voor Billie Holiday. Ze nam het op met het orkest van Paul Whiteman en er werden miljoenen exemplaren van verkocht.
Toen ik tegen het eind van de jaren ’30 met het orkest van Jimmy Lunceford samenwerkte, deed ik bovendien aan diverse films mee. Mijn eerste was „Blues in the Night”. En later, met Louis Armstrong, speelde ik in films als „The Glen Miller Story”, „Five Pennies” en „High Society”.
Muziek bracht mij roem en rijkdom, maar tegen een hogere prijs dan ik bereid was toe te geven. Vóór ik daar echter nader op inga, is het misschien beter eerst iets over mijn achtergrond te vertellen — niet alleen om de grote rol te verklaren die muziek in mijn leven heeft gespeeld, maar ook om te tonen hoe het kwam dat ik er bijna mijn leven door liet ruïneren.
Vanuit het diepe zuiden
Ik werd in 1912 in Savannah, in de Amerikaanse staat Georgia, geboren, als de enige zoon in een gezin van drie kinderen, die toebehoorden aan de hardwerkende spoorwegman Osborne Young en zijn vrouw Annie Evangeline. In die dagen was Savannah een zeer bijgelovige stad waar zich vele verwerpelijke praktijken afspeelden.
Een van de betreurenswaardigste situaties was de aanwezigheid van de Ku Klux Klan, waarvan de leden constant in de negerwijken paradeerden om de zwarten schrik aan te jagen en ze ’hun juiste plaats te wijzen’. Ik kan me nog herinneren hoe bang ik was wanneer die mannen gehuld in hun witte gewaden en witte mutsen door de straten schreden. Ze hielden de schrik er goed in — wij kinderen waren als de dood voor ze en renden altijd weg als ze eraan kwamen.
Muziek speelde toen reeds een belangrijke rol in mijn leven. Zo was er in onze stadswijk een „Holy Roller”-kerk, waarvan de diensten met heel wat tumult gepaard gingen, maar ook met een geweldig ritme!
Bovendien zwierven er talloze musici, voornamelijk blues-zangers, door de stad. Wij jongeren waren verzot op de Jenkins Orphan Band, die uit Charleston, Zuid-Carolina, op bezoek kwam. We liepen er de hele stad mee door.
Een andere show die onze stad aandeed, was de show van Dr. Rabbitfoot, die kleine flesjes met een zogenaamd medicijn verkocht — voor één dollar, wat indertijd een hele hap geld was. Hij plaatste zijn tent op de hoek van een straat en begon dan zijn show, compleet met muziekband, enkele komieken en dansmeisjes.
Al heel snel kreeg de muziek mij, door die diverse bezoekers en de omgeving daar in Savannah, in haar greep.
Scholing en het begin van een carrière
Mijn vader stierf toen ik twaalf was. Twee jaar later zond mijn moeder me naar een katholieke militaire school in Rockcastle, in Virginia. Hoewel moeder niet katholiek was, deed ze dat omdat ik daar met werken mijn eigen opleiding kon verdienen.
De ene week was ik metselaar en stukadoor, en de andere week volgde ik de lessen. Bij mijn komst op school had ik ondanks mijn liefde voor muziek eigenlijk nog nooit gedacht over een muzikale carrière. Maar toen ik de band van de school vrolijk in de schaduw zag spelen terwijl ik in de hete zon liep te exerceren met een geweer op mijn schouder, was mijn beslissing genomen! Spoedig was muziek het voornaamste in mijn leven en kon men mij het grootste deel van de tijd zien oefenen in het muzieklokaal.
Mijn moeder had nooit genoeg geld om me in de zomermaanden naar Savannah over te laten komen. Dus bleef ik in die tijd op school en werkte op de boerderij. Na vier jaar op die katholieke school te hebben doorgebracht, zwoer ik bij mezelf dat ik nooit meer een stap in een kerk zou zetten. Ik had zo vaak geknield dat ik er eeltknobbels op mijn knieën van had overgehouden. Bovendien leerden we nooit iets uit de bijbel en van het Latijn snapte ik niets.
Na in 1930 de school te hebben verlaten, ging ik op weg naar Washington. Alles wat ik van die plaats wist, had ik vernomen van voormalige klasgenoten die er vandaan kwamen. Ik maakte daar mijn professionele debuut als tiener-trombonist bij het orkest Hot Chocolates van Booker Coleman. Het was Coleman die mij m’n bijnaam Trummy gaf. Vanwege de moeite die het hem kostte om de namen van zijn orkestleden te onthouden, noemde hij iedereen naar het instrument dat hij bespeelde.
We reisden door diverse oostelijke staten van Amerika, en speelden in de zomer van 1931 in het Asbury-park in New Jersey ten behoeve van de religieuze leider „Father Divine”, die daar een bijeenkomst hield. We begonnen de bijeenkomst met de inzet van een van de blije liederen om de mensen op te warmen hetgeen bijzonder goed lukte, want men begon te zingen, te klappen en te stampen zoals ik nog nooit had gehoord! Dan verscheen „Divine” voor zijn vaste speech: „De Heer heeft een blijmoedige gever lief” — en zamelde daarna emmers vol geld in. En dat midden in de crisisjaren! Hij betaalde ons twee dollar per avond — een heel bedrag voor die tijd.
In 1933 ging ik naar Chicago om me bij het orkest van Earl Hines te voegen, het eerste orkest van naam waartoe ik behoorde. We speelden in Grand Terrace aan de South Side, een club die onder leiding stond van onderwereldfiguren, zoals ik later vernam. Sommige avonden zat de zaal vol gangsters en ik was dan zo bang dat ik nauwelijks durfde te spelen. Het was in de tijd van de „drooglegging”, maar we konden in de keuken van de kassier goedkope sterke drank voor 3 dollar per halve liter krijgen, en daaruit putten we genoeg moed om te spelen. We werkten van negen uur ’s avonds tot vier uur in de ochtend en verdienden daar 40 dollar per week mee, voor die tijd helemaal niet slecht.
Er was genoeg werk, dus bleef ik tot 1936 in Chicago, waarna ik naar New York vertrok om me bij het orkest van Jimmy Lunceford te voegen.
Succes en een bijzondere vrouw
Met Lunceford begon ik de zoete smaak van roem en succes te proeven. Bovendien kwam ik na de toetreding tot zijn orkest aan nog een bijzondere invloed bloot te staan, en wel als gevolg van mijn contacten met een zeer bijzondere vrouw.
De eerste maal dat ik Ida Fitzpatrick ontmoette, was achter het toneel. Ze verstond op een bijzondere manier de kunst om op de meest ontoegankelijke plaatsen te komen, zelfs daar waar wij als spelers geen toegang hadden. Ze had zich gespecialiseerd in het bezoeken van musici, zangers, komieken en conferenciers om met hen over de bijbel te spreken. Ze kende dat boek op haar duimpje! En geloof me, wij mensen van de amusementswereld hadden haar boodschap hard nodig, want we waren geestelijk zo stuurloos als maar kon.
Op een dag dat ik volgens plan met haar de bijbel zou bespreken, zei ik tegen mijn kamergenoot: „Wanneer mevrouw Fitzpatrick langs komt, zeg haar dan dat ik naar een repetitie ben.” Wel, stelt u zich mijn verbazing en ook mijn ergernis voor toen ik een uur later het gebouw verliet en mevrouw Fitzpatrick nog beneden stond te wachten, die me begroette met de woorden: „Dag meneer Young, hoe was de repetitie?” Ze was beslist volhardend, maar op een plezierige manier.
Na met haar een studie te zijn begonnen, voelde ik me nooit meer helemaal content met mezelf. Want ik wist wel dat veel dingen die wij als musici deden, niet juist waren. Een voorbeeld:
We hadden in die dagen heel wat uitvoeringen voor één avond, hetgeen erg vermoeiend was omdat in de meeste contracten stond dat een groep niet mocht spelen binnen een straal van 500 tot 600 kilometer van een plaats die ze net verlaten had. Dat vormde een bescherming voor de impresario. Hij liet de musici van ver komen om van een goede opkomst bij de uitvoering verzekerd te zijn. We waren dus gedwongen lange reizen per bus te maken en verkeerden daardoor in een chronische staat van vermoeidheid. Om wakker te blijven namen we benzedrine en om te ontspannen dronken we alcohol. De meesten van ons waren zo opgenomen in die mallemolen van reizen en spelen dat ze zich er niet meer aan konden ontworstelen.
Zo werkte ik vele jaren binnen en buiten New York en bestudeerde met tussenpozen de bijbel met mevrouw Fitzpatrick. Erg lang was dat echter nooit, want ik was vaak onderweg. Ondertussen verwierf ik nationale roem en moest ik een steeds groter deel van mijn tijd besteden aan de handhaving van mijn positie in de amusementswereld.
Moderne jazz en de film
Aan het begin van de jaren ’40 ontstond in de 52e straat in New York een nieuw soort jazz, moderne jazz of bebop genaamd. De top-jazzmusici speelden toen in de kleine clubs langs die straat, waar ik destijds ook werkte met de nu reeds lang overleden zangeres Billie Holiday. Een vrouw met een opmerkelijk talent, en nog steeds een legende in de theaterwereld. Onlangs is een populaire film over haar leven in roulatie gekomen: „The Lady Sings the Blues.”
Filmsterren, producers en schrijvers kwamen vaak in deze clubs vanwege de grote artiesten die er optraden. Maar behalve hen verschenen er ook prostituées en dope-handelaars. Billie Holiday was een zware gebruikster van narcotica, zodat er heel wat „pushers” rondhingen op de plek waar wij werkten. Wanneer iemand veel met dit soort van leven te maken krijgt, gaat hij het als normaal zien, en dan beginnen de moeilijkheden, omdat hij precies zo’n zelfde levenswijze gaat volgen.
Billie, zo leek het mij toe, was een slachtoffer van de omstandigheden. Ze werd uitgebuit, niet alleen door de ongure sujetten in haar privé-leven, maar ook door slechte managers. Na de opnamen van de song „Travellin’ Light”, die ik voor haar schreef en waarvan miljoenen exemplaren werden verkocht, ontvingen zij en ik slechts $75. We wisten niets af van auteursrechten en werden volledig uitgebuit.
Ook het werken in films begon bij mij zijn tol te eisen. We startten altijd zo vroeg mogelijk om van al het beschikbare zonlicht profijt te trekken. En daarna ging het tot laat in de nacht door met de avondscènes. Ik nam benzedrine om er voor de camera’s maar levendig te blijven uitzien. Toen kwam de tijd van de televisie, met alle films en shows die voor dit medium gemaakt moesten worden. De repetities waren lang en gruwelijk. Geen wonder dat ik last kreeg van hoge bloeddruk.
Een gezin, en Louis Armstrong
Ten slotte besloot ik naar Hawaii te gaan, waar ik in 1947 Sally ontmoette. Later dat jaar trouwden we en in 1948 werd onze dochter geboren. Mijn vrouw bestudeerde de bijbel en hoewel mijn werkschema mij niet toestond zo ijverig te zijn als zij, bezocht ik wel met haar de vergaderingen in de Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen. Dat duurde zo voort tot 1952, toen ik van Hawaii vertrok om in te gaan op een uitnodiging van Louis Armstrong, met wie ik de volgende 12 jaar zou samenwerken.
Mijn gezin trachtte met mij mee te reizen, maar dat leven bleek voor hen niet erg geschikt; de marihuanarook, de vuile taal en de middernachtelijke uren waren daar voor een groot deel debet aan.
Ik huurde een appartement, stuurde mijn vrouw en dochter uit winkelen, sloot mezelf op in huis en bleef dan vijf à zes uur oefenen op mijn trombone. Mijn hele leven „verblies” ik in een instrument; het was mijn god geworden, evenals het geld dat ik ermee verdiende.
Ten slotte kocht ik een huis in Los Angeles, waar mijn vrouw en dochter gingen wonen. Het merendeel van de tijd was ik echter weg, soms wel zes of zeven maanden achtereen, in verre werelddelen als Afrika. We maakten ook tal van films in Europa. En ik maar denken dat het allemaal oké was, omdat ik een hoop geld naar huis stuurde. Maar mijn gezin was niet geïnteresseerd in al die materiële zaken; ze wilden me thuis hebben. Maar dat zag ik niet. Mijn kleine meisje groeide op zonder feitelijk haar vader te kennen.
Aangezien er in ons vak een moordende concurrentie bestaat, bleef ik constant oefenen, vaak hele dagen, om maar aan de top te blijven. Ik voelde me steeds ongelukkiger omdat ik nooit tijd leek te hebben voor wat anders dan oefenen, reizen, spelen en geld naar huis sturen. Armstrong was een geweldige man om voor te werken, dat wel, en dat maakte het misschien ook wel extra moeilijk om in te zien wat ik later gedwongen was in te zien.
Mevrouw Fitzpatrick studeerde met Louis wanneer ze hem maar te pakken kon krijgen. Dat was niet zo gemakkelijk, maar zo af en toe traden we op in een theater in New York en dan studeerde ze tussen de shows in met zowel Louis als mij. Toen ik aan het eind van de jaren ’50 in Las Vegas speelde, kwam mijn vrouw me opzoeken en stelt u zich mijn verbazing voor toen ik vernam dat zij en mevrouw Fitzpatrick samen aan het prediken waren geweest! Later vroeg Ida mij: „Mister Young waar wacht u op? Met de kennis die u van de bijbelse waarheden hebt, is het gevaarlijk om niet te handelen naar hetgeen u weet.”
Telkens wanneer ik terug was in Los Angeles, hervatte ik mijn bijbelstudie en ging met mijn gezin naar de vergaderingen. Mijn vrouw was ondertussen een gedoopte Getuige geworden en ook mijn dochter studeerde. Ik was onder de indruk van de vriendelijkheid die de Getuigen Sally en onze dochter Andrea betoonden; ze kwamen altijd kijken of alles met hen in orde was, omdat ze wisten dat ik meestal op tournee was.
Ik maak me vrij
Maar toen, begin 1964, gebeurde er iets dat me een geweldige schok gaf. Ver van huis kreeg ik mijn vrouw aan de telefoon die mij vertelde dat ze ziek was. Altijd wanneer ik weg wilde, kreeg ik meer geld aangeboden. En ditmaal ging het net zo. Maar nu kon niets mij meer weghouden van de mensen die mij het meest dierbaar waren.
Ik bad tot Jehovah God en ik weet dat hij degene is geweest die mij de kracht heeft gegeven om weg te gaan. Dit viel bij de sponsors van het orkest in slechte aarde. Ze waren zelfs woedend. Geld had mij altijd kunnen „overreden”. Maar nu niet meer! Mevrouw Fitzpatrick had maar al te zeer gelijk gehad. Waar had ik op gewacht? Ik had geen acht geslagen op de bijbelse spreuk: „Het verkrijgen van wijsheid — o hoeveel beter is het dan goud! En het verkrijgen van verstand is verkieslijker dan zilver.” — Spr. 16:16.
Snel keerde ik terug naar Los Angeles, waar ik opnieuw in alle ernst de bijbel begon te bestuderen. En ten slotte gingen mijn ogen werkelijk open voor de dwaze wijze waarop ik had gehandeld door mijn trombone en het geld tot mijn afgoden te maken! Het was een ontstellende ontdekking te zien hoe ik mijn gezin had verwaarloosd. Na veel diepgaand zelfonderzoek werd ik een paar maanden later als een van Jehovah’s Getuigen gedoopt.
Sally werd steeds zieker en na tal van onderzoekingen kwam aan het licht dat zij kanker had. Dat was een verschrikkelijke slag! We maakten plannen om naar Hawaii terug te gaan, maar de dokter stond erop dat ze onmiddellijk in het ziekenhuis werd opgenomen en kobaltbestraling zou ontvangen. Tegen augustus 1964 was haar behandeling beëindigd. En nadat ze uit het ziekenhuis was ontslagen, ging ik telkens voor controle met haar terug.
Ik kan eerlijk zeggen dat die periode de zwaarste tijd in mijn leven is geweest. Het bracht mij echter wel tot het inzicht hoe ijdel de zucht naar roem en rijkdom is, vergeleken met de werkelijk belangrijke dingen in het leven. Tot wie richtte ik mij toen Sally ziek was geworden? Tot Jehovah God, door middel van het gebed. En hoe blij ben ik nu te beseffen dat een intieme verhouding tot hem van veel en veel grotere waarde is dan alle materiële bezittingen!
Later nam ik mijn gezin mee terug naar Hawaii. Mijn vrouw herstelde en maakt het tot op de dag van vandaag uitstekend.
Gelukkiger dan ooit tevoren
Al jaren heb ik nu hier in een van de grotere hotels in Honolulu een eigen orkestje. Maar muziek komt nu na de geestelijke belangen op de tweede plaats. Verscheidene leden van mijn orkest zijn reeds op mijn aanbod ingegaan om de bijbel te bestuderen, en een van hen is nu ook een Getuige. Onze dochter is gelukkig getrouwd met een Getuige. En mijn vrouw en ik bezoeken geregeld de gemeentevergaderingen met onze medechristenen, terwijl we ook deelnemen aan het openbare getuigeniswerk om anderen te vertellen over de grootse zegeningen die Gods koninkrijk spoedig voor de mensheid zal brengen.
Voor muziek verlaat ik Honolulu nog maar zelden, hoewel ik reeds tal van aanbiedingen heb gehad. Ik ben wel ingegaan op een uitnodiging van het Smithsonian-Instituut, van de afdeling Uitvoerende Kunsten, waar men vorig jaar september een zes uur durend interview over mijn leven en carrière op de band zette.
Wanneer ik nu terugkijk op mijn tournees met Louis Armstrong, is er één ervaring die me nog altijd sterk is bijgebleven. Dat was tijdens een optreden in Japan in 1961. Hoewel ik geen Getuige was, sprak ik tot een groep jonge musici over de christelijke activiteit van de Getuigen. Wat ik zei, raakte gevoelige harten, en ik vernam later dat verscheidene leden van die groep Getuigen zijn geworden.
Ik spreek vaak tot jonge aspirant-musici en dring er dan bij hen op aan: „Bereken de kosten.” Wanneer iemand net als ik toelaat dat muziek zijn leven gaat beheersen, kan hem dat ruïneren. Alleen door juiste maatstaven te hanteren, kan men werkelijk geluk verwerven. Wat ben ik dankbaar dat ik daar uiteindelijk toe in staat was! — Ingezonden.
[Illustratie op blz. 13]
Twaalf jaar heb ik met Louis Armstrong samengewerkt