Ik onderging een open-hartoperatie
DE PLAATS: het St.-Vincentsziekenhuis in Melbourne, Australië. De tijd: vierentwintig uur voordat ik een open-hartoperatie zou ondergaan. Terwijl ik nog eens de liefdevolle brief van een van mijn kinderen doorlas, dacht ik: „Zonder Gods hulp kom ik hier nooit meer levend uit.”
In de loop der jaren had ik bij verscheidene gelegenheden reeds waargenomen dat mijn algehele gezondheidstoestand niet was wat ze moest zijn, ook al kon ik de oorzaak van de moeilijkheden niet vaststellen. In maart 1973 trof de firma waarbij ik werkte regelingen voor een uitgebreid medisch onderzoek voor al haar personeelsleden.
En hoewel er ook toen geen enkel waarneembaar gebrek aan het licht trad, bleef ik verre van tevreden over mijn gezondheid — vooral omdat ik me niet honderd procent voelde. Wanneer ik me maar even lichamelijk inspande, was ik al buiten adem en dat bleef zo. Maar naarmate de weken verstreken, begon ik het als een normaal verschijnsel te beschouwen voor mensen van mijn leeftijd. Ik was toen achtenveertig.
Het werkelijke probleem treedt aan het licht
In december 1973 ging ik met mijn gezin naar een congres van Jehovah’s Getuigen dat aan de oostkust van Australië, op de Randwick-racebaan van Sydney werd gehouden. Er was voldoende parkeergelegenheid voor iedereen, maar toch was het nog een flink stuk lopen voor we onze zitplaatsen hadden bereikt. En ik merkte wel dat ik elke dag buiten adem was en met lopen een stuk bij de anderen achterraakte.
Na afloop van het congres ging ik met mijn vrouw naar Jervis Bay, waar de ouders van mijn vrouw vakantiehuisjes aan het strand verhuren. Na op een ochtend verscheidene kilometers langs het strand gewandeld te hebben, dook ik de golven in. Maar al na enkele slagen bemerkte ik dat ik buiten bewustzijn begon te raken. Ik slaagde er nog net in uit het water te komen en zakte wankelend op het strand in elkaar.
Toen ik bij kwam, lag ik op een stretcher, gedragen door mijn zoon en anderen. In een flits ging het door mij heen: De doden zijn zich toch van niets bewust, hoe kan het dan dat ik mijn dragers zie? Ja, elke situatie heeft denk ik wel zijn humoristische zijde.
Per ambulance werd ik naar het ziekenhuis vervoerd, waar men mij aan een onderzoek onderwierp. Ik werd in goede conditie bevonden en mocht weer vertrekken. De volgende dag was ik niet ziek, dus besloot ik mijn wandeling over te slaan en gewoon even rustig te gaan zwemmen. Het resultaat: een herhaling van de vorige dag. De ambulance-chauffeur en ik waren nu „oude bekenden”.
Ditmaal besefte men in het ziekenhuis wel dat er iets mis moest zijn. Maar slechts uitgebreide onderzoekingen zouden kunnen uitwijzen wat er aan de hand was. Men raadde mij daarom aan om zodra ik weer thuis, in West-Australië was, een uitgebreid onderzoek te laten verrichten.
De moeilijkheid opgespoord
Zonder wederwaardigheden volbrachten we de thuisreis, met mijn vrouw voor het grootste deel achter het stuur. Ik besloot een specialist te raadplegen, en ging, hoewel niet geheel zeker van het probleem, naar een hartspecialist.
Reeds bij mijn eerste bezoek constateerde deze bekwame chirurg tijdens het luisteren met zijn stethoscoop een slecht functionerende hartklep. Maar om zijn diagnose te bevestigen en er zeker van te zijn dat er van geen andere afwijking sprake was, liet hij me een kleine operatie ondergaan, voor het maken van een zogenaamd angiogram, waarvoor ik een avond en een nacht in het ziekenhuis moest overblijven.
Bij mijn elleboog werd een holle buis in een ader gebracht en vervolgens door mijn arm, naar het hartgebied geduwd. Daarna werd er via deze buis een contrastvloeistof in de bloedbaan gespoten, zodat er tv-opnamen van mijn hartslagaders en hartgebied konden worden gemaakt, die door mijzelf en de leden van de medische staf op tv-schermen aan de wand waren te zien en gelijktijdig op videoband werden vastgelegd. Dit was, naar ik begreep, de standaardmethode geworden.
Er werd inderdaad vastgesteld dat ik een slecht werkende aorta-klep bezat, maar ook dat twee kransslagaders die bloed naar het hart moesten vervoeren, geblokkeerd waren — de een bijna volledig, de ander gedeeltelijk. Derhalve werd besloten dat ik onmiddellijk een open-hartoperatie moest ondergaan.
Ten eerste zou de defecte aorta-klep, door middel waarvan het bloed uit mijn linker-hartkamer via de aorta of grote lichaamsslagader naar het hele lichaam wordt gepompt, vervangen worden door een plastic exemplaar.
En ten tweede zou er uit mijn been een stukje slagader genomen moeten worden om in het systeem van mijn kransslagaders twee extra kanalen aan te brengen, ter vervanging van de slagaders waar verstopping was opgetreden, zodat mijn hart weer vrijelijk van voeding- en zuurstofrijk bloed zou kunnen worden voorzien.
Terloops zij opgemerkt dat een gedeeltelijke verstopping van de kransslagaders met vettige afzetting in deze tijd bij veel mensen voorkomt en dat een groot percentage van alle hartmoeilijkheden, met inbegrip van hartaanvallen, eraan kan worden toegeschreven.a Ik was echter zo gelukkig geweest dat bij mij de waarschuwingen in de vorm van bewusteloosheidsaanvallen waren gekomen, die kennelijk geen beschadiging van het hart hadden veroorzaakt.
Opereren zonder bloed
Ik stemde in met een operatie, echter onder één voorwaarde: dat ik geen bloedtransfusie zou ontvangen; dat zou ingaan tegen mijn op de bijbel gebaseerde geloofsovertuiging. Mijn arts dacht dat ik misschien de ernst van de situatie nog niet inzag, en stelde voor om in de loop van de volgende week bloed uit mijn lichaam te nemen, dit op te slaan, en dan tijdens de operatie te gebruiken.
Ik verklaarde hem toen Gods zienswijze met betrekking tot bloed, zoals die in Deuteronomium 12:23, 24 te lezen staat: „Wees alleen vastbesloten het bloed niet te eten, want het bloed is de ziel en gij moogt niet de ziel met het vlees eten. Gij moogt het niet eten. Gij dient het als water op de aarde uit te gieten.” Dus ook het opslaan van bloed, zo legde ik uit, was schriftuurlijk onaanvaardbaar voor mij.
Na een bespreking van de dokter met drie medische collega’s werd besloten dat zij onder de gegeven omstandigheden niet in staat waren daar in hun ziekenhuis, in West-Australië, de operatie uit te voeren. Zij deden me het voorstel naar een bekwame arts in Melbourne, in Oost-Australië, te gaan, die reeds bij meer Jehovah’s Getuigen open-hartoperaties zonder bloed had verricht. Om geen voorbarige hoop te wekken, werd mij echter wel gezegd dat eerst de details betreffende mijn geval naar Melbourne gezonden zouden worden, alvorens er enige beslissing zou worden genomen. Kennelijk werd de vervanging van een hartklep door een kunststofklep, plus de verwijdering van een beenader en de transplantatie van een dubbele slagader op het hart — en dat allemaal zonder gebruik van bloed — als een iets te ongewone zaak gezien.
Voor dat moment dus allemaal slecht nieuws, en aanvankelijk voor mij in tweeërlei opzicht. Ten eerste omdat dit de eerste maal was dat mij persoonlijk zo’n operatie trof, en niet iemand anders. En ten tweede omdat het ook een angstwekkende ervaring was plotseling met de mogelijkheid van de dood geconfronteerd te worden; dat is iets waar je even aan moet wennen. Het was echter een grote troost mijn God Jehovah voor moed en kracht te kunnen aanroepen.
De bevindingen van het onderzoek — waarbij ook de video-tapes van de röntgenopnamen van mijn hart — werden naar de bewuste arts in Melbourne gezonden. Een paar dagen later kreeg ik het bericht dat hij zich erop voorbereidde de operatie uit te voeren. Binnen achtenveertig uur moest ik in Melbourne zijn. Enkele uren na aankomst werd ik in het ziekenhuis opgenomen.
De uitrusting voor open-hartchirurgie is zo kostbaar dat hier in Australië slechts één ziekenhuis in elke staatshoofdstad op het uitvoeren van dergelijke operaties is ingericht. In Melbourne was dat het St.-Vincentsziekenhuis. De arts bracht mij reeds de eerste avond een bezoek aan mijn bed en deed alles wat in zijn vermogen lag om mij van mijn geloof betreffende bloed af te brengen, onder andere door te zeggen dat mijn kansen op overleving minimaal waren. Hij deed erg zijn best om me bang te maken, en ik moet zeggen dat hij daar uitstekend in slaagde!
Ik voelde mijn knieën onder het laken trillen. En na zijn vertrek was ik erg onder de indruk van het feit dat hij kennelijk grote reserves koesterde ten aanzien van de mogelijkheden van deze operatie, net zoals ik trouwens zelf al had. Een moment wist ik niet wat ik zou doen: mijn kleren pakken en vertrekken, of blijven en de dingen afwachten. Een christen zijn betekende die avond en nacht heel wat; en ik besefte hoezeer wij allen God nodig hebben.
De arts vertelde later aan mijn vrouw dat hij de situatie zorgvuldig had overwogen, vooral ook het feit dat bij 30 percent van de patiënten na een dergelijke operatie inwendige bloedingen optreden, hetgeen, als het bloed niet vervangen wordt, fatale gevolgen kan hebben. Het was voor mij echter een aanmoediging toen ik in het plaatselijke nieuwsblad las dat diezelfde dag in het ziekenhuis een patiënt was overleden aan een verkeerde transfusie. De man in het bed naast mij zei zelfs: „Ik ben nu bang om bloed te krijgen; er schijnt een onvermijdbaar risico aan verbonden te zijn.”
Voorbereidingen voor de operatie
Er werd besloten dat ik voorafgaande aan mijn operatie een week in het ziekenhuis zou doorbrengen, om te acclimatiseren, verdere onderzoekingen te ondergaan en ademhalingsoefeningen te doen. Na een open-hartoperatie ondervindt de patiënt aanvankelijk vaak ademhalingsmoeilijkheden, zodat het belangrijk is van tevoren te weten wat je kunt verwachten en hoe je erop moet reageren, hetgeen later veel tot een goede geestelijke en lichamelijke gesteldheid kan bijdragen.
Tijdens die week voorafgaande aan de operatie kreeg ik bezoek van allerlei medische personen die erbij betrokken zouden zijn. De operatie zou door een team van hoogbekwame artsen worden verricht. En er werd mij uitgelegd dat het, om in de borstholte te komen, nodig zou zijn door het borstbeen heen te zagen, wat met een soort van cirkelzaag zou worden gedaan. Gelukkig sliep ik op het moment dat men mij het „gereedschap” wilde laten zien, zodat ik het niet kon „inspecteren”.
De arts die verantwoordelijk was voor de werking van de hart-longmachine, vertelde mij dat tijdens de operatie zijn machine ongeveer twee uur lang de functie van mijn hart en longen zou overnemen. Normaal wordt zo’n machine voor dat doel gevuld met bloed, maar in mijn geval zou er met een zoutoplossing worden gewerkt. Bij doorstroming door de machine zou mijn bloed van zuurstof worden voorzien en worden afgekoeld tot een temperatuur van 20 °C, en daarna weer in mijn bloedbaan worden gepompt. Dank zij deze machine zou de chirurg voldoende tijd hebben om aan mijn hart te werken — dat door de lagere temperatuur van het afgekoelde bloed reeds automatisch tot stilstand zou zijn gekomen.
Ten slotte zou dan het beslissende moment aanbreken waarop het werk was voltooid, de harttemperatuur weer tot normaal zou worden teruggebracht en het hart met het toedienen van een elektrische schok weer ’in bedrijf’ zou worden gesteld. Daarna zou als laatste mijn borstholte weer gesloten worden.
Enkele dagen vóór de operatie kwam ook de technische assistent kennis met mij maken. Hij vertelde dat zijn eigen broer een van Jehovah’s Getuigen was, en, wetend dat wij niet bijgelovig zijn, dat ik de dertiende Getuige van Jehovah was die aan deze machine zou komen te liggen. Hij deed zijn uiterste best om mij gerust te stellen en zei dat het heel lang geleden was dat zij een patiënt hadden verloren. Ik stelde zijn bezoek erg op prijs.
Tegen het eind van de week hadden de doktoren en verpleegsters zich aan de situatie aangepast en waren bijzonder vriendelijk voor me. Ik kon met een aantal van hen zelfs onderwerpen uit de bijbel bespreken, waarbij het me opviel hoe goed de bijbelse boodschap wordt ontvangen op plaatsen als deze, waar menselijke ellende, ziekte en onvolmaaktheid in volle omvang op je afkomen.
Tijdens de laatste nacht voor de operatie, toen ook mijn familie mij alleen op de ziekenafdeling had achtergelaten, putte ik grote troost uit het gebed. Ik moet met mijn bijbel in de hand zijn gaan slapen, want de volgende ochtend lag hij nog naast mij in bed toen ik een injectie kreeg om me onder narcose te brengen. Dat is het laatste wat ik mij nog van die 22e februari 1974 herinner.
Herstel
Verscheidene dagen later werd ik nog zwaar onder verdoving wakker op de „intensive care”-afdeling. Het eerste wat ik me daarvan herinner, is dat ik mijn vrouw naar mijn bed zag lopen, compleet met muts, jas en masker. Ze mocht vanwege de grote kans op infectie slechts een paar minuten blijven. Maar ik herinner me nog dat ze zei: „Ik hoop dat je je goed gedragen hebt.” Ik verzekerde haar dat met al die slangen en buisjes die overal uitstaken, me weinig andere keus overbleef.
De dokter had mijn vrouw gevraagd op de dag van de operatie weg te blijven, en haar beloofd dat hij onmiddellijk na de operatie zou bellen. Dat deed hij, en hij verzekerde haar dat alles goed met mij ging. De hele operatie had vijf uur geduurd en was met succes zonder bloed verricht, hetgeen, zoals de arts zei, „een grote stap voorwaarts betekende op hun terrein van ervaring”.
Het eigenlijke operatiewerk was volgens hem niet „groot” maar „massaal” geweest. Dank zij echter de uiterste zorg waarmee het operatieteam te werk was gegaan, had ik tijdens de hele operatie maar een halve liter bloed verloren. Daarna lekte er nog een halve liter uit de slangetjes die uit mijn onderborst staken, en kennelijk speciaal voor dat doel waren aangebracht.
De tweede dag na de operatie was ik geestelijk erg in de war. Maar dat duurde kort. Op de vierde dag verhuisde ik naar de zaal en begon al snel, ondanks mijn lichamelijke zwakte, weer rechtop te zitten en van alles notitie te nemen.
Twee weken na de operatie werd ik ontslagen, waarna ik een week in de stad bleef en vóór mijn vertrek per vliegtuig nog een laatste bezoek aan de chirurg bracht voor het ondergaan van een routineonderzoek en een laatste controle. Hij zei me graag op de hoogte te willen blijven van mijn lichamelijke vooruitgang en dat hij met mijn plaatselijke arts in Perth (West-Australië) contact zou blijven houden. Ik liet bij hem een bijbel en het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt achter, dat hij beloofde te zullen lezen.
Hoewel ik nog steeds patiënt ben, hoop ik toch in de nabije toekomst weer aan de slag te kunnen. Mijn gezondheid is aanzienlijk vooruitgegaan. Ik zwem dagelijks, speel golf en schat dat ik sinds mijn ontslag uit het ziekenhuis al zo’n 3000 kilometer gelopen heb.
En terugdenkend, kan ik in alle oprechtheid zeggen dat de afgelopen twee jaar de meest lonende van mijn leven zijn geweest. De firma waarbij ik 20 jaar gewerkt had, heeft me weliswaar ontslagen, omdat ze mij een te groot risico voor de toekomst vonden, en ik was toen nog te ziek om erg te protesteren. Maar sindsdien zijn een overvloed aan geestelijk vreugdevolle ervaringen mijn deel geweest, waardoor ik veel dingen meer ben gaan waarderen.
Ik heb bijvoorbeeld een groter begrip en medegevoel voor de zieken en bejaarden gekregen. Maar bovenal heeft mijn leven nu meer zin en doel dan het ooit voor die tijd heeft gehad. De liefde die ik voor mijn God Jehovah voel, kan ik niet onder woorden brengen.
Zes maanden na mijn operatie kon ik weer in gezelschap van mijn vrouw aan de van-huis-tot-huisbediening deelnemen. Tijdens die periode werden we vrijwel altijd bij iemand binnengenodigd en konden rustig zittend het doel van onze komst uiteenzetten. Het is voor mij beslist opbouwend en lonend gebleken over onze prachtige, op de bijbel gebaseerde hoop te spreken.
Hoewel ik onder de huidige omstandigheden misschien een geringere levensverwachting geniet en als werknemer veel risico meebreng, word ik voortdurend gesterkt door de zekere wetenschap dat het Gods voornemen is hier op aarde, onder de toekomstige heerschappij van zijn Koninkrijk, de mensheid eeuwig leven te laten genieten. Hetgeen hij onder andere verzekerd heeft met de prachtige bijbelse belofte in Openbaring: „Hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan” (Openb. 21:4). — Ingezonden.
[Voetnoten]
a Zie het artikel: „Hartaanval — De strijd tegen een moderne plaag” in de Ontwaakt!-uitgave van 22 november 1975.
[Illustratie op blz. 20]
Ik zwem dagelijks, en mijn gezondheid is aanzienlijk verbeterd