Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g77 22/7 blz. 9-12
  • De verbreiding van het „goede nieuws” in Botswana

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De verbreiding van het „goede nieuws” in Botswana
  • Ontwaakt! 1977
  • Onderkopjes
  • Het overwinnen van de communicatiebarrière
  • Naar de „Kgotla”
  • Hij danste van vreugde
Ontwaakt! 1977
g77 22/7 blz. 9-12

De verbreiding van het „goede nieuws” in Botswana

Door Ontwaakt!-correspondent in Zuid-Afrika

HET gebrul van een leeuw wekte ons uit onze slaap. Vier hoofden verhieven zich van hun kussen en staarden in het duister van het ons omringende woud. Een van ons kroop uit zijn slaapzak en gooide nieuw hout op de sintels van het uitdovende vuur. Spoedig waren we weer allen in slaap.

Maar bij het aanbreken van de dageraad, was daar opnieuw het leeuwegebrul, ditmaal veel dichterbij. We besloten dat het tijd was om op te staan en maakten bij de voorbereiding van het ontbijt zoveel mogelijk lawaai, om niet het ontbijt van de leeuw te worden, want daarvoor waren we niet helemaal hierheen gekomen.

Waarom we daar in de wildernis van Botswana, in Zuidwest-Afrika vertoefden? Wel, het begon allemaal enkele maanden daarvoor, toen mijn vrouw en ik met nog enkele andere Getuigen van Jehovah spraken over een reis die we wilden maken dwars door de Kalahari-woestijn van Botswana, in noordwestelijke richting naar de Okavango-delta, om daar met de vele geïsoleerd wonende Afrikaanse mensen te spreken over het „goede nieuws” uit de bijbel. — Matth. 24:14.

Zo’n tocht vereist zorgvuldige voorbereiding. De eerste week zou deze reis ons door een verlaten woestenij voeren, zodat we voldoende drinkwater bij ons moesten hebben. Tijdens dat deel van onze tocht zou het wassen zich moeten beperken tot een tweemaal daags afspoelen van de handen en het gezicht met slechts één kopje water voor elk.

Maar na die droge week zouden we bij het Xau-meer op de monding van de Botletle stuiten, een rivier die we van daaraf tot zijn oorsprong zouden volgen, tot in de Okavango-delta — een driehoekig gebied van 18.600 vierkante kilometer met rivieren, moerassen en bossen — zodat we verder over voldoende water zouden beschikken. Onze tocht zou een rondreis van ongeveer 2000 kilometer worden.

We verwachtten vier weken onderweg te zullen zijn, en overwogen daarom zorgvuldig wat we wel en niet aan voedingswaren moesten meenemen. Uien, aardappelen, rijst en maïsmeel gingen in flinke hoeveelheden mee, ook een voorraad eieren (die we in het maïsmeel begroeven om beschadiging tijdens de hotsende reis te voorkomen) en tevens wat blikken met onder andere gedroogde groenten. Aan brood besloten we alleen donker roggebrood mee te nemen, zoals dat hier in enkele Duitse speciaalzaken te koop is; we dachten dat dat wel vers zou blijven al die tijd, en in die verwachting werden we niet teleurgesteld.

Bent u wel eens door een woestijn gereisd? Wel, dan ziet u echt niet enkel zandduinen. De grond waarop we reden was weliswaar zanderig, zacht en geelwit van kleur, maar ook bedekt met taai gras en verspreide bossages. Soms was de bodem bijzonder zacht en reden we in de laagste versnelling met aandrijving op alle vier de wielen. Vaak sprong er bij onze nadering allerlei wild weg. We zagen struisvogels, koedoes (gracieuze antilopen met spiraalhorens) en het hartebeest, een van de snelste antilopen, met hoge schoft en aflopende rug.

Het overwinnen van de communicatiebarrière

Een groot probleem was hoe we in contact zouden moeten komen met deze Tswana-sprekende mensen, wier taal wij niet kenden. Dat werd opgelost met cassettebandjes waarop onze schriftuurlijke boodschap door Tswana-sprekende Getuigen was vastgelegd.

Bovendien dachten we dat het een probleem zou zijn met deze geïsoleerd wonende mensen te spreken over de angstwekkende wereldgebeurtenissen die in de bijbel zijn voorzegd en over de prachtige hoop dat Gods koninkrijk spoedig over de gehele aarde vrede en zekerheid zal brengen. Wij dachten dat zij niet bekend zouden wezen met de afschuwelijke omstandigheden die in de wat dichterbevolkte streken op aarde heersen.

Maar die vrees bleek ongegrond. Altijd en overal werd er instemmend geknikt wanneer we de schriftplaats 2 Timótheüs 3:1-5 voorlazen, waarin wordt gesproken over de „kritieke tijden” die de „laatste dagen” van het huidige samenstel van dingen zouden kenmerken. Al spoedig bleek ons dat zelfs de geïsoleerde gemeenschappen in Zuidwest-Afrika niet van zulke omstandigheden gevrijwaard waren gebleven.

De bewoners van de dorpen en de veekampen waar we kwamen, ontvingen ons altijd met grote vreugde. Hoewel velen van hen wel over de bijbel hadden gehoord, hadden maar weinigen er ooit één gezien of eruit horen voorlezen. De christenheid had op deze plaatsen nog geen kerken gesticht.

En hoe groot was hun waardering wanneer zij via de bandrecorder de bijbelse waarheid in hun eigen taal konden vernemen. We merkten op dat verschillenden aantekeningen op hun onderarm maakten om een bepaalde schriftplaats of een ander punt dat ze hadden gehoord, te onthouden.

Naar de „Kgotla”

Na aankomst bij een dorp gingen we altijd eerst naar de Kgotla — de ontmoetingsplaats van de dorpsraad van ouderen. Na ons aan de hoofdman en enkele van zijn aanwezige raadslieden te hebben voorgesteld, lieten we een boodschap op een band afdraaien welke besloot met een aanbieding van lectuur in de Tswana-taal. Degenen die we op de Kgotla ontmoetten, spraken meestal wel Engels, zodat we de gelegenheid hadden hun bijbelse vragen te beantwoorden en te tonen hoe onze boeken mensen persoonlijk konden helpen antwoorden op hun bijbelse vragen te ontvangen en ook hoe ze als basis konden dienen voor een gezins- of groepsbespreking van de bijbel.

Daarna gingen we dan met toestemming van de hoofdman het dorp door, waar we de opgenomen boodschap voor groepjes van tien tot twintig personen afspeelden. We stelden speciale pogingen in het werk om contact met schoolonderwijzers te krijgen en die waren erg in hun schik met de bijbelse lectuur die ze konden verkrijgen. De regering van Botswana heeft zich ten doel gesteld de bevolking overal onderwijs te verschaffen, en dus troffen we in elk dorp wel een school aan, bemand met jonge mannen en vrouwen die hard werkten om de kinderen daar geestelijk te ontwikkelen. Wat was het opwindend omringd te zijn door soms wel vijftig gretig luisterende gezichtjes, die om strijd vroegen wat er in de bijbel stond en hoe gauw de onderwijzer hen eruit zou voorlezen!

In grote dorpen was het soms niet gemakkelijk de Kgotla te vinden. Eén keer besloten we daarom maar meteen de band te laten draaien voor de groep die ons omringde. Maar we waren nog maar net begonnen toen er een jonge politieman op een fiets arriveerde. „Wat doet u?” wilde hij weten. We trachtten het hem uit te leggen, maar hij bleef achterdochtig. „Jullie moeten met me mee”, eiste hij; en dat deden we. Achter zijn fiets aan gingen we naar het politiebureau, waar onze paspoorten nauwkeurig werden gecontroleerd en we, soms wel een paar keer opnieuw, allerlei vragen moesten beantwoorden.

Het leek allemaal weinig te baten, maar toen ging de deur van een kantoor open en de politiecommissaris kwam naar buiten om te zien wat er aan de hand was. Toen hij ons hoorde vertellen dat we bezig waren het „goede nieuws” te prediken, kwam er een brede glimlach op zijn gelaat. Hij zou dat „goede nieuws” graag eens willen horen.

De commissaris meende dat ook zijn manschappen wel voordeel zouden kunnen trekken van wat we te vertellen hadden en daarom nodigde hij ons uit op zijn kantoor, waar de gehele verzamelde politiemacht de band aanhoorde. De politiefunctionaris luisterde aandachtig en met grote belangstelling, nam gretig een exemplaar van het boek Ware vrede en zekerheid — Uit welke bron? en vond dat ook de agenten en de brigadier dat maar moesten doen — hetgeen gebeurde. Daarop vroeg hij of we nog andere lectuur hadden. We draaiden een bandje af met een aanbieding van het boek Naar de grote Onderwijzer luisteren, een voortreffelijk bijbels hulpmiddel voor ouders om hen bij het onderwijzen van hun kinderen te helpen. Hij nam ook een exemplaar van dat boek en vertelde dat zijn vrouw de plaatselijke onderwijzeres was. Zij zou het ongetwijfeld een nuttig boek vinden.

Hebt u ooit een stadsomroeper gezien? Ik verkeerde in de stellige overtuiging dat dat beroep al lang was uitgestorven. Maar op een ochtend zagen we een stadsomroeper in optima forma, die ons bovendien nog bijzonder van dienst bleek.

We kwamen op een avond erg laat aan in een bepaald dorp, nog net op tijd om in allerhaast het hoofd op te zoeken. Op diens voorstel kwamen we de volgende ochtend om acht uur terug, want dan, zo had hij beloofd, zou het hele dorp bijeengetrommeld zijn om ons aan te horen. Maar om negen uur waren er nog maar vijf personen.

Daarom gaf het dorpshoofd de omroeper opdracht zijn verzoek kracht bij te zetten. Allen moesten zich verzamelen. Deze dorpsomroeper gebruikte geen bel om de aandacht van de mensen te trekken, maar schreeuwde in een lege oliebus. Wat was zijn boodschap? Na een blik op de titels van de boeken in onze hand te hebben geworpen, begon hij aan zijn ronde door het dorp met de roep: „Kom en hoor de waarheid!” Die opzienbarende aankondiging had de gewenste uitwerking, want spoedig was er een hele menigte met wie wij de bijbelse waarheden konden delen.

Hij danste van vreugde

In Shakawe, in het uiterste noorden van Botswana, hadden wij een ongewone, maar geweldige ervaring. Een tijdlang was daar een groepje geweest die belangstelling had gehad om met Jehovah’s Getuigen de bijbel te bestuderen. Maar die groep was uiteengevallen en na januari 1969 was alle contact ermee verbroken. We hadden slechts de namen van twee personen die eens met die groep verbonden waren geweest, en onze bedoeling was eventueel via hen weer andere geïnteresseerde personen op te sporen. Maar het vinden van die twee personen bleek moeilijker dan we hadden verwacht.

Eerst begonnen we te informeren bij het politiebureau. De eerste naam kenden ze niet, maar de tweede wel. Een man met die naam, zo vertelden ze ons, had Shakawe verlaten en was naar een dorp in het zuiden gegaan, waar hij predikant was geworden. Toen we dat hoorden, hadden we onze hoop alleen nog maar gevestigd op het vinden van de eerste man. We informeerden naar hem bij de winkel en ten slotte bij het belastingkantoor, waar men ons al onze hoop ontnam, want het bleek dat die man Shakawe al zeven jaar geleden verlaten had.

Maar terwijl onze inlichter het papier bekeek waarop de namen geschreven stonden, zag hij ook de naam van de tweede persoon, de zogenaamde predikant. „Die man woont naast de school”, zei hij, „dat is de timmerman.” Verrast over deze keer in de gebeurtenissen, gingen we weer op pad. Toen we het huis van de man hadden gevonden en hij zelf naar voren was gekomen, rees aanvankelijk zijn achterdocht omdat we zijn naam kenden, zodat het gesprek erg stroef verliep. Daarom namen we maar de toevlucht tot de tape die ons voorstelde als zijnde „Basupi Ba Ga Jehofa” (Jehovah’s Getuigen).

Toen hij dat hoorde, kwam er een grote verandering in zijn houding. Zijn gezicht begon te stralen; de tranen liepen over zijn wangen en hij danste van vreugde. Toen wisten we dat we de man gevonden hadden naar wie we zochten. Maar wat was zijn verhaal?

Op een keer toen hij weg was voor een bezoek in Angola, was de andere persoon, die de organisatie van de bijbelstudiegroep in Shakawe in handen had, verhuisd. De groep was uiteengevallen en de man die we nu hadden opgespoord, wist niet met wie hij in contact moest treden om hem verder te helpen zijn leven in overeenstemming te brengen met de schriftuurlijke vereisten. Hij had constant om hulp gebeden. Terwijl we naar hem luisterden, voelden we ons diep bewogen door zijn grote geloof in Jehovah, de God die gebeden verhoort (Ps. 65:2). De problemen van onze reis, onze vermoeidheid, alles smolt weg toen we ons realiseerden wat een voorrecht het was zo’n persoon te mogen opsporen.

Ook voor onszelf was de hele expeditie bijzonder lonend. Goede dingen met anderen te mogen delen, schenkt grote vreugde, vooral wanneer ze met waardering worden ontvangen. Het staat me nog helder voor de geest hoe in een bepaald dorp een al wat oudere man op ons toeliep, ons de hand schudde en zei: „Kwamen jullie helemaal hierheen om ons dat te vertellen? Dat is vriendelijk, dat is heel erg vriendelijk.”

Behalve die vreugde, leefde er in ons hart echter ook bezorgdheid. Tijdens onze tocht konden we maar een beperkt aantal mensen bereiken. En de noodzaak geregeld met deze mensen bijbels onderricht te delen, is bijzonder groot. We vroegen ons daarom af of het voor enkele Getuigen van Jehovah niet mogelijk zou zijn ergens in Botswana aan werk te komen, misschien in de diamantmijnen die we zijn gepasseerd. Dat zou hun de gelegenheid verschaffen voor de geestelijke behoeften van die bescheiden en vriendelijke bewoners van dit Afrikaanse land te zorgen. Ligt zo’n verhuizing binnen uw moeilijkheden?

[Kaarten op blz. 9]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

BOTSWANA

[Kaart]

ANGOLA

CAPRIVI-STROOK

Okavango-delta

SHAKAWE

ZUIDWEST-AFRIKA

MAUN

Botletle

Ngami-meer

Xau-meer

FRANCISTOWN

SEROWE

RHODESIË

BOTSWANA

ZUID-AFRIKA

N

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen