Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g77 8/7 blz. 16-22
  • Verdienen bijbelprofetieën uw vertrouwen?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Verdienen bijbelprofetieën uw vertrouwen?
  • Ontwaakt! 1977
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • EEN BELANGRIJKE PROFETIE
  • Een verdiend lot
  • De komst ervan uitstellen
  • De profetie vervuld
  • EEN LES VOOR DEZE TIJD
  • De handelwijze die nodig is
  • Pashur
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Pashur
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • „De weg des levens” of „de weg des doods” — welke van de twee?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
  • ’Uw bevrijding komt nabij’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
Meer weergeven
Ontwaakt! 1977
g77 8/7 blz. 16-22

Verdienen bijbelprofetieën uw vertrouwen?

LATEN we eens teruggaan in de tijd, naar het oude Jeruzalem van het jaar 66 van onze gewone tijdrekening, toen Nero nog keizer was van het Romeinse Rijk.

De historische berichten verschaffen ons een tamelijk nauwkeurig beeld van de situatie destijds, hoewel we natuurlijk niet op de hoogte zijn van de details uit het leven van enig specifiek gezin, dat toentertijd in Jeruzalem woonde. Maar op grond van de beschikbare inlichtingen is toch wel met een bepaalde mate van zekerheid vast te stellen hoe de houding van veel mensen daar toen was.

Het volgende verhaal is gebaseerd op gebeurtenissen die een vervulling vormden van een profetie van Jezus Christus. Zoals u zult bemerken, berust het grondpatroon van het verhaal op vaststaande feiten uit de bijbel en andere historische bronnen. Het gezin van Pashur en Abigaïl is denkbeeldig, maar de manier waarop zij reageerden vlak vóór de toen ophanden zijnde crisis, is waarschijnlijk heel typerend geweest voor een groot aantal gezinnen dat toentertijd in Jeruzalem woonde.

EEN BELANGRIJKE PROFETIE

In de drukke straten van Jeruzalem wemelt het van de mensen. Rijk geklede priesters banen zich een weg tussen gewone arbeiders door. Zelfgenoegzame rijken trekken, omstuwd door hun dienarengevolg, voorbij. De luide roep van verkopers die in de talrijke winkels hun koopwaar aanprijzen, vormt een teken van de algemene welstand. En te midden van die menigte zien we ook Pashur, een handelaar in stoffen. Hij is iemand die van het Judaïsme tot het christendom is bekeerd. Een discipel die Jezus Christus persoonlijk heeft gekend, bestudeerde met hem de Schrift en dat bracht hem ertoe een christen te worden.

Pashur was nog maar een jongen toen Christus, nu drieëndertig jaar geleden, stierf. Wat hij zich nu voornamelijk herinnert, is dat Jezus onderwerp was van veel twistgesprekken. Slechts na een beschouwing van de schriftuurlijke bewijzen was Pashur ervan overtuigd geraakt dat Jezus de beloofde Messias was. En als inwoner van Jeruzalem was zijn aandacht tevens getrokken door de profetie van Jezus over de verwoesting van Jeruzalem. Met verwijzing naar de kopieën van de schriftrollen van Matthéüs en Lukas had de discipel die met Pashur studeerde, hem uitgelegd:

„Op een dag kwamen vier van Jezus’ apostelen op de Olijfberg naar Jezus toe. Zij wilden het teken weten dat hun te kennen zou geven wanneer Jeruzalems vernietiging zou aanbreken. Zij waren echter ook nieuwsgierig naar Christus’ tegenwoordigheid en het besluit van het samenstel van dingen. Het antwoord dat Jezus op hun vraag gaf, hield met meer verband dan enkel met de verwoesting van Jeruzalem en het einde van het joodse samenstel van dingen; hij sprak over het besluit van het gehele wereldomvattende samenstel van dingen.”a

En daarna haalde de discipel voor hem de volgende woorden van Jezus aan, zoals deze door de christelijke discipel Lukas waren opgetekend:

„Wanneer gij voorts Jeruzalem door legerkampen ingesloten ziet, weet dan dat zijn verwoesting nabij gekomen is. Laten dan zij die in Judéa zijn, naar de bergen vluchten, en laten zij die in het midden van Jeruzalem zijn, eruit trekken, en laten zij die zich in de landstreken bevinden, er niet binnengaan; want dit zijn dagen waarin aan de gerechtigheid wordt voldaan, opdat alles wat geschreven staat, wordt vervuld. Wee de zwangere vrouwen en hen die een klein kind zogen in die dagen! Want er zal grote nood over het land zijn en gramschap over dit volk; en zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard en als gevangenen worden weggevoerd naar alle natiën, en Jeruzalem zal door de natiën worden vertreden.”b

Een verdiend lot

Wat Pashur betreft, verdient Jeruzalem geen ander lot. Ooggetuigen hebben hem verteld hoe de mensen om Jezus’ terechtstelling schreeuwden: „Weg met hem! Weg met hem! Aan de paal met hem!” En toen de Romeinse bestuurder vroeg: „Zal ik uw koning aan een paal hangen?”, hadden de overpriesters zelf geantwoord: „Wij hebben geen andere koning dan caesar.”c Die moorddadige handelwijze van de religieuze leiders had Pashur met walging vervuld!

En veel van Jezus’ volgelingen waren op soortgelijke wijze behandeld. Meer dan twintig jaar na Jezus’ dood, was de apostel Paulus door een menigte in Jeruzalem gemolesteerd.d En nog niet zo lang geleden waren Jakobus, Jezus’ halfbroer, en andere getrouwe christenen in Jeruzalem doodgestenigd.e En terwijl Pashur door de drukke straten van de stad naar huis loopt, denkt hij: „Deze stad heeft zijn reputatie wel eer aangedaan!” Jezus’ woorden schieten hem te binnen: „Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en de tot u uitgezondenen stenigt.”f

Er bestaat in Pashurs geest geen enkele twijfel: Jeruzalem verdient wat Jezus over de stad voorzegd heeft. „Want er zullen dagen over u komen”, had Jezus gezegd, „waarin uw vijanden een versterking rondom u zullen bouwen met puntige palen en u zullen omsingelen en u van alle kanten zullen benauwen, en zij zullen u en uw kinderen in u tegen de grond verpletteren, en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd waarin gij werdt geïnspecteerd, niet hebt onderscheiden.”g

„Maar wanneer?” Die vraag hield Pashur bezig, vooral nu er in Jeruzalem opstand tegen de Romeinse bezetting was uitgebroken.

De komst ervan uitstellen

Hij en zijn gezin hopen dat de vernietiging niet al te spoedig zal komen. Na jaren hard werken, gaat hun stoffenhandel eindelijk goed lopen, en nu de kinderen groot zijn, werkt ook zijn vrouw Abigaïl de hele dag in de zaak. Bovendien gaan de kinderen zo op in muziek en atletiek, dat ze er zelfs over denken daarin verder te gaan.

„Nou ja”, mompelt Pashur in zichzelf als hij zijn huis nadert, „hoe verdiend ook, die vernietiging van Jeruzalem zie ik op het moment nog niet zitten.”

Hij staat een ogenblik stil op de drempel en kijkt op naar de gebouwen van de tempel. Het was nog maar kort geleden dat de Romeinse legers die bijna hadden ingenomen. Ze waren gekomen om de opstand onder de joden neer te slaan. Maar toen had hun leider, Cestius Gallus, zijn mannen opdracht gegeven zich terug te trekken.

„Wie weet waarom?” peinst Pashur. „Enfin, dat doet er nu niet toe. Het enige dat ik weet is dat duizenden van die terugtrekkende Romeinse soldaten zijn gedood.h Wat een overwinning voor Jeruzalem — en wat een ontkoming voor ons; we zijn door het oog van een naald gekropen!”

Pashur troost zich met deze gedachte, slaakt een zucht van verlichting en gaat zijn huis binnen. Daar treft hij reeds enkele broeders uit de christelijke gemeente aan. Hij begroet hen hartelijk en is nieuwsgierig naar de reden van hun komst.

„We moeten Jeruzalem onmiddellijk verlaten!” zegt de ouderling in de groep.

„Waarom? Het is niet waarschijnlijk dat Rome na de laatste nederlaag weer snel een ander leger zal sturen”, antwoordt Pashur met een vastberaden klank in zijn stem.

„Jezus zei dat wanneer we Jeruzalem door legerkampen omsingeld zagen, we naar de bergen moesten vluchten. Wel, we hebben het gezien, en nu de legers vertrokken zijn, kunnen we vluchten.”

„Volgens mij is de dreiging van Rome voorbij.”

„Maar Pashur, is je dan de zin ontgaan van hetgeen er gebeurd is? De Romeinse legers zijn zo door Jehovah gemanoeuvreerd dat de christenen uit Jeruzalem kunnen vluchten voordat de stad wordt vernietigd. Denk aan Jezus’ instructies: ’Wanneer gij voorts Jeruzalem door legerkampen ingesloten ziet, weet dan dat zijn verwoesting nabijgekomen is. Laten dan zij die in Judéa zijn, naar de bergen vluchten.’”i

„Oké, maar Jezus bedoelde niet meteen”, antwoordt Pashur. „Die tijd komt later. En tegen die tijd zullen mijn gezin en ik wel zorgen dat we uit Jeruzalem weg zijn.”

Niets kan Pashur overreden om met zijn gezin de reis te aanvaarden en met de andere christenen naar het gebied rond Pella, in de bergen van Gilead, te trekken.j Talloze bezoeken van zijn christelijke broeders kunnen hem en zijn gezin niet van de noodzaak overtuigen Jeruzalem te verlaten in een tijd waarin het hun materieel zo voor de wind gaat. Bovendien hebben zij vertrouwen in het leger van Jeruzalem.

Wanneer Pashur afscheid neemt van de laatste christenen die uit Jeruzalem wegtrekken denkt hij dat ze wel weer gauw zullen terugkomen als de situatie zich heeft gestabiliseerd; dan zal hij grootmoedig zijn, heeft hij zich al voorgenomen, en hen geen verwijten maken.

In de daaropvolgende jaren, 67, 68 en 69, wordt de situatie in Jeruzalem er niet stabieler op. Ze verslechtert. Elkaar bestrijdende joodse bendes verhinderen ten slotte zelfs uit de stad weg te vluchten. En het ergste van alles is dat Pashur en zijn gezin de geestelijke omgang missen met hun christelijke vrienden, die over de Jordaan de bergen van Gilead zijn ingevlucht.

De profetie vervuld

Het voorjaar van 70 G.T. brengt een geheel nieuwe vorm van verschrikking. De Romeinse legers keren terug onder bevel van Titus, de zoon zelf van de nieuwe keizer van Rome. De legers omsingelen Jeruzalem en tot kilometers in de omtrek gaan ze ertoe over de bomen om te kappen, daar puntige palen van te maken, en een ondoordringbare palissade rond de stad te slaan. Ontsnappen is onmogelijk geworden!k

De met schrik vervulde dagen der belegering gaan één voor één voorbij, en Pashurs voedselvoorraad raakt uitgeput. Onbarmhartige honger teistert zijn huisgezin. En buiten roven onbeschaamde soldaten alle voedsel dat ze kunnen vinden. Om Pashurs constante zorg niet nog erger te maken, rept Abigaïl niet over haar honger, maar zij noch haar man kunnen hun angst voor elkaar verbergen.

Op een dag, als de hongersnood nog zwaarder is gaan drukken, brengt een ongewone beroering Pashur ertoe op onderzoek uit te gaan. Wanneer hij terugkomt, merkt Abigaïl al snel aan hem dat hij iets afschuwelijks heeft gezien. „Maria, de dochter van Eleazar, uit het dorp Bethezub heeft haar zoontje opgegeten”, vertelt hij.l „Er gebeurt hetzelfde als in de dagen van Jeremia. Ook wij zullen omkomen, Abigaïl.”a

Jeruzalem lijdt niet lang. Tegen de zomer van het jaar 70 nemen de Romeinen uiteindelijk de stad in en vernietigen haar. Tijdens de hele belegering komen meer dan een miljoen joden om en worden er zo’n 97.000 gevangen genomen.b Tot de doden behoren ook Pashur en zijn gezin. Zij hadden afgeweten van Jezus’ profetie en de instructies die hij ten behoeve van hun redding had gegeven. Maar doordat zij weigerden te handelen op grond van hetgeen zij wisten, betaalden zij de prijs van ongehoorzaamheid.c

EEN LES VOOR DEZE TIJD

Ja, deze bijbelprofetie ging in vervulling. En zo zal het met alles gaan wat in Gods Woord is voorzegd of beloofd. Het is zoals Jozua, de leider van Gods natie Israël in de oudheid, verklaarde: „Gij weet zeer goed met geheel uw hart en met geheel uw ziel dat niet één woord van alle goede woorden die Jehovah, uw God, tot u gesproken heeft, onvervuld is gebleven.” — Joz. 23:14.

Natuurlijk — het werd reeds aan het begin van dit artikel opgemerkt — vertelt de bijbel niets over het afzonderlijke leven van degenen die vlak vóór of tijdens de vernietiging van Jeruzalem in het jaar 70 van onze tijdrekening leefden. De bijbel spreekt zelfs niet eens over de daadwerkelijke vernietiging van Jeruzalem; dat doet de wereldlijke geschiedenis. Het is echter erg waarschijnlijk dat er zulke gezinnen als van Pashur geweest zijn, gezinnen die weigerden te handelen naar hetgeen ze wisten en in gehoorzaamheid aan Jezus’ instructies naar de bergen te vluchten.

Maar wat voor belang heeft dit alles voor ons in deze tijd? Wij staan toch niet voor zo’n zelfde situatie — of wel?

Ja zeker wel! De profetie van Jezus ging over meer dan enkel het einde van het joodse samenstel van dingen in 70 van onze tijdrekening. Die profetie kenmerkte ook de tijd van Christus’ „tegenwoordigheid” in Koninkrijksmacht, de tijd wanneer het einde van dit gehele wereldomvattende samenstel van dingen nabij zou zijn. Een van de redenen waarom wij weten dat dit zo is, vormt Jezus’ verklaring: „Wanneer gij deze dingen ziet geschieden, weet dan dat het koninkrijk Gods nabij is.” — Luk. 21:31.

Wel, wat zou dan volgens Jezus’ voorzegging de tijd van het einde van dit gehele samenstel van dingen op aarde kenmerken, en de tijd dat Gods koninkrijk nabij was? Jezus zei: „Natie zal tegen natie opstaan en koninkrijk tegen koninkrijk; en er zullen grote aardbevingen zijn, en in de ene plaats na de andere pestilentiën en voedseltekorten.” — Luk. 21:10, 11.

En dat zijn gebeurtenissen die we inderdaad in deze tijd hebben zien plaatsvinden! In deze eeuw, sinds 1914, heeft de mensheid zich in twee catastrofale wereldoorlogen gestort, terwijl de natiën momenteel op de rand van een nog verwoestender kernoorlog balanceren. Ook aardbevingen, pestilentiën en voedseltekorten zijn meer verbreid dan in enige andere periode in de menselijke geschiedenis.

Wanneer men derhalve Jezus’ volledige profetie vergelijkt met de hedendaagse gebeurtenissen, wordt het duidelijk dat nú, op dit moment, deze profetie een opmerkelijke vervulling doormaakt. Wat betekent dat?

Het betekent dat het einde van dit gehele samenstel nabij is, net als de omsingeling van Jeruzalem door de Romeinse legers onder Cestius Gallus een teken was dat het einde van Jeruzalem nabij was. En evenals toen een speciale reactie nodig was om behouden te worden — een vlucht naar veiligheid, naar de bergen — is ook in deze tijd een juiste reactie nodig om gered te worden uit de wereldvernietiging die God op het punt staat over de goddelozen te brengen.

De handelwijze die nodig is

Het is thans niet de vlucht naar een specifieke plaats op aarde die ons zal redden. Jezus zelf toonde dit aan. Hij besloot zijn profetie met woorden die specifiek betrekking hadden op de tijd van het einde van dit gehele samenstel van dingen, en zei:

„Schenkt echter aandacht aan uzelf, dat uw hart nooit bezwaard wordt met overmatig eten en drinken en zorgen des levens, en die dag plotseling, in een ogenblik, over u komt als een strik. Want hij zal komen over allen die op de gehele aardbodem wonen. Blijft dan wakker, te allen tijde smekend dat gij erin moogt slagen te ontkomen aan al deze dingen die stellig gaan geschieden, en te staan voor het aangezicht van de Zoon des mensen.” — Luk. 21:34-36.

Ja, niet de vlucht naar de een of andere letterlijke berg, maar geestelijke waakzaamheid, dat is thans belangrijk. Wij dienen waakzaam acht te slaan op de hedendaagse vervulling van Jezus’ profetie en in gedachten te houden dat de vervulling ervan erop duidt dat het einde van dit samenstel nabij is. Daarom dienen we zeer nauwgezet te letten op ons gedrag, zoals ook de apostel Petrus aan christenen schreef:

„Aangezien al deze dingen aldus ontbonden zullen worden, wat voor soort van mensen behoort gij dan wel te zijn in heilige gedragingen en daden van godvruchtige toewijding, verwachtende en goed in gedachten houdende de tegenwoordigheid van de dag van Jehovah . . . Daarom, geliefden, aangezien gij deze dingen verwacht, doet uw uiterste best om tenslotte door hem onbevlekt en onbesmet en in vrede bevonden te worden.” — 2 Petr. 3:11-14.

Dat is hetgeen in deze tijd nodig is. Onze vlucht naar een plaats van veiligheid wordt tot stand gebracht door ons leven in overeenstemming te brengen met Gods rechtvaardige vereisten. Ja, door de wil van God te doen, zullen wij ontkomen aan de vernietiging die de gehele wereld der mensheid zal treffen. De apostel Johannes schreef: „De wereld gaat . . . voorbij en ook haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft in eeuwigheid.” — 1 Joh. 2:17.

Twijfel er geen moment aan dat deze bijbelprofetieën in vervulling zullen gaan! Even zeker als Jezus’ profetie betreffende de vernietiging van Jeruzalem in de eerste eeuw uitkwam, zo zullen ook de profetieën over het einde van het huidige samenstel van dingen hun vervulling vinden. Ja, wij hebben alle reden om in de betrouwbaarheid van de bijbelse profetieën te geloven en op grond van dat geloof te handelen.

[Voetnoten]

a Matth. 24:1-3; Mark. 13:3, 4; Luk. 21:5-7.

b Luk. 21:20-24.

c Joh. 19:15.

d Hand. 21:26-32

e Joodse oudheden door Flavius Josephus, boek XX, hoofdstuk IX, par. 1.

f Matth. 23:37, 38.

g Luk. 19:43, 44.

h Joodse oorlogen door Flavius Josephus, boek II, hoofdstuk XIX.

i Luk. 21:20, 21.

j De Kerkgeschiedenis van Eusebius Pamphyli, bewerkt door Dr. H. U. Meyboom uit het Grieks (1908), blz. 94

k Joodse Oorlogen door Flavius Josephus, boek V, hoofdstuk XII.

l Joodse Oorlogen door Flavius Josephus, boek VI, hoofdstuk III, par. 4.

a Deut. 28:53; Klaagl. 2:20.

b Joodse Oorlogen door Flavius Josephus, boek VI, hoofdstuk IX, par. 3.

c Matth. 7:24-27

[Illustratie op blz. 17]

’Wanneer gij Jeruzalem door legerkampen ingesloten ziet.’ — Lukas 21:20.

[Illustratie op blz. 19]

De christenen verlaten Jeruzalem

[Illustratie op blz. 20]

De Titusboog in Rome, waarop joden staan afgebeeld die in 70 G.T. gevangen werden genomen. Dit bevestigt de betrouwbaarheid van Gods profetische Woord

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen