De praktische codex
IEDER jaar worden er miljoenen en miljoenen boeken gedrukt. Alleen in de drukkerij van het Wachttorengenootschap in Brooklyn, New York, beloopt de wekelijkse produktie vaak al één miljoen gebonden boeken. Nu boeken in onze tijd zo’n algemeen artikel zijn, kunnen we ons wellicht moeilijk meer voorstellen dat er in de menselijke geschiedenis een tijd is geweest waarin men geen boeken kende. Niettemin was dat eeuwenlang het geval.
Pas nadat er ongeveer vierduizend jaar van menselijke geschiedenis verstreken waren, kwam de codex, de voorloper van het moderne boek, algemeen in gebruik. Voordien gebruikte men papyrus- of perkamentrollen in plaats van boeken.
Rollen stonden duidelijk bij de codex in het nadeel. Wilde men een bepaald punt in een slotgedeelte van een rol opzoeken, dan kon het wel nodig zijn de rol zeven of tien meter, of zelfs nog wel verder, af te rollen. Dit verklaart misschien waarom aanhalingen die oude wereldse schrijvers uit andere bronnen deden, vaak zeer onnauwkeurig zijn. In plaats van zich al de moeite te geven een rol af te rollen en te proberen de aanhaling te vinden, gingen zij waarschijnlijk liever op hun geheugen af door het citaat uit het hoofd op te schrijven.
De codex was veel praktischer dan de boekrol. Hoewel er, om de vier Evangeliën te kunnen bevatten, een boekrol van wel 32 meter nodig zou zijn, kunnen ze alle vier gemakkelijk in één compacte codex opgenomen worden. Omdat er op afzonderlijke bladzijden geschreven werd, en niet slechts op één lange rol met talloze kolommen, kon men bepaalde verklaringen gemakkelijker terugvinden. Een codex bevatte gewoonlijk tweemaal zoveel informatie als een boekrol van dezelfde hoeveelheid papyrus of perkament. Dit kwam omdat de rollen gewoonlijk slechts aan één kant beschreven waren, terwijl de bladen van de codex aan weerskanten werden beschreven. De codex was dus economischer dan de boekrol.
Ontwikkeling van de codex
Wat de ontwikkeling van de codex aangaat, biedt het Latijnse woord waarvan de term „codex” is afgeleid, een aanknopingspunt. Het woord komt namelijk van het Latijnse caudex en betekende oorspronkelijk boomstam. Later werd de term toegepast op houten tafeltjes die eerst met was bestreken en daarna beschreven werden. Na verloop van tijd werden zulke afzonderlijke tafeltjes met behulp van koorden of ringen bijeengebonden, en de aldus verzamelde tafeltjes kwamen als een codex bekend te staan.
Uiteindelijk begonnen de Romeinen perkament in plaats van het met was bestreken hout als schrijfmateriaal te gebruiken. Zulk perkament werd membrana genoemd, dat wil zeggen, „huid (bewerkt om op te schrijven)”. Tegen de eerste eeuw G.T. was membrana klaarblijkelijk algemeen in gebruik. De apostel Paulus verzocht Timótheüs bijvoorbeeld „de boekrollen, vooral de perkamenten [Grieks, membranas]” voor hem mee te brengen. Met de verandering in schrijfmateriaal vond de ontwikkeling van de codex snel voortgang. — 2 Tim. 4:13.
De eerste codices hadden verschillende vormen. Eén codexvorm bestond uit een dikke katern (een verzameling dubbelgevouwen vellen), die in de middenvouw aan elkaar werden genaaid. Wanneer deze codex gesloten werd, staken de middelste bladzijden echter uit en moesten derhalve bijgesneden worden. Het bezwaar van deze codexvorm was dan ook dat de middelste bladzijden opmerkelijk smaller waren dan de buitenste bladzijden.
De codexvorm die echter populair werd, was de codex die uit meerdere katernen bestond. Een katern van acht tot tien bladen (vier of vijf dubbelgevouwen vellen) bleek zich het beste voor inbinding te lenen. Deze combinatie beperkte de verschillen in paginagrootte tot een minimum. De vellen van iedere katern werden aan elkaar genaaid, de verschillende katernen tussen de omslag opgestapeld en vervolgens ingebonden, waarna de codex gereed was. Ook de moderne boeken bestaan uit een verzameling van katernen.
Vroege christenen aanvaarden de codex
Christenen gebruikten in ieder geval tot omstreeks het eind van de eerste eeuw G.T. hoofdzakelijk boekrollen. De apostel Johannes verwees naar het boek Openbaring, dat hij omstreeks 96 G.T. schreef, als een „boekrol”. — Openb. 22:18, 19.
Niet lang daarna namen de christenen de codex over om de geschriften die te zamen de christelijke Griekse Geschriften vormden, in één geheel te bewaren. Archeologische vondsten duiden erop dat de vroege christenen de codex op grotere schaal gebruikten dan andere mensen. Het aantal boekrolfragmenten dat men van derde eeuwse klassieke geschriften gevonden heeft, bedraagt bijvoorbeeld 291, tegen slechts 20 codexfragmenten uit diezelfde periode. Maar het aantal codexfragmenten van de christelijke geschriften bedraagt 38, tegen misschien 9 boekrolfragmenten.
De eerste christenen hadden er goede reden voor het gebruik van de codex over te nemen. Jezus Christus had zijn volgelingen immers de volgende opdracht gegeven: „Maakt discipelen van mensen uit alle natiën, . . . en leert hun onderhouden alles wat ik u geboden heb” (Matth. 28:19, 20). Wilden deze christenen discipelen maken en onderwijzen, dan moesten zij de heilige Geschriften gebruiken. De compacte, gemakkelijk hanteerbare vorm van de codex vereenvoudigde hun onderwijs, aangezien zij daarin gemakkelijker passende schriftgedeelten konden vinden.
De gewoonte om bij het christelijke onderwijzingswerk, ten einde discipelen te maken, op uitgebreide schaal de Schrift te gebruiken, is in de eerste eeuw G.T. ontstaan. Over het schriftgebruik van de apostel Paulus lezen we in Handelingen 17:2, 3: „Paulus dan ging volgens zijn gewoonte daar naar hen toe, en drie sabbatten achtereen redeneerde hij met hen aan de hand van de Schriften, waarbij hij door middel van verwijzingen verklaarde en bewees dat de Christus moest lijden en uit de doden moest opstaan.” Ook degenen die onderwijs kregen, werden geprezen omdat zij dingen in de Heilige Geschriften nagingen. Zo lezen we: „De laatsten nu [de Bereeërs] waren edeler van geest dan die in Thessaloníka, want zij namen het woord met de grootste bereidwilligheid des geestes aan en onderzochten dagelijks zorgvuldig de Schriften of deze dingen zo waren” (Hand. 17:11). Voor het navolgen van deze voortreffelijke voorbeelden, bleek de codex veel handiger.
En net als de vroege christenen een verstandig gebruik van de codex maakten, hebben Jehovah’s christelijke getuigen in moderne tijd zich ook moderne methoden ten nutte gemaakt om de Koninkrijksboodschap te verbreiden. De gedrukte bladzijde speelt daarom thans een belangrijke rol bij de verbreiding van Gods waarheid tot de meest afgelegen delen der aarde.