Moet de naam Jezus „bittere herinneringen” wekken?
BIJNA iedereen heeft wel gehoord van Jezus van Nazareth. Honderden miljoenen beschouwen hem als de belangrijkste man die ooit op aarde heeft geleefd. Er zijn er echter ook die hem met heel andere ogen bezien.
In de verzameling joodse geschriften die als de Babylonische talmoeda bekendstaan, komt bijvoorbeeld de volgende verklaring voor: „Op de vooravond van het Pascha werd Jesoea [Jezus] gehangen. Veertig dagen voordat de terechtstelling plaatsvond ging een heraut rond die riep: ’Hij zal gestenigd worden omdat hij toverij heeft beoefend en Israël tot afval heeft verleid. Laat een ieder die iets ten gunste van hem kan zeggen, naar voren treden en ten behoeve van hem pleiten’. Maar omdat er niets te zijnen gunste naar voren werd gebracht, werd hij op de vooravond van het Pascha opgehangen!” — Traktaat Sanhedrin, foliant, bladzijde 43a.
In zijn boek The Jewish People and Jesus Christ (Het joodse volk en Jezus Christus) maakt Jakób Jocz de opmerking: „De naam van Jezus en het symbool van zijn lijden wekken bittere herinneringen in de joodse geest.” Soms is die bitterheid zelfs heel sterk. „Moge zijn naam en herinnering worden uitgewist”, hebben oprechte joden wel verklaard wanneer de naam van Jezus ter sprake kwam.
En al mogen dan niet alle joden Jezus een bitter hart toedragen, tot zelfs in onze twintigste eeuw zijn zulke gevoelens niet uitgewist. En daar zijn zeker bepaalde redenen voor aan te wijzen.
Redenen voor bitterheid
● Eeuwenlang hebben de joden een afschuwelijke vervolging meegemaakt van de zijde van de christenheid. Op enkele van de schokkendste bladzijden van de geschiedenis is sprake van bloedige kruistochten, mensonterende vernederingen, gedwongen doop en systematische uitroeiing van miljoenen mensen, van wie de enige „misdaad” bestond in het feit dat zij jood waren.
● Honderden miljoenen leden van de kerken der christenheid aanbidden Jezus als de tweede persoon van een mysterieuze „Drieëenheid”, de volledige gelijke van de Almachtige God. De geïnspireerde Hebreeuwse Geschriften verklaren echter „Hoor Israël! De Eeuwige, onze God, de Eeuwige is eenig” (Deut. 6:4, „joodse vertaling van Vredenburg”). Het argument van theologen dat God zowel „enig” als „drie” is, heeft joodse mensen niet kunnen overtuigen.
● Veel kerkgebouwen van de christenheid bevatten beelden van Jezus waarvoor de aanbidders zich in eerbied neerbuigen. Dit is walgelijk voor mensen die zich in hun leven houden aan het tweede van de Tien Geboden: „Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken van iets dat in de hemel boven of op de aarde beneden, of in het water onder de aarde is! Gij zult u voor hen niet buigen, noch hen dienen.” — Ex. 20:4, 5, „Jewish Publication Society”.
● Jezus van Nazareth beweerde de lang beloofde Messías te zijn. Maar volgens rabbijn H. G. Enelow zijn „de ideeën die in de joodse geest met de Messías in verband worden gebracht, niet alleen in de tijd van Jezus, maar tot op de huidige dag onvervuld gebleven”.
Hebt u zich met het oog op bovenstaande bezwaren ooit afgevraagd hoe het mogelijk was dat zeven jaar nadat Jezus met zijn openbare predikings- en onderwijzingswerk was begonnen, alle volgelingen van hem, duizenden in getal, natuurlijke joden waren of personen die zich voordien tot het jodendom hadden bekeerd? Waarom luisterden zij naar Jezus?
„Het kan geen enkele nadenkende jood onverschillig laten”
Wellicht zijn sommigen van mening dat deze hele kwestie van Jezus van Nazareth en de joden, een dood twistpunt is geworden, niet meer waard om erover te discussiëren. Rabbijn Enelow brengt evenwel een belangrijk punt te berde: „Het kan geen enkele nadenkende jood onverschillig laten dat een jood [en hierbij verwijst hij naar Jezus] zo’n reusachtige invloed zou hebben gehad op de religieuze leer en het religieuze denken van het mensengeslacht.” Een andere joodse geleerde, E. R. Trattner, maakt in As a Jew Sees Jesus (Zoals een jood Jezus ziet) de volgende opmerking:
„Naar schatting zijn er meer dan zestigduizend boekdelen over hem (Jezus) geschreven. In achthonderd talen en dialecten wordt over hem gesproken. Voor mij is dit — omdat ik een jood ben — iets verbazingwekkends, want nooit heeft iets dergelijks op zo’n grote schaal in de annalen van de menselijke geschiedenis plaatsgevonden.”
„Twee afzonderlijke thema’s”
Op dit punt aangeland, is het misschien goed bepaalde misverstanden uit de weg te ruimen. Dr. Jocz schrijft: „De Christus van de Kerk . . . heeft niets uit te staan met de grote Nazarener. De discussie over de christelijke leer en de discussie over Jezus van Nazareth zijn twee afzonderlijke thema’s.” Hoe dat?
Wel, een beschouwing van de evangelieverslagen van de joodse schrijvers Matthéüs, Markus, Lukas en Johannes zal u ongetwijfeld voor een verrassing plaatsen. U zult daar namelijk nergens aantreffen dat Jezus om aanbidding van zijn discipelen vroeg of aanspraak maakte op gelijkheid met God, integendeel, hij zei bijvoorbeeld: „Ik doe niets uit mijzelf; maar deze dingen spreek ik, zoals de Vader mij heeft geleerd” (Joh. 8:28). Hij verklaarde ook: „De Vader is groter dan ik” (Joh. 14:28). En tijdens een periode van beproeving bad hij tot God: „Niet mijn wil, maar de uwe geschiede.” — Luk. 22:42.
In tegenstelling tot de kerken van de christenheid hebben noch Jezus noch enigen van de schrijvers van het „Nieuwe Testament” tot het gebruik van beelden bij de aanbidding aangemoedigd. Integendeel, u zult lezen: „Ontvliedt de afgoderij.” „Wacht u voor de afgoden” (1 Kor. 10:14; 1 Joh. 5:21). En in plaats van aan te moedigen tot mishandeling van onze medemensen, leerde Jezus in zijn Bergrede: „Blijft uw vijanden liefhebben en blijft bidden voor hen die u vervolgen, opdat gij er blijk van moogt geven zonen te zijn van uw Vader, die in de hemelen is, want hij laat zijn zon opgaan over goddelozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.” — Matth. 5:44, 45.
Een Engels-joodse encyclopedie had op de inhoud van Jezus’ leer het volgende commentaar: „In menig opzicht was zijn houding specifiek joods, zelfs met betrekking tot aangelegenheden die als een kenmerk van joods-religieuze onverdraagzaamheid worden opgevat. Jezus schijnt geregeld in de synagogen te hebben gepredikt, en dat zou niet mogelijk zijn geweest als zijn leer essentieel was afgeweken van de heersende farizeïsche geloofsovertuiging.”
Veel van wat dus thans bittere gevoelens opwekt wanneer joden over Jezus van Nazareth horen spreken, bestond in de eerste eeuw van de gewone tijdrekening nog niet. De joden in die tijd gaven er zelfs blijk van graag naar Jezus te luisteren. Waarom?
[Voetnoten]
a Er zijn twee talmoeds, de Palestijnse en de Babylonische. Beide bevatten materiaal dat bedoeld is als commentaar op de misjna, een bundeling van traditionele joodse wetten, waarvan sommige van vóór de gewone tijdrekening dateren.