Hoe de hindoes denken over leven en dood
MIJN vader, een vooraanstaand zakenman in Jamnagar (India), was ernstig ziek. Jarenlang had hij al gesukkeld met zijn hart, maar nu waren er complicaties opgetreden.
In februari 1976 ontving mijn oudere broer, die in het noorden van de staat New York woont, de oproep: ’Kom zo gauw mogelijk naar huis; niet later dan een week.’ Hij bracht mij onmiddellijk op de hoogte en twee dagen later stapten we in New York, op Kennedy Airport, aan boord van een vliegtuig.
Sinds mijn laatste bezoek aan huis, acht jaar geleden, waren er een aantal dingen gebeurd. Er schoten dan ook heel wat gedachten door mijn geest toen ik mij in m’n stoel achterover liet zakken bij het begin van de lange vlucht.
Achtergrond en overwegingen
Vader had mij in het begin van de jaren ’60 naar de Verenigde Staten gezonden om een universitaire opleiding te volgen. Nadat ik was afgestudeerd, begon ik door een studie van de bijbel anders over religie te denken. Ik was van huis uit als hindoe opgevoed. Mijn vader was diep religieus en bezat zelfs een persoonlijke goeroe. Als jongen kan ik me nog herinneren dat hij elk jaar wekenlang van huis ging om zijn goeroe in de Himalaya te bezoeken. Vader en ik schreven elkaar heel wat af over religie.
Terwijl ons vliegtuig met het monotone gedreun van zijn straalmotoren voortsnelde door de nacht, verwijlden mijn gedachten bij hem. Ik vroeg mij af: Hoe denkt hij nu over het leven na de dood? Hoe sterk is zijn overtuiging, nu hij zo ernstig ziek ligt?
Ik dacht aan de dingen die vader me geschreven had. In een brief van augustus 1973 stond: „De kracht die wordt verworven uit de kennis van Brahman of de Opperste Realiteit is superieur aan elke andere kracht. . . . Werkelijke kracht is de kracht die niet bezwijkt, zelfs wanneer men met de dood wordt geconfronteerd, waarbij men ten volle beseft dat de dood slechts een verandering is die het lichamelijke omhulsel treft. Het innerlijke zelf sterft niet want het is nooit geboren. . . .
Iemand met deze kennis aanvaardt de kruisiging met een glimlach en bidt voor zijn pijnigers. Wanneer de dood komt, is hij hard als een steen, want hij heeft ’de voeten van God aangeraakt’. . . . Daarom wordt de lichamelijke dood van een man van kennis beschreven als mahat-samadhi of de ’grote extase’ in het hindoe-taalgebruik.”
Vader geloofde, zoals elke rechtgeaarde hindoe, in de onsterfelijkheid van de ziel of het ’innerlijke zelf’. Die ziel, zo meende hij, is eenvoudig geborgen in het stoffelijke lichaam, of ’het uiterlijke zelf’. Bij de dood ondergaat het ’werkelijke zelf’ een bevrijding en heeft het de vrijheid naar een ander lichaam „te verhuizen”. Vader geloofde dat als iemand goed en juist had geleefd, hij bij de dood naar een hoger bestaan zou overgaan, maar wanneer hij slecht had geleefd, het „werkelijke zelf” misschien wel bij een lager dier zijn intrek zou nemen.
Nu mijn vader voor de dood stond, vroeg ik mij af of zijn geloof hem geestelijk zou helpen. Mijn gedachten gingen ook naar de andere leden van mijn familie en naar mijn leven vroeger thuis.
Mijn jongere broer en zuster waren na die keer dat ik hen voor het laatst had gezien, beiden getrouwd. In strijd met de hindoetradities hadden ze elk hun eigen huwelijkspartner uitgekozen, en ik wist dat er nog meer maatschappelijke gewoonten waren veranderd. Ik was nieuwsgierig en wilde alles graag weer met eigen ogen aanschouwen.
In de tijd bijvoorbeeld dat ik als jongen in Jamnagar opgroeide, werd het voor een man niet passend geacht dat hij het gezicht van zijn schoondochter zag, of voor een vrouw dat zij rechtstreeks tot haar schoonvader sprak. Zo keek mijn grootvader, die bij ons thuis woonde, nooit naar het gezicht van mijn moeder. En wanneer hij tot mijn moeder sprak, antwoordde ze hem nooit rechtstreeks, ook niet door de telefoon, maar altijd via iemand anders. Ook zouden zij nooit alleen met elkaar in een zelfde kamer zijn.
Bovendien was het sociaal onaanvaardbaar wanneer ongehuwde jongens en meisjes elkaars hand vasthielden of zelfs maar tot elkaar spraken. In de straten van Jamnagar had ik dat nooit gezien. En zelf had ik destijds ook nooit tot een ongehuwde vrouw buiten mijn onmiddellijke gezinskring gesproken. Dat was sociaal niet aanvaardbaar. Maar hoe zouden de gewoonten nu zijn?
Jamnagar
Ons vliegtuig landde ’s middags op 27 februari in Bombay. Op de een of andere manier was men vergeten ons te boeken voor de vlucht naar Jamnagar; daarom moesten we een vliegtuig naar Rajkot nemen, een stad op ongeveer 80 kilometer van huis, waar we een taxi namen.
Terwijl we daar reden, kwamen er weer vele herinneringen bij me boven. In de tweede helft van de jaren ’50, toen mijn opa minister van landbouw was van de staat Saurashtra — thans een deel van de staat Gujarat — nam hij me tijdens de vakantie van de middelbare school vaak mee op zijn officiële bezoeken aan de dorpen, waarvan we er nu enkele passeerden. In de verte zag ik de bijeenkomsthal in Dhhrol, waar grootvader altijd toespraken tot de boeren hield.
In die jaren woonden de meeste dorpelingen in hutten met slechts één vertrek, opgetrokken uit een mengsel van modder en koemest en met een vloer van hetzelfde materiaal. De vrouwen moesten water uit de dorpsput halen, wat ze deden in grote waterkruiken, volmaakt in evenwicht op hun hoofd. Uit hetgeen ik nu waarnam, kon ik opmaken dat er in al die omstandigheden weinig verandering was gekomen.
In het ziekenhuis
Toen we aankwamen, lag vader al in een plaatselijk ziekenhuis. Hij herkende ons en was blij dat we er waren, maar hij was zo zwak dat een gesprek praktisch onmogelijk was. De ziekenhuizen in India verschillen sterk van wat de meeste westerlingen gewend zijn. De familie van de patiënt verschaft in hoofdzaak het voedsel en de meeste verzorging. En het was mijn voorrecht de volgende negen dagen aldus voor mijn vader te mogen zorgen.
Elke dag ging ik ’s middags naar het ziekenhuis en bracht dan de nacht bij hem door. Hij werd intraveneus gevoed, maar soms konden we hem ook met een lepel iets te eten geven. Wanneer hij te kennen gaf dat hij moeilijk lag, legden we hem in een makkelijkere houding. Ik hoopte dat hij weer zo sterk zou worden dat ik met hem kon praten, maar dat gebeurde niet.
De tijd dat ik naast hem zat en verder niets kon doen, besteedde ik aan het lezen van de bijbel en de publikatie Aid to Bible Understanding. Mijn schoonzuster zag dat wel en was nieuwsgierig. Drie jaar geleden was ze met mijn jongere broer getrouwd en toen naar de grote woning van mijn vader verhuisd. En ik zag dat ze een grote liefde voor mijn vader had opgevat.
Het was erg moeilijk te bepalen wat we voor vader moesten doen; en wat we ook zouden doen, hij zou naar alle vermoeden toch sterven. Op een avond, toen mijn schoonzuster en ik alleen in het ziekenhuis vertoefden, vroeg ze: „Voel jij je net zo verward en verbijsterd als alle anderen?”
Eerst dacht ik dat ze op de toestand van mijn vader doelde, dus zei ik: „Nee, niet echt.” Ze wilde weten waarom niet. Ik vertelde haar dat dat kwam dank zij de bijbel, die ons helpt begrijpen welk voornemen de Schepper heeft. Ze zei me toen dat ik de bijbel in het ziekenhuis had laten liggen en ze een gedeelte van Genesis eruit gelezen had, maar dat ze het niet had begrepen. Ze vroeg me: „Wie is de Schepper?”
We wisten beiden dat er volgens de hindoe-religie vele goden zijn, en dat sommige worden opgevat als scheppers en andere als vernietigers. Daarom opende ik de bijbel bij Psalm 83:18, en vroeg haar die tekst te lezen. Met een vrij goede Engelse uitspraak las ze: „Opdat men weet dat gij, wiens naam Jehovah is, gij alleen de Allerhoogste zijt over heel de aarde.”
Maar de naam Jehovah was nieuw voor haar, en ze wist niet hoe ze hem moest uitspreken. Toch zag ze dat de God van de bijbel een naam had. Ze kwam onder de indruk van het feit dat er volgens de bijbelse leer slechts één opperste God is, die de naam Jehovah draagt, en die alle dingen heeft geschapen, en dat er aan zijn bestaan geen begin of eind is. — Openb. 4:11; Ps. 90:1, 2.
Mijn familie wist al dat ik een christen geworden was, want ik had hen over mijn activiteiten als een volle-tijdprediker van Jehovah’s Getuigen geschreven. Vandaar dat er zich in die dagen van grote zorg om mijn vader vele discussies ontsponnen over de dood en het vooruitzicht op leven na de dood.
De ziel en Gods liefde
Net als mijn vader gingen ook mijn andere familieleden uit van het hindoe-geloof dat de ziel onsterfelijk is — dat het ’innerlijke zelf’ of ’werkelijke zelf’ na de dood in een andere vorm blijft voortbestaan. Maar mijn schoonzus, die als arts werkzaam is, maakte hierop enigszins een uitzondering omdat zij deze hindoe-gedachte niet volledig accepteerde. Zij stond dus vrij open voor hetgeen de bijbel vermeldt.
Ik legde haar uit dat volgens de bijbel de menselijke ziel de persoon zelf is, en dat er geen afgescheiden, onzichtbare ziel bestaat die na de dood blijft voortleven. „De ziel die zondigt, díe zal sterven”, aldus de bijbel. En de bijbel leert ook: „Wat de doden betreft, zij zijn zich van helemaal niets bewust” (Ezech. 18:4, 20; Pred. 9:5). Dat waren nieuwe gedachten voor haar, maar ze kwamen beter overeen met hetgeen ze had waargenomen, en zij leek ze te aanvaarden.
Op een dag was ik in de gelegenheid mijn zwager, die ook arts is, te vragen: „Wat bepaalt nu eigenlijk of een ziel na verhuizing een beter of een slechter leven zal hebben? Er moet toch de een of andere instelling zijn”, zo merkte ik op, „die vaststelt of een ziel naar een hoger of een lager bestaan moet.”
Hij antwoordde dat we ons „God” kunnen voorstellen als een persoon die over een grote computer beschikt en met behulp daarvan „bericht bijhoudt van iemands daden of karma. Als zijn goede daden zijn slechte overtreffen, dan zal de wedergeboorte onder gunstige omstandigheden plaatsvinden. Maar als de slechte daden meer zijn dan de goede, dan zal de wedergeboorte onder ongunstige omstandigheden plaatsvinden”.
Dus, zo was zijn uitleg, wat iemand gedurende zijn hele leven doet, is bepalend voor de aard van zijn wedergeboorte, of die gunstig of ongunstig zal zijn. Ik vroeg toen: „Hoe weten we dan of vader een gunstige of ongunstige wedergeboorte zal ondergaan?”
Volgens hem konden we dat niet zeggen, omdat we mijn vader niet zijn hele leven hadden gekend. Toen richtte ik zijn aandacht op de bijbelse leer, en zei: „Jehovah God is geen God die een verslag van onze hele levensloop bijhoudt. We kunnen heel wat slechte dingen op ons geweten hebben, maar als we berouw hebben en ons omkeren dan wordt ons vroegere leven vergeten en vergeven, en geldt voor Jehovah alleen wat we vanaf dat moment doen.”
Dit is wat de bijbel over Jehovah’s handelingen met zijn volk zegt: „Zover als de zonsopgang verwijderd is van de zonsondergang, zover heeft hij onze overtredingen van ons verwijderd. Zoals een vader barmhartigheid toont jegens zijn zonen, heeft Jehovah barmhartigheid getoond jegens hen die hem vrezen” (Ps. 103:12, 13). Die liefdevolle wijze van handelen van de zijde van God sprak mijn zwager erg aan, want zo had hij nog nooit over God gedacht.
Vooral mijn schoonzuster was echter erg nieuwsgierig naar wat de bijbel leert. Zij wilde weten welk voornemen God met de aarde en de mensheid heeft. Ik liet haar Jehovah’s belofte lezen om „een nieuwe aarde” te vestigen, die zou bestaan uit mensen die Gods wil doen (2 Petr. 3:13). Of zoals de bijbel ook zegt: „De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde bezitten. En zij zullen inderdaad hun heerlijke verrukking vinden in de overvloed van vrede.” — Ps. 37:11.
Dan zullen de omstandigheden onder de mensen op aarde heel anders zijn, zo vertelde ik haar, en las Openbaring 21:3, 4 voor: „God zelf zal bij hen zijn. En hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan.” Zulke bijbelse beloften verbaasden haar. Ze kreeg werkelijk belangstelling en wilde meer weten.
Verandering in gewoonten
Na een paar dagen thuis vielen mij allerlei maatschappelijke veranderingen op. Mijn schoonzuster bijvoorbeeld, ging vrijwel net zo met mensen om als vrouwen in de Westerse wereld. Ze sprak rechtstreeks tot mijn vader en mij, terwijl ze twintig jaar geleden nog haar hoofd zou hebben afgewend of haar gezicht in haar sari zou hebben verborgen. En waarschijnlijk zou ze ook nooit alleen met mij in een kamer zijn gebleven.
Het schijnt nu trouwens ook zo te zijn dat ongehuwde jonge mannen en vrouwen met elkaar mogen spreken, omdat thans velen hun eigen huwelijkspartner uitzoeken. Ik hoorde zelfs dat mannelijke en vrouwelijke leerlingen gezamenlijk gaan picknicken — iets ongehoords in de tijd dat ik nog op school was. Aan de andere kant viel het mij op dat mijn moeder en andere oudere vrouwen zich nog steeds aan de oude gewoonten hielden.
Vaders dood
Ondertussen ging vaders toestand snel achteruit. Daarom werd hij naar huis overgebracht om daar te sterven. In de vroege ochtend van zondag 7 maart leek het einde nabij. Toen onze hele familie rond zijn bed verzameld stond, ontsnapte een diepe — en laatste — ademtocht aan zijn lippen.
Mijn zwager vroeg me hem zijn stethoscoop aan te reiken. Hij plaatste die op mijn vaders borst en trok toen met een bedroefd gezicht het laken over zijn hoofd. Het was half vier in de ochtend. Vader was gestorven — nog maar achtenvijftig jaar oud. Moeder barstte onmiddellijk in tranen uit en zo ook de andere aanwezige vrouwen.
Tijdens de daaropvolgende gebeurtenissen, trad de grote invloed van religie duidelijk aan het licht. Nog voordat haar tranen waren gedroogd, ging mijn schoonzus naar buiten toe en kwam met verse koemest terug, die ze gebruikte om op de vloer een ongeveer 1,5 meter lange streep te trekken. Daarna sprenkelde zij wat water van de Ganges op de vloer. En vervolgens kwam er een wit laken over de plek te liggen en werd mijn vaders lichaam erop gelegd.
Alles van de koe wordt als heilig beschouwd, de mest ervan inbegrepen. En ook de Ganges houdt men voor heilig. Zodoende was deze plek met de mest en het water tot een reine plaats gezuiverd. Voor het lichaam werd ook zoetruikende wierook gebrand, waarmee men meent een zuivere atmosfeer te scheppen, die uitnodigend werkt op reine geesten.
Bijna onmiddellijk begon ook het zingen van een hindoe-gebed, ingezet door mijn zwager, en begeleid door allen die maar wilden. De frase „Shri Rama Jay Rama Jay Jay Rama” werd op een bijzondere toon constant herhaald. Rama is de naam van een hindoe-god en het gezang betekent: „Moge Rama overwinnen.” Dit gezang moet de klagers kalmeren en hen helpen zich op God te concentreren. Het scheen in elk geval een vervanging voor het huilen te vormen.
Terwijl dit voortging, trokken twee aanzeggers erop uit om vrienden en familieleden over de dood te berichten, en was een vriend bezig het nieuws per telefoon te verbreiden. De bedoeling was dat de begrafenisstoet om half acht in de ochtend zou vertrekken, net vier uur nadat vader gestorven was.
De gereedmaking van het lichaam
Mijn oudere broer bracht fijngemalen sandelhout vermengd met water op het voorhoofd van vader aan en vervolgens ook een roodachtig poeder, kanku genaamd, en sprenkelde daarna Ganges-water op zijn gezicht. Vervolgens ging hij vijfmaal rond het lichaam van mijn vader — een gebruik dat bekendstaat als de prudikchana — en riep ten slotte driemaal in vaders oor: „Hari ohm Tatsat”, wat betekent „Prijs God”. Hari is namelijk weer een andere hindoe-god. Deze zinsnede betekent voor de ziel dat hij het lichaam moet verlaten en God moet prijzen. Andere aanwezigen volgden zijn voorbeeld.
Hierna verliet bijna iedereen de kamer. Het lichaam werd van zijn kleding ontdaan en gewassen, en helemaal met kanku bepoederd. Tijdens deze werkzaamheden bleven enkelen constant gebeden of mantra’s in het Sanskriet mompelen, en werd er ook een gebed in mijn moedertaal, het Gujarati, opgezonden, waarvan de inhoud neerkwam op de volgende woorden: „O Heer! Alstublieft neem de ziel van deze man en moge zijn ziel in vrede rusten.” Daarna werd het gehele lichaam, met uitzondering van het gezicht, met een wit kleed en een rode, zijdeachtige stof bedekt, en daarna op een bamboebaar gelegd.
De baar werd ter plaatse in de kamer vervaardigd door twee mannen die in dit werk geoefend zijn, en was binnen een half uur gereed. Hij bestond uit twee bamboestaven van ongeveer 3 meter lengte met zo’n 12 bamboe-dwarslatten daaroverheen, alles met touw bijeengebonden. Het lichaam werd op de baar gelegd en met een touw erop vastgebonden. Daarna werd een keur van bloemen rond mijn vaders hals gelegd.
De begrafenisprocessie
Mijn twee broers, een van mijn neven en ikzelf droegen vaders met bloemen bedekte lichaam het huis uit. De vrouwen maakten daarbij luid misbaar, want dit zou de laatste maal zijn dat zij zijn lichaam zagen, aangezien vrouwen niet meelopen in de begrafenisstoet.
Mannen in witte of vaalgrijze kleding stonden buiten het huis te wachten, allen met een doek om de hals geknoopt. In ordelijke rij volgden zij door de straten de dragers van het lichaam. Aangezien mijn vader een vooraanstaand zakenman was geweest, zullen er wel zo’n 500 mannen aan de processie hebben deelgenomen, onder wie doktoren, rechters, ingenieurs, zakenlieden, boeren en filosofen.
Na een tocht van drie kwartier kwam de stoet bij de ingang van de Smashan (de plaats van de crematie), waar ze halt hield. Tot zover was mijn vader met zijn hoofd vooruit gedragen, zodat hij als het ware had kunnen terugzien naar alles wat hij gedaan had. Nu werd de baar omgedraaid, omdat hij nu vooruit moest zien naar wat komen zou.
Crematie
Hier in de Smashan geschiedt de eigenlijke crematie op een stuk grond van 2,5 bij 3 meter. Terwijl ’het lichaam erheen werd gebracht’ maakten vier mannen voorbereidingen voor het vuur. Ze legden daartoe eerst een laag van gedroogde koemest aan, 1,2 meter breed, 1,8 meter lang en 10 centimeter dik (behalve dat koemest als heilig wordt beschouwd, is het ook zeer brandbaar), daarop legden zij een laag hout, en ten slotte werd daar bovenop het lichaam van mijn vader gelegd.
Het lichaam werd van alle kleding en bloemen ontdaan en ingewreven met ghee, een vettig, boterachtig extract van melk. Ghee wordt als heilig beschouwd en is snel ontvlambaar. Daarna kwam er ook hout boven en aan weerszijden van het lichaam. En ten slotte ontstak men het vuur.
Gedurende het eerste uur, terwijl we allen toekeken, werden er constant mantra’s in het Sanskriet gemompeld, die allemaal besloten werden met een luid „Swaha”, „zo zij het”. Om ook zijn instemming te betuigen, goot mijn jongere broer bij iedere „Swaha” meer ghee in het vuur, en mijn oudere broer deed daar dan wat samagri, een zoetruikend, ontvlambaar mengsel bij. Deze mantra’s waren voor het veronderstelde zieleheil van de overledene. Zo wordt er bijvoorbeeld gebeden: „Moge de ziel die nooit sterft, doorgaan in zijn streven om God te bereiken.”
In twee uur was het lichaam verteerd. Een gedeelte van de as werd in een aarden kruik vergaard om later door mijn broer in de Ganges geworpen te worden. Alle aanwezigen baadden zich daarna in de daartoe aanwezige ruimte bij de Smashan.
Een basis voor ware troost en hoop
In de Smashan staan tal van beeldhouwwerken ter illustratie van de diverse leerstellingen in het hindoe-geloof. Wat me bijvoorbeeld vooral opviel, was een beeldhouwwerk, getiteld: „Kringlopen van het leven.” Op een grote cirkelvormige boog waren zeven scènes afgebeeld: ten eerste de geboorte van een kind, ten tweede een kind dat naar school gaat, ten derde een huwelijk, ten vierde een gezinstafereel, ten vijfde ziekte en ouderdom, ten zesde iemands dood. En ten zevende de wijze waarop iemands lichaam naar een crematieplaats wordt gedragen.
Deze levenskringloop wordt in het hindoeïsme als iets normaals voorgesteld, als de wijze waarop alles is bedoeld. Ziekte en dood zullen volgens deze kringloop altijd blijven bestaan. Maar verschaft zo’n leer werkelijke troost en hoop?
Na het bad, keerden we terug naar huis. Die avond, terwijl iedereen met andere dingen bezig was, zag ik hoe mijn schoonzuster zachtjes in zichzelf huilde. Ik vroeg haar daarom: „Wat is er aan de hand?” Ze antwoordde dat ze mijn vader miste.
Opnieuw kwam het gesprek op Jehovah God, en ik vroeg haar: „Hebben de dingen die je over Jehovah hebt geleerd, je niet gelukkig gemaakt?” „Ja”, zei ze, „als dat allemaal waar zal worden, dan is er zeker reden om blij te zijn.”
We hadden het tot dusver nog niet over de opstanding gehad, dus vroeg ik haar: „Hoe zou je het vinden als je mijn vader zou kunnen terugzien met dezelfde persoonlijkheid als waarmee je hem hebt gekend? Zou je dat graag willen?” Het antwoord was natuurlijk: „JA!”
Toen opende ik mijn bijbel en we lazen Handelingen 24:15, waar staat: „Op God heb ik mijn hoop gesteld, welke hoop ook deze mannen zelf koesteren, dat er een opstanding zal zijn van zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen.” Dit woord „opstanding” was nieuw voor haar; het vormde voor haar een nieuwe gedachte. Ik vertelde dat de opstanding geen wedergeboorte of reïncarnatie inhoudt, maar in feite een terugkeer naar het leven is van iemand die volledig onbewust in de dood heeft vertoefd. De meeste mensen die hebben geleefd, zo vertelde ik haar, zullen tot leven op aarde worden hersteld wanneer er betere omstandigheden heersen.
Zij was goed in staat deze bijbelse leer te begrijpen, want ze had oprechte belangstelling voor hetgeen er in de bijbel stond. En ze kon het ook vergelijken met de hindoe-gedachte van reïncarnatie. Volgens de hindoeleer komt iemand ook tot leven op aarde terug, maar dan in een andere gedaante, aangezien men van de ziel gelooft dat hij weer de baarmoeder van een vrouw of dier ingaat om als iets of iemand anders herboren te worden. Dat zou echter betekenen dat ze mijn vader nooit meer in zijn wedergeboren stadium zou herkennen. De bijbelse leer van de opstanding sprak haar daarom erg aan, want ze miste mijn vader zeer en verlangde er sterk naar hem weer terug te zien zoals ze hem gekend had.
Bovendien, zo maakte ik haar duidelijk, keert iemand volgens de wedergeboorte terug in dit samenstel van dingen, waar mensen ziek worden en sterven. Maar de opstanding zal plaatsvinden nadat Jehovah God, door middel van zijn Koninkrijksregering, een eind aan dit corrupte samenstel van dingen heeft gemaakt (Matth. 6:9, 10; Dan. 2:44). Daarna zullen er in Gods nieuwe samenstel van dingen de omstandigheden heersen die we al eerder in Openbaring 21:3, 4 hadden gelezen. Ziekte, rouw en zelfs de dood zullen tot het verleden behoren!
De noodzaak van hulp
Nu had mijn schoonzuster haar tranen gedroogd, en ze voelde zich een stuk beter. Maar over een paar dagen zou ik vertrekken en haar zorg was: ’Wie gaat me verder onderwijzen over deze dingen?’
Ik gaf haar een bijbel en een aantal bijbelstudiehulpmiddelen. Vooral vestigde ik haar aandacht op de brochure Het leven heeft veel meer te bieden!, en ik liet haar zien hoe ze deze bij het bestuderen van de bijbel kon gebruiken. Bij een recente briefwisseling hebben we deze brochure als basis voor onze bijbelstudie gebruikt.
Er zijn in Jamnagar en in dat deel van India helemaal geen Getuigen van Jehovah. Maar tijdens dit bezoek verheugde het mij te bemerken dat vooral jonge mensen zoekende zijn en heel goed op de waarheid uit Gods Woord reageren, als zij maar de nodige hulp ontvangen. Indien het Gods wil is, hoop ik een instrument te mogen zijn om enkelen van hen te helpen de waarheid over de levende God Jehovah te leren kennen, een waarheid die tot eeuwig leven leidt (Joh. 17:3). — Ingezonden.
[Inzet op blz. 19]
Ik vroeg toen: „Hoe weten we dan of vader een gunstige of ongunstige wedergeboorte zal ondergaan?”
[Inzet op blz. 21]
„In twee uur was het lichaam verteerd.”
[Inzet op blz. 23]
’De bijbelse leer van de opstanding sprak haar erg aan.’
[Illustratie op blz. 17]
Mijn zuster en mijn schoonzuster
[Illustratie op blz. 20]
„Alles van de koe wordt als heilig beschouwd, de mest ervan inbegrepen”
[Illustratie op blz. 22]
Het monument, getiteld: „Kringlopen van het leven”