Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g77 22/6 blz. 21-24
  • Rijkdom maakte mij niet gelukkig

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Rijkdom maakte mij niet gelukkig
  • Ontwaakt! 1977
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een begunstigde jeugd
  • Wat me ongelukkig maakte
  • Religie het antwoord?
  • Besluiteloosheid en verandering
  • Waar geluk verwezenlijkt
  • Waarom worden alle soorten van mensen Jehovah’s getuigen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • De Bijbel verandert levens
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2011
  • Een gelukkig gezinsleven — Hoe wij dit bereiken
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • De Bijbel verandert levens
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2011
Meer weergeven
Ontwaakt! 1977
g77 22/6 blz. 21-24

Rijkdom maakte mij niet gelukkig

HOEWEL u mij wellicht niet persoonlijk kent, is het best mogelijk dat u wel eens te gast bent geweest in het huis van mijn ouders — niet rechtstreeks, maar via de film. Al verscheidene films en tv-programma’s zijn in hun huis opgenomen, waarvan één laatst zelfs met verschillende onderscheidingen is bekroond.

De filmmaatschappijen betalen voor het gebruik van hun huis een huur van ƒ 3700 tot ƒ 6300 per dag. Het is een prachtige, omstreeks de eeuwwisseling gebouwde woning in Zuid-Californië met ongeveer vijftig kamers, waarvan de bouw in deze tijd waarschijnlijk tussen de 2,5 tot 5 miljoen gulden zou hebben gekost.

Het huis is in elk opzicht een toonbeeld van elegance en verfijning — gevuld met onschatbare antieke voorwerpen en oosterse tapijten, de meeste kamermuren prachtig bekleed met mahoniehout, dat in bepaalde vertrekken bovendien overdekt is met een dun laagje zuiver goud. Het bezit een balzaal van 23 meter, een zwembad binnenshuis, en een grote hoeveelheid slaapkamers. Buiten liggen de prachtige tuinen en een privé-tennisveld.

Een begunstigde jeugd

Mijn ouders waren bijzonder vrijgevig. Als jongen kreeg ik van alles. Ik had meer materiële bezittingen dan ik werkelijk nodig had. Ze kochten prachtige auto’s voor me en betaalden een dure opleiding. Tegenover mijn jongere broer betoonden ze zich even gulhartig. Hij bezat al twintig auto’s vóór hij nog maar oud genoeg was om te mogen rijden!

Mijn vader werkte in de beginjaren van zijn carrière erg hard om ons de „geneugten van het leven” te laten smaken. Hij leerde me alles over investeringen, in de hoop dat ik later miljonair zou worden. Zelf wilde ik dat ook graag, en ik geloofde dat doel zeker te kunnen bereiken.

Er bestond onder ons een goede gezinsband en we deden veel dingen samen. Hele weekeinden brachten we vaak gezamenlijk door op een van onze familiejachten. Mijn ouders vonden het echter ook belangrijk dat ik religieus onderwijs ontving, dus moest ik zondags altijd naar de lutherse Kerk.

Misschien meent u dat ik met al die rijkdom om mij heen erg gelukkig moet zijn geweest. Dat was ik echter allerminst.

Wat me ongelukkig maakte

Een van de dingen die me kwelde, was dat veel van mijn vrienden mij bewonderden om wat ik bezat, en sommigen alleen om die reden met mij omgingen. En hoewel ik wel genoot van de erkenning die mij als rijkeluiszoontje ten deel viel, had ik nooit veel belangstelling voor de wereld van de „high society”. Ik haatte het snobisme dat er heerste.

Vanwege een verschrikkelijk minderwaardigheidscomplex had ik moeite met de omgang met mensen. Om dat te overwinnen, raakte ik erg geïnteresseerd in lichamelijke activiteiten. Ik werd een succesvolle beoefenaar van worstelen en andere sporten, deed mee aan „body building”-verkiezingen en trad op als model voor kunstacademies. Ik genoot van alle erkenning die mij ten deel viel.

Na verloop van tijd maakte mijn minderwaardigheidscomplex plaats voor verwaandheid en arrogantie. Meisjes beschouwde ik slechts als objecten voor de bevrediging van mijn eigen zelfzuchtige genoegens en dat bracht een immorele levenswijze met zich mee.

Gedesillusioneerd over de wereld verloor ik al mijn vertrouwen in mensen buiten mijn onmiddellijke familie. Ik voelde dat me iets ontbrak, maar wat, dat wist ik niet. Steeds duidelijker besefte ik hoe groot de kloof was tussen enkel „genoegens” en echt „geluk”. De mensen mochten dan nog zo denken dat ik geweldig „gelukkig” was en dat ze graag met mij zouden willen ruilen, ik kon me nauwelijks iemand voorstellen die ongelukkiger was dan ik.

Een tijdlang liep ik zelfs met gedachten aan zelfmoord rond. In een afgelegen vertrek van het huis huilde ik dan en bad tot God om mij te helpen vinden wat ik het meest nodig had. Ik had een voortreffelijke opleiding genoten, bezat een goede lichamelijke gezondheid en kreeg hoge betrekkingen aangeboden. Ik had de „sleutels” van vele deuren tot materiële rijkdom binnen handbereik, maar die ene „sleutel”, de „sleutel tot geluk”, ontbrak me.

Religie het antwoord?

De georganiseerde religie had ik voor het vinden van geluk al opgegeven, want ik zag wel in hoe huichelachtig men daar was. Al jaren was het me duidelijk dat de kerken de mensen in onwetendheid hadden gehouden om hen materieel te kunnen uitbuiten. En ook voelde ik wel aan dat veel van wat de kerken deden, in strijd was met de bijbel. Zo woonde ik eens een naaktbruiloft bij die werd geleid door een naakte predikant! Ik dacht bij mezelf: „Die man is een nog grotere huichelaar dan ik.”

Niettemin had ik grote belangstelling voor de bijbel, die ik vaak voor mezelf las. Op een dag kwam een jonge knaap bij me aan de deur met de tijdschriften De Wachttoren en Ontwaakt! Ik nam ze en later zond hij twee vrouwen om met me te praten. Ik nodigde hen binnen met de bedoeling hun dwaze overtuiging aan de kaak te stellen. Maar het pakte anders uit en we hadden een heel plezierig gesprek. Aan het eind ervan vroegen ze mij of ze een jongeman van mijn leeftijd mochten sturen om me te bezoeken, een voorstel dat ik van harte aanvaardde.

Op de avond van onze afspraak kwam de jongeman en hij kreeg de boodschap boven in de bibliotheek op mij te wachten. Ik had boeken tegen Jehovah’s Getuigen bestudeerd en voelde me goed tegen hun religie voorbereid. Maar na een gesprek van dertig minuten stond ik verbaasd over hoeveel hij van de bijbel wist. Hij sprak met autoriteit en toch met een ongewone bescheidenheid en bezorgdheid voor mij. En hoewel hij niet de officiële opleiding had genoten waarop ik mij beroemde, vertelde hij me over de betere soort van opleiding die hij door middel van zijn religie ontving. Dat maakte grote indruk op mij en mijn respect voor de Getuigen groeide.

Hij bevestigde onmiddellijk mijn gedachte dat de bijbel door God geïnspireerd was en hielp me later vele schriftuurlijke onderwijzingen te begrijpen. Vanwege mijn vroegere onderwijs in de lutherse Kerk geloofde ik dat de bijbel een Drieëenheid leerde — dat de Almachtige God uit drie personen in één God bestond. Ik geloofde ook dat de mens een onsterfelijke ziel bezat. Drie maanden lang kwam hij elke week bij me en bespraken wij alle schriftplaatsen die naar ik dacht deze leerstellingen ondersteunden.

Na een zorgvuldige vergelijking raakte ik ervan overtuigd dat ik het slachtoffer was geweest van een valse leer in mijn vroegere kerk. Nog een punt waar ik erge moeite mee had, was te accepteren dat een christen de verantwoordelijkheid heeft politiek neutraal te blijven (Joh. 17:16; 18:36). Ik meende dat de burgers van een land de plicht hadden hun vlag te verdedigen en zelfs bereid moesten zijn ervoor te sterven. Maar in dat opzicht was ik feitelijk huichelachtig, want zelf had ik nooit in militaire dienst gewild en had ik alles gedaan om er onderuit te komen.

Besluiteloosheid en verandering

Zo studeerde ik een tijdlang de bijbel, en ofschoon ik wel inzag hoe redelijk de leer ervan was, aarzelde ik toch enig daadwerkelijk standpunt in te nemen. Ik zou mijn immorele levenswijze de rug moeten toekeren, en dat verwekte een grote innerlijke strijd.

Ondertussen kwam ik in contact met een knap meisje op wie ik verliefd raakte. In tegenstelling tot mij was zij verlegen, behulpzaam en erg attent voor mij. Ik behandelde haar daarentegen slecht en zei dat ik alleen zou trouwen als ze er geen bezwaar tegen had dat ik mij ook voor andere vrouwen zou blijven interesseren. Ondanks dat alles, trouwden we toch en we gingen naar Europa voor onze huwelijksreis.

Mijn vrouw kwam uit een erg religieus gezin en we hadden voortdurend discussies over hetgeen ik leerde. Ze begon in te zien dat mijn belangstelling voor de bijbel geen kortstondige bevlieging was, aangezien ik vaak verscheidene uren per dag volledig in het lezen ervan opging. Langzamerhand begon ik veranderingen aan te brengen en trachtte een moreel rein leven te gaan leiden en me niet meer zo door mijn impulsen te laten beheersen. Wellicht verwacht u dat die veranderingen gunstig door mijn vrouw en haar familie werden ontvangen. Maar integendeel.

Toen mijn belangstelling voor Jehovah’s Getuigen groeide, zei mijn vrouw voor het eerst dat het haar speet dat ze met mij getrouwd was. Zelfs mijn eigen familie koos haar kant en het zag ernaar uit dat we hard op weg waren naar een echtscheiding. Mijn vader zei me dat wanneer ik mijn vrouw dat zou aandoen — dat wil zeggen, een van Jehovah’s Getuigen worden — hij me zou onterven en geen cent zou nalaten.

Ik was echter vastbesloten aan de bijbelse wijsheid die ik verwierf, vast te houden, want dat was het kostbaarste wat ik ooit had bezeten. Voor het eerst in mijn leven begon ik werkelijk geluk te ervaren. Telkens opnieuw las ik Spreuken 3:13-15, waar staat: „Gelukkig is de mens die wijsheid heeft gevonden, en de mens die onderscheidingsvermogen verkrijgt, want haar als winst te hebben, is beter dan zilver als winst te hebben, en haar als opbrengst te hebben, beter dan het goud zelf. Ze is kostbaarder dan koralen, en al uw andere verrukkingen kunnen haar niet evenaren.”

Waar geluk verwezenlijkt

Na verloop van tijd besloot mijn vrouw met mij de bijbel te gaan bestuderen, en niet zonder resultaat! Ze ging hetgeen ze leerde, waarderen en toepassen. Vol blijdschap werden wij beiden op 21 november 1970 als Jehovah’s Getuigen gedoopt en symboliseerden daarmee onze opdracht aan Jehovah. Mijn vrouw ging al gauw in de volle-tijdpredikingsdienst en ongeveer een jaar later besloot ik hetzelfde te doen, in plaats van de hele dag op een advocatenkantoor te gaan werken.

Aangezien mijn ouders tegen mijn besluit gekant waren, achtte ik het beter hun huis te verlaten en een kleine flat te betrekken. Dat bracht een drastische verandering in onze levenswijze. We moesten onze levensstandaard verlagen, verkochten mijn auto-collectie, en schaften ons een zuinige auto en een fiets aan.

De tijd verzacht zelfs de grootste teleurstellingen. En bovendien kon mijn familie zien dat mijn vrouw en ik echt gelukkig waren en dat onze vrienden onder de Getuigen toch wel nette en keurige mensen waren, die zich bekommerden om anderen. Het was bovendien duidelijk dat Jehovah’s Getuigen als stabiele personen geen last hadden van alcoholisme, dat zoveel onder de rijken voorkomt.

Na enige tijd stemden mijn ouders ermee in dat ik met hen de bijbel zou bestuderen, en zo af en toe, wanneer ik het voorrecht heb een huwelijk te sluiten of een openbare lezing te houden, komen zij zelfs naar de Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen. Ook heb ik een aantal studies kunnen oprichten bij dienstmeisjes die in hun huis hebben gewerkt, terwijl zelfs de negenentachtigjarige huismeester nu geregeld christelijke vergaderingen bezoekt. Dat maakt me erg gelukkig, want hij is altijd als een grootvader voor me geweest.

Zowel mijn vrouw als ik hebben geleerd met weinig materiële bezittingen tevreden te zijn, net als we dat nu ook met een overvloed zouden kunnen zijn, want wij hebben de „sleutel tot geluk” gevonden. Thans zijn er voor ons „deuren” geopend die altijd gesloten waren. Wij hebben vrede des geestes en vrienden die ons liefhebben alsof we leden van hun eigen familie waren. Het belangrijkste is echter de wetenschap dat we een goede verhouding tot onze Schepper genieten. Dat schenkt ons de grootste tevredenheid. — Ingezonden.

[Inzet op blz. 22]

’De ene „sleutel” die me ontbrak, was de „sleutel tot geluk”’

[Inzet op blz. 23]

„Het zag ernaar uit dat we hard op weg waren naar een echtscheiding”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen