Antarctica, ’s werelds grootste „ijskast”
STELT u zich eens voor dat u de deur zou opendoen van een ijskast die duizenden jaren gesloten is geweest en dan op elk rek iets zou ontdekken dat nog nooit door mensenogen was aanschouwd! Deze fantasie werd werkelijkheid toen mensen ongeveer 160 jaar geleden voor het eerst een bezoek brachten aan Antarctica of het Zuidpoolgebied, de grootste „ijskast” ter wereld, en die ontsloten voor de moderne beschaving.
Astronauten die om de aarde hebben gecirkeld, weten te vertellen dat de ijskap van Antarctica het meest opvallende kenmerk van onze wereldbol is. Hij beslaat dan ook een oppervlakte van ruim 14.000.000 vierkante kilometer, en is daarmee groter dan de Verenigde Staten en Midden-Amerika bij elkaar. Geleerden hebben ontdekt dat de dikte van de ijskap bijna 2000 meter bedraagt en er meer dan 90 percent van de totale ijshoeveelheid ter wereld ligt opgehoopt. Slechts 5 percent van het landgebied van Antarctica is zichtbaar, de rest is met ijs bedekt. Zou al dat ijs smelten, dan zou het niveau van de oceanen met 45 tot 60 meter stijgen en zouden bijgevolg elke haven en alle lage kuststreken onder water komen te staan.
Ontdekking en in gebruikname
In het midden van de achttiende eeuw dreef ’s mensen ontdekkingszucht hem in zuidwaartse richting. Nog maar een paar jaar daarvoor was het grootste deel van het zuidelijk halfrond onbekend gebied. Vanwege de enorme afstanden kon niemand zelfs antwoord geven op de eenvoudige vraag of het hoofdzakelijk uit land of uit water bestond.
In 1772 begon de ontdekkingsreiziger kapitein James Cook aan een reis van drie jaar naar verre zuidelijke breedten. IJs belette hem verder te gaan en hoewel hij het continent helemaal omvoer, zag hij het eigenlijke vasteland van Antarctica nergens. Tussen 1800 en 1821 vingen robbenjagers en ontdekkingsreizigers glimpen op van eilanden en delen van het schiereiland en misschien zelfs van de ijsmassa’s van het eigenlijke continent. Later droegen de Amerikaanse marine-officier Ch. Wilkes en de Britse ontdekkingsreiziger James Ross veel tot de belangstelling voor en de kennis van Antarctica bij, en baanden daarmee de weg voor verdere onderzoekingen. Robert Scott, een Britse ontdekkingsreiziger, drong in 1903 tot op 925 kilometer van de Zuidpool door, waarna het ten slotte op 14 december 1911 de Noor Roald Amundsen gelukte de Pool daadwerkelijk te bereiken. Ongeveer een maand later volgden Scott en zijn vier metgezellen, die echter bij de terugreis op het Ross-IJsplateau om het leven kwamen. Hoe moeilijk het wel is de Pool te bereiken, moge blijken uit het feit dat het tot 1957-58 duurde voor een nieuwe groep hierin slaagde. En toen gingen ook eindelijk pas de grote deuren van de grootste „ijskast” ter wereld open. Wat ontdekte men?
Weeronderzoekingen
De openlegging van het Zuidpoolgebied was voor de geleerden een verrukking, aangezien dit continent zo geheel anders is dan andere continenten. Terwijl het Noordpoolgebied hoofdzakelijk uit oceaan bestaat, bestaat Antarctica voornamelijk uit land. Dat verklaart ook ten dele het koudere klimaat. De koudste temperatuur op aarde (88,3° Celsius onder nul) werd in augustus 1960 op de Russische basis Vostok gemeten. En zelfs tot op deze dag is Antarctica het enige continent waar de mens niet onafhankelijk van hulpbronnen van buitenaf in leven kan blijven.
Het weer in het Zuidpoolgebied is van invloed op het weer over de gehele aarde. Geleerden hebben ontdekt dat deze reusachtige „ijskast” meer kou produceert dan enig ander gebied ter wereld. De ijzige lucht stroomt langs de hellingen van de poolkap naar de kust en bereikt daar snelheden van 225 tot 235 kilometer per uur. Ze vormt bij het onderzoek van de pool de meest belemmerende factor. Deze koude lucht vervolgt daarna haar weg over Chili en Argentinië en gedeelten van Australië en Nieuw-Zeeland en draagt aldus sterk tot de „air conditioning” van ons tehuis de Aarde bij.
De Antarctische Oceaan maakt deel uit van de ene grote oceaan die in feite de aarde omhult. Hij vermengt zich met de Atlantische, de Grote en de Indische Oceaan, maar bezit aan de andere kant ook geheel eigen, bijzondere kenmerken. Het water is kouder en minder zout dan de noordelijker gelegen oceanen. Het koude zuidpoolwater beweegt zich naar het noorden, zakt dan bij de zogenaamde „antarctische convergentie” (waar het Zuidpoolwater tegen het warmere noordelijke water stuit) onder het andere, warmere water en beweegt zich daarna tot ver voorbij de evenaar voort. Het water dat in het westelijke deel van de andere oceanen naar het zuiden stroomt, botst tegen de poolwateren op en stroomt dan oostwaarts; dit is de zogenaamde westenwinddrift, die tussen de 47° en 61° zuiderbreedte in een grillige loop om het hele zuidpoolgebied cirkelt. Oceanografen meten de stroomsnelheid, het mineraalgehalte, en de temperatuur op verschillende diepten en zenden geluidsgolven uit om door terugkaatsing de bodemdiepte te meten. Deze metingen gekoppeld aan inlichtingen over de windstromingen en de gletsjer-activiteit blijken waardevolle inlichtingen voor de meteorologie en andere wetenschappen te verschaffen.
Plante- en dierenleven
In de ijskastachtige koude kunnen maar weinig planten en dieren leven. En vanwege de lange Zuidpoolnacht verkeren de 800 soorten planten — korstmossen, mossen, zoetwateralgen, bacteriën, gisten en schimmels — lange tijd achtereen in een sluimertoestand. Maar tijdens de korte zomerperiodes van enkele dagen, weken of één à twee maanden worden ze vrijwel onmiddellijk fotosynthetisch.
Zo schaars als echter het planteleven is, zo overvloedig is het dierenleven. Hoewel: het aantal land-soorten is gering en de vertegenwoordiger weinig in getal. Bijna alle dieren ziet men aan de rand van het ijsplateau of in het water, waar ze in de oceaan leven of daaruit hun voedsel betrekken. De enige dieren die op het land voedsel en beschutting vinden, zijn enkele microscopisch kleine soorten, te zamen met wat insekten en spinnen. De grootste van deze soorten is een vlieg, een familielid van de gewone huisvlieg, met een lengte van circa 3 millimeter. Behalve de niet-vliegende pinguïns zijn er aan vogels de Grote jager en de Antarctische stormvogel, en op de eilanden: sternen, albatrossen, aalscholvers, meeuwen en andere vogels, die soms wel tot diep in het Antarctische binnenland doordringen.
De Noordse stern is de beste navigator ter wereld. Zes maanden van het jaar brengt hij door aan de Zuidpool en zes maanden aan de Noordpool, zodat hij per jaar tweemaal een tocht van 17.700 kilometer moet maken om van de zomers in die twee uiterste gebieden op onze globe te genieten. Zo slaagt hij erin om bijna altijd zon te hebben.
Vijf van de zeventien variëteiten pinguïns die er bestaan, treft men hier aan. De Adélie-pinguïn en de keizerpinguïn zijn de enige soorten die op het continent broeden. De Adélie-pinguïn, ongeveer 40 cm groot en met een gewicht van tussen de 4,5 en 7 kilo, schijnt zich met behulp van een biologisch klokmechanisme op de zon te oriënteren.
Onverwoestbaar lijkt de keizerpinguïn, de grote broer van de Adélie-pinguïn, die tot het uiterste bestand blijkt tegen de ijskasttemperaturen van de Zuidpool. De vrouwtjes van deze statige, bijna 1,20 meter grote vogels leggen hun ene ei in het hartje van de winter — waarbij ze zich naar de donkerte van het koude zuiden richten. Bijna zodra een vrouwtje haar ei heeft gelegd, plaatst ze het zorgvuldig op de gezwemvlieste poten van vader en laat dan verder aan hem de verantwoordelijkheid over het ei uit te broeden. Zelf gaat ze naar het noorden, naar de zee, om daar voedsel te verzamelen en, wanneer ze terug is gekomen, klaar te zijn om het jong te voeden — hetgeen ze doet door oprisping van het voedsel dat ze gegeten heeft. Ondertussen gaat de vader-in-spe een periode van volledige vasten in, twee maanden lang, terwijl het ei lekker warm op zijn poten ligt, onder een buikplooi van zijn huid. De keizerpinguïn is de enige vogel die niet meegaat met het zich noordwaarts bewegende ijsveld, maar achterblijft in de orkaanharde winden van de koude, donkere poolnacht van zes maanden, onder omstandigheden waarbij aan nestbouw niet te denken valt.
In de ijzige wateren rond het Zuidpoolgebied treffen we miljoenen robben aan van uiteenlopende soort. Deze dieren zijn van een isolerende vetlaag voorzien en voelen zich volkomen thuis in hun koude milieu; die vetlaag vormt tevens een voedselreserve en draagt tot hun drijfvermogen in het water bij. Zij beschikken in de visrijke Zuidpoolwateren over een overvloedige voedselbron, net als trouwens diverse walvissoorten die hier tussen uitgestrekte en dichte lagen plankton een goed bestaan hebben. Vlak bij de bodem leeft een heel specifieke antarctische fauna — zeedieren die voor 90 percent nergens anders ter wereld voorkomen.
Duikers in pakken met 13 millimeter warmte-isolatie hebben in poolwater van -2° Celsius in periodes van een uur 130 bekende antarctische vissoorten en andere vormen van onderwaterleven verzameld. Vele daarvan, zoals de octopus, hebben geen rood bloed en sommige zijn halfdoorschijnend. Andere vissen beschikken over rood bloed dat bij extreem lage temperaturen niet bevriest. Onlangs ontdekte een duiker aallarven van 1,2 tot 1,5 meter lang — twintig maal zo groot als welke pasgeboren aal maar ook waarvan de mens het bestaan wist.
Van oktober tot februari is het weer gematigd van karakter — voor Antarctica tenminste, want nooit stijgt de temperatuur tot boven het vriespunt; dat gebeurt enkel op het Antarctische Schiereiland, dat zich tot op een afstand van 966 kilometer van Zuid-Amerika uitstrekt. Tijdens die mildere periode zijn er allerhande insekten die voor enkele dagen door de warmte tot leven worden gewekt, en dan weer tot een levenloze winterslaap verkillen. Er zijn sneeuwvlooien en achtpotige mijten. Geleerden hebben ontdekt dat hun lichaam glycerol produceert, een chemische stof die soms ook door de mens als antivries wordt benut. In deze kleine insekten werkt het als een beschermende stof die ervoor zorgt dat ze de verschrikkingen van de Zuidpoolwinter overleven.
De aanwezigheid van vlooien en insekten doet automatisch vragen rijzen omtrent het bestaan van ziektekiemen. Dat er in het Zuidpoolgebied geen ziektekiemen zouden voorkomen, is een oud maar verkeerd verhaal. Het continent mag dan zo wit zijn als de binnenkant van een operatiekamer, toch hebben microbiologen 27 meter onder het oppervlak van de Zuidpool ziektekiemen ontdekt die zich daar wellicht al honderd jaar hebben bevonden. Met gezichtsmaskers voor en steriele instrumenten hebben ze geprobeerd deze negentiende-eeuwse exemplaren niet met onze twintigste-eeuwse ziektekiemen te vermengen. Deze bacteriën, waaronder staphylococcus — een soort die ernstige infectie kan veroorzaken — moeten, wanneer er echter geen verontreiniging met „moderne” ziektekiemen is opgetreden, al in 1860 in het Zuidpoolgebied hebben verkeerd. Bovendien waren deze microben in het ijs niet dood, maar kwamen ze bij verwarming in het laboratorium weer tot leven.
De extreme koude en droogte van de antarctische atmosfeer heeft echter wel een goed conserverend effect. De Encyclopædia Britannica bericht: „Een aantal gemummificeerde robben, vooral krabeters (een speciale robbesoort) zijn gevonden op bijna 50 kilometer afstand van de zee op hoogten van 900 meter, in de droge McMurdo-dalen. Aangezien ze bij hun verre wandeltocht geen voedsel meer konden ontdekken, zijn ze ten slotte gestorven, en hun leerachtige karkassen werden door de koude en de droogte van het klimaat geconserveerd.”
Een wetenschappelijk laboratorium
Antarctica zou thans beschreven kunnen worden als een laboratorium voor geleerden. Geologen zijn aan het werk om te ontdekken wat er onder de enorme dikke ijskorst verborgen ligt. Door seismische gegevens en stralingsfoto’s is men er kortgeleden achtergekomen dat de rotsbasis van het grootste deel van de bodem van Antarctica de structuur heeft van een continent en geen deel van de zeebodem vormt. Antarctica is ook, tot nu toe tenminste, gebleken het rustigste van alle continenten te zijn, dat wat de minste trillingen kent. Bijna alle delen van het Zuidpoolgebied zijn nu verkend en de meeste berggebieden zijn vanuit de lucht gefotografeerd en in kaart gebracht. Geologen, biofysici, geofysici en gletsjerdeskundigen blijven deze gebieden bezoeken en bestuderen in de hoop meer over de structuur en het milieusysteem van de gehele aarde te weten te komen.
Verschillende landen hebben Zuidpoolstations ingericht. Tien van de twaalf landen die het Zuidpoolverdrag tekenden, hebben ook ’s winters bemande stations in gebruik. Rusland bemant het station Bellinghausen op het Schiereiland. De hoofdbasis van de Verenigde Staten is het station McMurdo aan de kant van de Grote Oceaan. Het wordt door een kernreactor van energie voorzien en heeft een gemiddeld aantal bewoners van 900 in de zomer en 200 in de winter. De V.S. handhaven het hele jaar door ook enkele kleine stations rond de Zuidpool en op het Schiereiland. En hoe onherbergzaam het continent sommigen ook zal toelijken, men beschouwt het reeds als een toekomstig toeristen-eldorado. Nu al brengen toeristen een bezoek aan de wetenschappelijke stations en de pinguïnrotsen en voor skiën kan men er natuurlijk ook uitstekend terecht.
Wie weet wat deze reusachtige „ijskast” nog meer voor verrassingen in petto heeft. Er wordt veel onderzocht en geëxperimenteerd. Wellicht dat er technieken ontwikkeld kunnen worden om de rijke mineraalvoorraden aan te boren. En een onderzoek van de atmosferische omstandigheden en de omringende oceaan zal de geleerden wellicht nog verder helpen een beter begrip van het weer in alle delen van de aarde te verkrijgen. Van één ding kunnen we echter zeker zijn: dat onze antarctische „koelkast”, nu hij eenmaal „open” is, net als de koelkast bij ons thuis, steeds meer gewaardeerd zal worden.