Vrijheid verkondigen in het „Land van de vrijheid”
„LAND van de vrijheid” — dat is de betekenis van de naam Thailand. Velen herinneren zich dit land nog onder de naam „Siam” en denken dan aan een ver weg gelegen oord, bezongen in liederen, schilderachtig en exotisch, dat een groot deel van zijn charme vindt in zijn gelukkige, ongecompliceerd levende bewoners, die trots zijn op hun nationale cultuur en op het feit dat zij nooit lang door andere landen zijn overheerst, ook niet in de tijd van de grote „koloniale mogendheden”, toen de meeste van hun buurlanden onder Engelse of Franse heerschappij stonden.
En in de hedendaagse onvriendelijke wereld blijft Thailand strijden voor het behoud van zijn traditionele vrijheden. Thans wordt er echter ook een nieuw soort van vrijheid verkondigd, niet alleen neerkomend op vrijheid van onderdrukkend menselijk bestuur, maar ook vrijheid van armoede, ziekte, en zelfs van de dood! Al deze vrijheden kwamen binnen het geestelijke gezichtsbereik van de mens toen Jezus zijn discipelen vertelde: „Gij zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken.” — Joh. 8:32.
Deze „waarheid” is de krachtige boodschap die in Gods Woord de bijbel staat uiteengezet. Jarenlang leek het er echter op dat deze waarheid in het „land van de vrijheid” weinig vooruitgang maakte, vooral niet onder de grote boeddhistische bevolking. Niet dat deze boeddhisten de bijbelse boodschap gewelddadig tegenstonden, zoals de religieuze joden deden die Jezus zochten te doden (Joh. 8:36, 37). De Thaise boeddhisten zijn van nature erg verdraagzaam en hebben genoeg waardering voor vrijheid om die ook anderen te gunnen, vooral inzake religie. Er bestaat onder hen een gezegde: „Alle religies leren de mensen goed te doen”, zodat er dan ook een volledige vrijheid is om in Thailand de bijbelse waarheid te prediken — hetgeen reeds voor veel eerlijk gezinde mensen een grote zegen is gebleken.
Maar waarom heeft de verkondiging in vroegere jaren dan zo weinig succes gehad? Dat moet aan het milieu en de achtergrond van deze vredelievende mensen worden toegeschreven. Al eeuwenlang hebben zij weinig met de beroeringen in de wereld te maken gehad, zijn zij een aparte natie geweest te midden van de grote, bedrijvige wereld om hen heen, tevreden met het rustige leven langs hun klongs of waterwegen, en genietend van de overvloed aan rijst en andere produkten die de vruchtbare Thaise grond hun oplevert. Nooit hebben zij het verlangen, het uitzien naar een Messías gekend, terwijl eveneens de gedachte aan een vaderlijke God tot wie zij zich in gebed kunnen wenden, hun onbekend is geweest. Hun „Heer Boeddha”, zoals zij hem respectvol noemen, heeft nooit iets over God geleerd, en ook nooit zijn bestaan ontkend. Wanneer men hen dan ook naar God vraagt, is vaak hun eerste, eerlijke reactie „Mai koei kit” („Daar heb ik nooit over nagedacht”). Ja, wat de bijbelse waarheid betreft, is Thailand altijd een „afgelegen oord” geweest.
Verkondigers van vrijheid komen het land binnen
Is het niet opwindend over het geloof en de volharding van de apostel Paulus en zijn metgezellen te lezen, die verafgelegen landen met de bijbelse boodschap bezochten? De eerste hedendaagse getuigen van Jehovah die zuidoost-Azië binnentrokken, wachtte een vrijwel gelijke taak. Het was slechts een handjevol predikers dat begon; niettemin gingen zij op pad en doorkruisten in hun drang en verlangen het goede nieuws bekend te maken een groot deel van Azië. Tot in Thailand, Indochina, Burma en, via de Burma-Weg, zelfs tot in China drongen zij door. Zij verschilden in nationaliteit, uiterlijk en persoonlijkheid, maar niettemin waren ze makkelijk te herkennen. Waaraan? Aan de grote tassen die zij droegen, en die zij hard nodig hadden, omdat die vol boeken zaten over Jehovah’s bevrijdingsboodschap — in vele, vele talen. Het ontbrak hun ook geen van allen aan vindingrijkheid wanneer het erom ging in hun eenvoudige behoeften te voorzien, tijdens epidemieën cholera te vermijden of ’s nachts in een van ongedierte wemelend bed in slaap te komen. Zij werden geslagen, beroofd en zelfs voor dood achtergelaten, maar ze gingen door. Ze waren door alle taalbarrières haast van de buitenwereld afgesloten, maar ze bleven volharden.
De eerste Getuige van Jehovah die naar Thailand kwam, was de Engelsman Claude Goodman, die in 1931 op weg naar India het land aandeed. Hij kon slechts één week doorbrengen in het gloeiend hete Bangkok, maar in die tijd bezocht hij de mensen in de zakenwijken en liet veel lectuur in het Engels achter. Zo’n vijf jaar later kwam Frank Dewar uit Nieuw-Zeeland, die één jaar bleef en ook in het Engels getuigenis gaf, waarna hij hulp kreeg van Willi Unglaube uit Duitsland. Vervolgens kwam er een Australiër, Ted Sewell, en nog een Duitser, Kurt Gruber, die uit Penang was gevlucht om bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog internering te voorkomen. Toch was er onder de oorspronkelijke bewoners van Thailand nog steeds geen vooruitgang geboekt, terwijl er evenmin bijbelse lectuur in het Thai beschikbaar was.
Toen gebeurde het! Kurt en Willi, die een „bliksem”-veldtocht hielden door het noorden van Thailand, verschenen met hun grote tassen in Chiang Mai en . . . een boek in het Engels kwam in handen van Chomchai, de jonge en ijverige directrice van de Presbyteriaanse meisjesschool in die stad. Het was alsof er een brandende lucifer in droog hooi was gevallen. Chomchai en haar medewerkster stapten op hun fietsen om die „twee Getuigen” te vinden, die ze spoedig hadden achterhaald, waarna een urenlange discussie volgde, die hen vrijmaakte van Babylonische leerstellingen als de Drieëenheid en de leer van het hellevuur. Een paar maanden later werd een groepje, onder wie Chomchai en de voormalige bovenmeester van het Presbyteriaanse Seminarie, aan de kant van een waterval in water gedoopt. Chomchai begon bijbelse lectuur van het Engels in het Thai te vertalen, en tot op de dag van vandaag houdt ze zich nog steeds met dit werk bezig.
Moeilijkheden tijdens oorlogsjaren
Tegen 1941 leek dan ook alles gereed voor een wijdere expansie van het vrijheid aankondigende werk. Maar . . . de wereld was ondertussen in oorlog geraakt. Eerder dat jaar hadden de Japanners reeds het land bezet, waarna de Australische Getuigen het eerst werden opgepakt en voor vier jaar geïnterneerd, omdat hun land in oorlog was met Japan. Later werden ook de Duitsers gearresteerd omdat zij Jehovah’s Getuigen waren en in de landen van de Asmogendheden verboden waren verklaard. Alleen Willi Unglaube slaagde er door „onderduiken” in vrij te blijven; hij verborg zich in het hoge noorden van Thailand, waar hij moedig door de nieuwe Getuigen in dat gebied werd bijgestaan. Enkele Thaise Getuigen werden ook gearresteerd, onder wie Chomchai. Maar ondanks de Japanse bezetting deden de Thaise functionarissen alle mogelijke moeite de Thaise en Duitse Getuigen weer vrij te krijgen.
Tegen 1947 waren de communicatielijnen met de buitenwereld weer open, en stroomde er weer bijbelse lectuur het land binnen. De eerste Wachttoren in het Thai begon te verschijnen — gestencild nog en in een oplage van zo’n 200 exemplaren per maand, maar hoe waardevol voor al diegenen die slechts Thai konden lezen! Tegen die tijd waren er in de vijf gemeenten die in het land waren opgericht, in totaal 65 toegewijde Getuigen bezig met de verbreiding van het goede nieuws van deur tot deur. Maar op een bevolking van vijftien miljoen mensen kon dit aantal slechts een begin zijn. Het boek „God zij waarachtig” stond op het punt in het Thai te verschijnen.
Getrainde hulp van „veraf”
De getrouwe reizende pioniers (volle-tijdwerkers) hadden hun zaaiwerk over de lengte en breedte van het land gedaan. Nu was er een ander soort van werk nodig. Zendelingen van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead in de Verenigde Staten arriveerden en begonnen de richting aan te geven van het toekomstige werk door bijbelstudies in de huizen van mensen te leiden. En naarmate deze van ver gekomen werkers de plaatselijke taal beter leerden kennen, werd ook hun werk steeds doeltreffender. De Thaise „speciale pionier”-werkers sloten zich in deze dienst bij hen aan, en na verloop van tijd begon ook de Koninkrijksbedieningsschool, een cursus die in de eerste plaats is bedoeld voor de opleiding van plaatselijke opzieners, een bijzonder nuttige functie te vervullen. Extra zendelingenwerkers van de Filippijnen kwamen rechtstreeks uit hun land naar Thailand en gaven weer nieuwe stimulans aan het werk.
En vooral vanaf 1967 heeft de verkondiging van de bijbelse waarheid in Thailand grote vorderingen gemaakt. De Getuigen predikten met een doel, verwachtten resultaten en werden niet teleurgesteld. Meer dan 40.000 van de boeken „God zij waarachtig” en Van het verloren naar het herwonnen paradijs in het Thai waren wijd en zijd in het land verspreid, en nu begonnen zowel de buitenlandse als Thaise zendelingen in het Thai te prediken èn te onderwijzen. Vermeldenswaard is hierbij dat veel van degenen die toen de bijbelse waarheid predikten, een boeddhistische achtergrond hadden. Hun ’zoeken en tasten’ naar God was beloond (Hand. 17:27). En zij kwamen te voorschijn, hier één, daar één — en hoe kostbaar waren zij!
Thaise Getuigen gaan druk aan de slag
Een van de eersten van deze groep die de bijbelse waarheid accepteerde, was een meisje dat in de buurt van de Burmese grens woonde. Ze was als boeddhiste grootgebracht, maar wilde toch meer over haar Schepper te weten komen. Na in het bezit te zijn gekomen van een bijbel en een brochure in het Thai, werd ze aangespoord door de boodschap die ze las en wilde ze een bekendmaakster worden van de waarheid die ze leerde. Met haar hele gezin had ze zich aanvankelijk bij de Presbyteriaanse Kerk aangesloten en daar gevraagd of ze voor predikante kon worden opgeleid. Maar ze ontmoette enkel verontschuldigende uitvluchten. Toen, op een dag, verscheen er een ernstige „speciale pionier”-Getuige bij haar op de stoep. Ze was al gewaarschuwd dat hij een wolf in schaapsklederen was, maar aangezien hij over de bijbel sprak moest ze wel naar hem luisteren, en nam ze van hem het boek „God zij waarachtig” in het Thai. Hij bleef aanhoudend bij haar komen en deed precies datgene waar ze zo naar verlangd had — haar de bijbel onderwijzen en tonen hoe ze een bekendmaakster kon worden van het goede nieuws. Ook zij werd een „pionier”-Getuige.
Wat meer naar beneden, in Bangkok, kwam een Thaise „pionier” aan de deur bij een jongeman die tot een typisch Chinees gezin behoorde, dat voorouderaanbidding beoefende en altijd hard werkte. Ook hij was zoekende. Opnieuw waren het de combinatie van een eerlijk hart, het boek „God zij waarachtig” en het geduldige onderwijs van de Getuige waardoor resultaten werden voortgebracht. Ondanks de gewelddadige tegenstand van het grote gezin reageerde ook deze jongeman op de bevrijdende roep die hij had gehoord en werd een „pionier”-Getuige.
In Phitsanulok, in Centraal-Thailand, was een oprechte man ouderling en predikant geworden van de Presbyteriaanse Kerk. Er ontstond echter een scheuring en zijn eigen kerk scheidde zich van de hoofdkerk af; maar elke zondag bleef hij 24 kilometer fietsen om daar te kunnen preken. Jehovah’s Getuigen namen contact met hem op en hij bestudeerde de waarheid met hen. Al heel gauw was hij overtuigd. Hij bleef zijn wekelijkse fietstocht voortzetten, maar nu om de bijbelse waarheid te prediken. De vals-religieuze symbolen verdwenen van het kerkgebouw en het werd een werkelijk bijbelstudiecentrum. Verscheidene andere leden van zijn kerk gingen met hem studeren en na verloop van tijd werden ook dezen door Jehovah’s Getuigen gedoopt.
Een Thaise Getuige die de bijbelse boodschap in Nederland leerde kennen, keerde met haar Hollandse man naar Thailand terug, en bezocht daarna haar boeddhistische familieleden die wijd verspreid in een gebied ten noorden van Phitsanulok woonden. Ze nodigde hen allen uit voor een familiereünie, overstelpte hen met bijbelse waarheden en nam hen mee naar de gemeentevergaderingen in Phitsanulok. Velen begonnen belangstelling te tonen en gingen de vergaderingen bezoeken, een reis van zes kilometer te voet over onherbergzaam terrein. Lezingen op de band werden naar hen toegestuurd, waaronder een toespraak van de kringopziener met als titel: „Wat Jehovah’s Getuigen geloven.” En toen uiteindelijk „pionier”-Getuigen hen na een vermoeiende tocht bereikten bereidden zij deze Getuigen zo’n grote vreugde dat hun vermoeidheid als bij toverslag verdween. Deze nederige mensen hadden reeds de gewoonte ontwikkeld elke maaltijd met gebed te beginnen, en hadden ook een uitgebreid gebruik van de bandopnamen gemaakt om de omgeving getuigenis te geven. Kort daarna nam de nog niet gehuwde vader van het gezin zijn acht kinderen met hem mee naar de districtsbestuurder om op wettige wijze met hun moeder in het huwelijk te treden. Beiden kwamen rechtstreeks uit Babylonische religie en hielden tevens op met roken.
Ondertussen had de Getuige uit Nederland ook naar andere familieleden bijbelse lectuur gezonden. Dezen toonden belangstelling, en gingen verhuizen om zich bij de eerste groep te voegen. Dat „verhuizen” (naar een huis dat er nog niet was) gaf geen enkel probleem. Een paar dagen werken met bamboe en bladeren en er wachtte hen een prachtige nieuwe woning!
Zo’n vijftig kilometer verderop had een jongeman van Islamitische afkomst een Thais exemplaar van het boek Van het verloren naar het herwonnen paradijs bemachtigd. In zijn geïsoleerde omgeving maakte hij er een grondige studie van en ondernam daarna een reis naar Bangkok om nog meer bijbelse lectuur te bemachtigen en ook om omgang en opleiding bij Jehovah’s volk te ontvangen. Na bij zijn vrouw op hun boerderij te zijn teruggekeerd, begon hij met grote ijver en vrijmoedigheid in een grotendeels boeddhistische gemeenschap te prediken — een gebied ook waar velen vuurwapens droegen, marihuana rookten en aan de zelfkant van de samenleving leefden. Een van de „ongure typen” daar kwam zo onder de indruk van het kalme gedrag van de nieuwe Getuige toen deze tot een gevecht werd uitgedaagd, dat hij geïnteresseerd raakte. Hij hield op met roken en begon met anderen over de waarheid te spreken. Hierdoor werd hij het mikpunt van zijn vroegere bendegenoten. Om hem uit te proberen, stalen ze eerst zijn buffels en ten slotte liep het er zelfs op uit dat hij werd doodgeschoten. Om een gewelddadige bendevete of „bloedwraak” te voorkomen, „verhuisden” de andere Getuige, zijn vrouw en andere geïnteresseerden uit de streek en voegden zich bij de groep van Jehovah’s Getuigen in de buurt. Samen bouwden zij op een heuvel een kleine Koninkrijkszaal en bouwden er hun eigen huizen omheen. Nu konden allen van vredige omgang met elkaar genieten en hun aandacht op de bevrijding van anderen richten.
In de loop der jaren heeft het heel wat hoofdbrekens gekost deze grote boeddhistische bevolking te bereiken, maar volharding heeft vruchten afgeworpen. Van de in totaal 700 ijverige Getuigen die er nu momenteel in Thailand zijn, zijn er 213 de afgelopen twee jaar gedoopt. De houding van de mensen is aan het veranderen en de zachte muur van beleefde, geestelijke weerstand brokkelt af. Wereldgebeurtenissen en politieke beroering — op de stoep en in eigen huis — brengen velen aan het twijfelen of de filosofie van Tam Dee Dai Dee (Wie goed doet, goed ontmoet) in het huidige samenstel van dingen nog wel voldoende zekerheid biedt. De waarheid — de bijbelse waarheid — moedigt velen aan positievere stappen te doen om Jehovah’s koninkrijk onder leiding van Christus Jezus te aanvaarden, opdat zij werkelijk ’vrijgemaakt’ zullen worden en het vooruitzicht mogen hebben op blijvende zegeningen op een paradijsachtige aarde.
[Kaart op blz. 12]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
CHIANG MAI
PHITSANULOK
BANGKOK