„Een rovershol”
● Toen Jezus Christus de geldwisselaars en handelaren in offerdieren van het tempelterrein verjoeg, zei hij: „Er staat geschreven: ’Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd’, maar gij maakt het tot een rovershol” (Matth. 21:13). Daarmee betitelde Jezus de geldwisselaars en degenen die offerdieren verkochten in feite met „rovers”. Dit wijst erop dat zij buitensporig grote winsten maakten. Uit de joodse misjna blijkt dat Jezus’ woorden niet overdreven waren. Daarin wordt melding gemaakt van de tijd dat men voor twee duiven een gouden denar of vijfentwintig zilveren denaren moest betalen. Deze buitensporige prijs bracht Simeon, de zoon van Gamaliël, ertoe bij de tempel te zweren met de woorden: „Ik zal de nacht niet laten voorbijgaan voordat ze slechts een [zilveren] denar kosten.” Dit betekent klaarblijkelijk dat duiven verkocht werden tegen een bedrag dat vijfentwintig maal hoger was dan ze in werkelijkheid waard waren. Dat was inderdaad „roverij”.