Een blik op „de zeven wereldwonderen” uit de oudheid
WANNEER men u zou vragen zeven moderne „wereldwonderen” op te noemen, van menselijke makelij, wat zou dan uw opsomming zijn? De Eiffeltoren in Parijs? Misschien het Empire State Building in de stad New York? Het Suez-kanaal? Reizigers hebben ze alle drie al vaak genoemd, net als trouwens andere opmerkelijke bouwwerken.
Maar veronderstel dat u meer dan tweeduizend jaar geleden had geleefd, hoe zou dan uw opsomming zijn geweest? Onder de Grieken en Romeinen bestonden destijds diverse lijsten van opmerkelijke bouw- en kunstwerken. Van Philo van Byzantium is er één bekend, evenals van Antipater van Sidon. Op de meest gangbare lijst echter, die tot op onze tijd bewaard is gebleven, komen de volgende menselijke maaksels voor die zich onderscheidden door hun kolossale grootte, uitzonderlijke schoonheid of andere bijzondere kenmerken:
De piramides van Egypte
Van „De zeven wereldwonderen” uit de oudheid zijn alleen de Egyptische Piramides tot op de dag van vandaag blijven bestaan. De belangrijkste ervan zijn de drie die te Gizeh liggen, aan de westelijke oever van de rivier de Nijl, nabij Caïro. Gebouwd als mammoetgraven voor bepaalde farao’s, is de eerste en grootste van farao Cheops (Choefoe), wiens stoffelijke resten en schatten in deze mammoettombe volkomen veilig werden geacht.
Voor dit kolossale bouwwerk met een vierkante basis van ruim 5 hectare en driehoekige zijden die elk precies naar een van de vier windstreken staan gericht en waarvan de bovenhoeken zich op 147 meter hoogte in de top verenigen, waren zo’n 2.300.000 afzonderlijke stenen nodig, van meer dan 2000 kilo elk! Hoe zulke reusachtige stenen gedolven, getransporteerd en op hun plaats werden gebracht, is niet met zekerheid te zeggen, maar naar alle gevolgtrekkingen die men kan maken, zijn er op zijn minst 100.000 mensen twintig jaar aan het zwoegen geweest om deze grote piramide te voltooien.
Waarom werden de piramides gebouwd? Wel, de oude Egyptenaren geloofden in een leven na de dood. Maar om de ziel te kunnen laten verder leven, moest, zo dachten zij, het vleselijke lichaam van iemand worden bewaard. Dus balsemden zij hun doden, terwijl de overledenen bovendien waardevolle voorwerpen meekregen om in het geestenrijk te kunnen gebruiken. Geen wonder dus dat bepaalde farao’s reusachtige, schijnbaar ontoegankelijke graftombes lieten bouwen!
De muren en hangende tuinen van Babylon
Wanneer toeristen in het verleden naar de piramides kwamen kijken, is het waarschijnlijk dat zij door hun ’reisgids’ ook werden aangespoord een kijkje in Babylon te gaan nemen. Volgens bepaalde overleveringen behoorden zowel de massale muren als de „hangende tuinen” van die stad tot „De zeven wereldwonderen” van de antieke oudheid.
Met de bouw van de muren van Babylon werd in de zevende eeuw vóór onze gewone tijdrekening door koning Nabopolassar begonnen, waarna zijn opvolger, koning Nebukadnezar II (624-581 v.G.T.) ze voltooide. De stad was aan beide kanten van de rivier de Eufraat gebouwd, met langs de oevers van de rivier een aantal poorten. Bovendien was ze nog eens omgeven door een dubbele muur, versterkt met torens, voorzien van een aantal zware poortdeuren (Jes. 45:1, 2). Twee Griekse historici uit de vijfde eeuw v.G.T. hebben over deze muren geschreven. Volgens Ctesias waren ze zo’n 90 meter hoog, volgens Herodotus 100 meter. De breedte werd door de laatste gesteld op 26 meter; of dat nu wel of niet precies klopt, dat de muren breed zijn geweest, moet wel, want Herodotus schrijft: „Op de bovenkant langs de randen van de muur bouwden ze éénkamervertrekken tegenover elkaar, met daartussen een ruimte waar een span met vier paarden makkelijk kon keren.”
Als een reiziger al onder de indruk was van die kolossale muren, kan het niet anders of hij zou de hangende tuinen van Babylon helemaal een „wonder” vinden. Nebukadnezar liet ze aanleggen, kennelijk voor zijn Medische koningin Amytis, die het vlakke land van Babylon afschuwelijk vond en verlangde naar de bomen en heuvels van haar geboorteland.
De hangende tuinen bestonden uit een serie kunstmatige terrassen, door marmeren trappen met elkaar verbonden en mogelijk oprijzend tot een hoogte van 23 à 90 meter. Op die terrassen, bedekt met aarde, groeiden tal van bloemen, struiken en bomen, terwijl volgens de overleveringen ploegen slaven elkaar afwisselden om een soort van schroeven in beweging te houden die water van de Eufraat naar de tuinen ophevelden. Van waterreservoirs op het hoogste terras werd het water dan naar fonteinen beneden geleid om voor de nodige irrigatie te zorgen. Hoe uitzonderlijk ze echter ook waren, deze hangende tuinen zijn verdwenen.
De tempel van Artemis te Éfeze
Toen de christelijke apostel Paulus tijdens de eerste eeuw van de gewone tijdrekening een bezoek bracht aan de vermaarde stad Éfeze in Klein-Azië, bevond zich onder de bekende gebouwen daar de tempel van de godin Artemis (de Romeinse Diana). De oorspronkelijke tempel die in 550 v.G.T. was ontworpen, maar in 356 v.G.T. verloren ging, werd vervangen door dit gebouw, dat nog prachtiger was dan het origineel.
In de dagen van de apostel Paulus stond deze schitterende tempel op een platformig onderstuk van ongeveer 128 meter lang en 73 meter breed. Het gebouw zelf was bij benadering 105 meter lang en 50 meter breed, terwijl het inwendige heiligdom 32 bij 21 meter mat en naar men vermoedt, van boven open is geweest. Wellicht heeft er achter in dit heiligdom, achter het altaar, een beeld van de godin Artemis gestaan. Van die indrukwekkende marmeren tempel met daktegels van wit marmer en meer dan honderd massieve zuilen, is niets overgebleven dan het fundament en wat betrekkelijk kleine restanten. De Goten hebben de tempel in ongeveer 260 G.T. verwoest. Ja, ook al schreeuwden de aanbidders van deze godheid eens: „Groot is Artemis van de Efeziërs!”, toch is die grootse en eens zo glorieuze tempel in de loop der geschiedenis vergaan. — Hand. 19:34.
Het standbeeld van Zeus te Olympia
Zo dacht men ook van de bekende beeldhouwer Phidias dat hij een god had gemaakt toen hij omstreeks 435 v.G.T. een van „De zeven wereldwonderen” van de antieke oudheid had gewrocht — een 12 meter hoog standbeeld van Zeus (de Romeinse Jupiter), gezeten op een cederen troon, versierd met ebbenhout, ivoor, goud en edelstenen. Het beeld zelf van deze valse god was getooid met een olijfkrans om zijn hoofd en bestond uit ivoor en goud; ivoor voor de naakte delen van het lichaam en goud voor de mantel, aangebracht op een houten kern. In de rechterhand van de god plaatste Phidias een goud-ivoren figuur van Victoria en in zijn linker een scepter met een adelaar erop.
Dit gigantische beeld werd geplaatst in de tempel van Zeus te Olympia (Griekenland) waar vele atleten en andere sport enthousiasten die daar voor de Olympische Spelen naar toe kwamen, tot de bewonderaars ervan hebben behoord. In een latere eeuw liet de Romeinse keizer Theodosius I het beeld naar Constantinopel overbrengen, waar het in 475 van de gewone tijdrekening door brand werd verwoest.
Het mausoleum te Holicarnassus
Toen koning Mausolus van Carië in Klein-Azië in 353 v.G.T. stierf, was kennelijk zijn vrouw Artemisia van mening dat de naam en roem van haar echtgenoot moest voortleven. En daartoe liet ze een prachtige graftombe voor hem bouwen, het zogenaamde mausoleum, gelegen te Halicarnassus, in het zuidwesten van Klein-Azië. Interessant genoeg worden zelfs thans nog grote gebouwen die ruimte bieden voor het bergen van een stoffelijk overschot, mausoleums genoemd.
De tombe voor Mausolus werd ontworpen door de Griekse architecten Pythios en Satyros. Ze was zo’n 41 meter hoog en bezat een rechthoekige basis waarop een colonnade van zesendertig pilaren rustte. Deze colonnade steunde een trapsgewijs oplopende piramide, waarop een standbeeld van Mausolus in een strijdwagen prijkte. En dat alles ter ere van slechts één man!
Hoe indrukwekkend dit mausoleum echter ook mocht zijn, het werd toch door een aardbeving vernietigd. Tegen de vijftiende eeuw van de gewone tijdrekening was het bouwwerk verdwenen. Slechts een paar stukken van de eens zo prachtige tombe zijn thans nog aanwezig.
De Colossus van Rhodos
In de wandeling aangeduid als de Colossus vanwege zijn geweldige grootte, stond er eens nabij de haven van het eiland Rhodos in de Egeïsche Zee een beeld van de zonnegod Helios. Dit bronzen standbeeld was ruim 36 meter hoog, net zo hoog ongeveer als het Vrijheidsbeeld in de haven van New York, en vormde stellig een kolos — één vinger was al groter dan menig gewoon standbeeld! Om deze holle afbeelding van Helios te verstevigen, gebruikte zijn Griekse schepper, de beeldhouwer Chares van Lindos (Rhodos), ruim zes en een half ton ijzeren staven en daarnaast nog grote blokken steen. Chares werkte er twaalf jaar aan, tot het beeld ten slotte in 280 v.G.T. gereed was. Het stond daarbij niet, zoals sommigen wel hebben beweerd, schrijlings over de haven, zodat de schepen tussen de benen doorvoeren, maar was opgericht op een kade en keek in de richting van de zee.
Maar hoe het ook zij, de kolos van Rhodos heeft het slechts zesenvijftig jaar uitgehouden! Bij een aardbeving in 224 v.G.T. viel hij om, waarna de brokstukken nog achthonderd jaar op de rotsen schijnen te hebben gelegen, tot ze in de zevende eeuw van onze gewone tijdrekening als oud metaal werden verkocht. Een weinig roemvol einde voor een van „De zeven wereldwonderen” van de oudheid!
De Pharos van Alexandrië
Een echte „wolkenkrabber” en nog een „wonder” uit de oudheid was een hoog oprijzende vuurtoren op een eiland in de haven van het Egyptische Alexandrië, die de naam Pharos kreeg vanwege het eiland (thans schiereiland) waarop hij stond. Zo beroemd was dit lichtbaken dat pharos bij de Romeinen de algemene aanduiding werd voor een vuurtoren en dit is in het hedendaagse Engels nog zo (evenals in het Italiaans en Frans, waarin men respectievelijk spreekt over faro en phare).
Hoewel de berichten erover niet volkomen gelijkluidend zijn, schijnt de Pharos van Alexandrië zo’n 134 meter hoog te zijn geweest. Zijn ontwerper was de Griekse architect Sostratus, terwijl de bouw in 1270 v.G.T. geschiedde, tijdens de regering van Ptolemaeus Philadelphos. Het bouwwerk was in drie delen te onderscheiden en rustte op een stenen sokkel. Het laagste deel was vierkant, het middelste achtkantig en het bovenste deel cirkelvormig en open, bestaande uit een rij bronzen zuilen getooid met een dak.
Via een centrale schacht werd door middel van een windas hout naar het bovenste, open gedeelte gehesen om het vuur te voeden dat daar voor het licht zorgde. Naar verluidt was er een spiegel die in de nacht het licht van het vuur en overdag het licht van de zon weerkaatste, zodat de toren tot op minstens honderdvijftig kilometer afstand zichtbaar was.
Wat is er met de Pharos van Alexandrië gebeurd? Op 7 augustus 1303 werd de toren gedeeltelijk door een aardbeving verwoest, en nog diezelfde eeuw schijnt hij helemaal in elkaar te zijn gestort. Na het ondertussen toch maar ruim duizend jaar te hebben uitgehouden!
Zijn ze de moeite van het maken waard geweest?
Nog eens terugdenkend zult u wellicht vinden dat enkele van deze „wonderwerken” uit de oudheid wel een nuttig doel hebben gediend. De hangende tuinen van Babylon waren een lust voor het oog en de formidabele muren van de stad voorzagen in een bepaalde mate van bescherming. En de Pharos van Alexandrië was een welkom baken voor alle schippers op zee.
Maar de grote tempel van Artemis, de Zeus te Olympia en de Colossus te Rhodos? Vanuit kunstzinnig en architectonisch oogpunt bezien, waren dat stellig uitzonderlijke werken. Alleen, wat een verkwisting van tijd en energie om ze te maken! Dat moet ook heel goed beseft zijn door dienstknechten van de ware God Jehovah, die in die tijd van „De zeven wereldwonderen” leefden en zich door Gods Heilige Woord lieten leiden. Ongeveer 460 vóór de gewone tijdrekening, voordat Phidias begon aan de vervaardiging van zijn mammoet-Zeus, was het bijbelboek Psalmen reeds tot voltooiing gekomen en had de psalmist, gedreven door de geest van de levende God Jehovah, verklaard: „De afgoden der natiën zijn zilver en goud, het werk van de handen van de aardse mens. Een mond hebben ze, maar niets kunnen ze spreken; ogen hebben ze, maar niets kunnen ze zien; oren hebben ze, maar aan niets kunnen ze het oor lenen. Ook bestaat er geen geest in hun mond.” — Ps. 135:15-17.
En denk ook nog eens aan de piramides van Egypte en dat zo beroemde mausoleum. Het verlangen om geëerd en herdacht te blijven worden, heeft sommige mensen tot de bouw van indrukwekkende monumenten gedreven. Maar hoe tot nadenken stemmend zijn voor hen en voor allen die leven, de goddelijk geïnspireerde woorden van de wijze koning Salomo, die schreef: „Er is geen gedachtenis aan mensen uit vroeger tijden, noch zal die er ook zijn aan hen die later zullen komen. Er zal zelfs geen gedachtenis aan hen blijken te zijn onder degenen die nog weer later zullen komen” (Pred. 1:11). De bladzijden van de geschiedenis zijn gevuld met vele namen, maar deze hebben in het leven van hedendaagse mensen weinig betekenis. Slechts bij Jehovah berust het vooruitzicht op herdenking en herstel tot leven door middel van een opstanding. — Job 14:13-15; Hand. 24:15.
[Kaart op blz. 17]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Zwarte Zee
Middellandse Zee
Rode Zee
GRIEKENLAND
EGYPTE
BABYLON