Aanspraak maken op Romeins burgerschap
● In de eerste eeuw G.T. werd het Romeins burgerschap zeer op prijs gesteld. Een staatsburger van Rome genoot namelijk bepaalde waardevolle rechten en een mate van onschendbaarheid. Men mocht hem bijvoorbeeld niet geselen of martelen om een bekentenis af te dwingen.
De christelijke apostel Paulus maakte gebruik van zijn rechten als Romeins staatsburger, en men geloofde hem op zijn woord toen hij daar aanspraak op maakte. Waarom aanvaardden de ambtenaren de verklaring van Paulus zonder na te gaan of die juist was? (Hand. 16:37, 38; 22:25-29) Omdat het zeer onwaarschijnlijk was dat iemand daar ten onrechte aanspraak op zou maken aangezien dat een overtreding was waar de doodstraf op stond. De oude geschiedschrijver Suetonius schreef met betrekking tot de regering van keizer Claudius: „Nu werd het voor buitenlanders onwettig om de naam van een Romeinse familie aan te nemen, en iedereen die zich wederrechtelijk de rechten van een Romeins staatsburger toeëigende, werd op de Esquilijn (een van de zeven heuvelen van Rome) terechtgesteld.”