Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g76 8/7 blz. 24-27
  • Het wandelende speldenkussen van de schepping

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Het wandelende speldenkussen van de schepping
  • Ontwaakt! 1976
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Eerst een les in anatomie
  • Een enkel woord over onze stekels
  • ’Voedsel en onderdak’?
  • De levenscyclus
  • Mijn vreedzame manier van leven
  • Klaar voor de strijd
  • Stekelvarkenstekels
    Ontwaakt! 1988
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Stekelvarken
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Stekelvarken
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
Meer weergeven
Ontwaakt! 1976
g76 8/7 blz. 24-27

Het wandelende speldenkussen van de schepping

MAG ik mezelf voorstellen. Ik ben een van de wandelende speldenkussens van de schepping. U kent ons wel. Marco Polo, de bekende wereldreiziger uit de dertiende eeuw had reeds een ontmoeting met enkele van mijn soortgenoten tijdens zijn reis door Zuid-Azië. Hij schreef erover: „Daar troffen we stekelvarkens aan die zichzelf oprolden wanneer de jagers hun honden op ze afstuurden, en met grote kracht pennen of stekels uit hun huid schoten waarmee ze zowel de mannen als de honden verwondden.”

Vijf eeuwen later waren nog velen bijzonder beducht voor ons. In 1744 schreef een zekere Churchill: „Wanneer ze worden getergd, kunnen zij door intrekking van hun lichaam hun stekels met zo’n kracht uitwerpen dat een getroffen mens of dier eraan sterft.”

Acht u ons daar werkelijk toe in staat? Kunnen wij onze pennen wegschieten? Tja, wat weet u eigenlijk van ons?

Eerst een les in anatomie

Laat me om te beginnen vertellen dat we zoogdieren zijn en wel knaagdieren. Deze laatste naam duidt er al op dat we graag onze tanden ergens inzetten, en die lenen zich daar dan ook uitstekend voor.

Jullie mensen hebben ons onderverdeeld in stekelvarkens van de Oude Wereld en stekelvarkens van de Nieuwe Wereld. Mijn verwanten in de Oude Wereld houden zich op in Zuidoost-Europa, Afrika en Zuid-Azië. De meeste zijn, met hun staart meegerekend, bijna een meter lang, terwijl sommige wel een gewicht van 27 kilo bereiken. Zij hebben een kuif van lange stekels op kop, nek en rug.

De stekelvarkens van de Nieuwe Wereld, zoals ik, zijn bewoners van Noord- en Zuid-Amerika. Ik ben een Noordamerikaans of (zo u wilt) Canadees stekelvarken, ongeveer negentig centimeter lang, de staart inbegrepen, met een gewicht van omstreeks 9 kilo. Enkele van mijn verwanten hier worden soms wel achttien kilo. Men noemt ons ook wel boomstekelvarkens vanwege het feit dat we ons voornamelijk in bomen ophouden. Onze achterpoten zijn daar goed voor toegerust, met klauwen die een uitstekend houvast in de takken verschaffen.

Misschien moet ik mijn kleur nog noemen. Wel, mijn vacht is bruinachtig zwart, en mijn angstwekkende stekels? Die zijn geelachtig wit. Ik heb wel eens horen zeggen dat een plaatje meer zegt dan duizend woorden, daarom hierbij ook mijn portret, vervaardigd door een vermaard artiest.

Een enkel woord over onze stekels

We worden „stekelvarkens” genoemd, hoewel we met varkens eigenlijk niets te maken hebben; maar stekels hebben we inderdaad meer dan genoeg. Onze staart, rug en zijflanken zijn met duizenden harde pennen bezet. Het zijn in feite samengegroeide en aaneengeklitte haarborstels, soms wel vijf tot zeven centimeter lang en erg scherp. Dat is plezierig — althans voor mij, want ik verdedig me ermee.

Enkele van ons hebben stekels met weerhaakjes. Die gaan uitstaan wanneer een pen in het vlees van een aanvaller dringt en opzwelt, waarna het vrijwel onmogelijk is de naald nog los te trekken. Bij elke beweging van het getroffen lichaamsdeel heeft de naald zelfs de neiging nog verder naar binnen te dringen.

’Voedsel en onderdak’?

Waar we wonen en wat we eten? Wel, dat valt niet één-twee-drie te zeggen, want onze smaak varieert. Als Noordamerikaan leef ik in de bomen; hoewel, dat is ook weer geen algemene regel, want enkele van mijn verwanten hier zijn ook erg tevreden met een verblijfplaats tussen rotsen of in holen onder de grond. Mijn neven in de Oude Wereld klimmen niet in bomen. Diverse van hen leven vaak samen in één groot hol met misschien wel een stuk of vijf ingangen.

Ik houd niet erg van reizen. Soms leef ik een heel seizoen in maar drie of vier bomen, waar ik het me gemakkelijk maak en me onledig houd met het kauwen van schors.

Daarmee zijn we bij ons voedsel aangeland. Mijn verre verwant in de Oude Wereld gaat er ’s nachts op uit (soms ook wel overdag) op zoek naar schors, wortels en val-fruit. Het kan ook wel eens gebeuren dat hij oogstgewassen vernielt, dat moet ik toegeven, maar ja op sommige produkten, de zoete aardappel bijvoorbeeld, is hij ook zo dol dat hij er echt niet vanaf kan blijven.

In de lente voeden Canadese boomstekelvarkens, zoals ik, zich soms met de kleine bloemtrossen of „katjes” van populieren en andere bomen. Later vinden we het heerlijk om te knabbelen op de bladeren van espen en andere bomen. Ook allerlei planten komen voor op ons menu, maar in de winter is het toch hoofdzakelijk boomschors wat de klok slaat.

Voedselexpedities onderneem ik meestal ’s nachts. Op de meest onverwachte plaatsen kan ik dan opduiken. Misschien staat er een mensenhut in het bos, en dan ook misschien . . . een kuipje zoute boter binnen tongbereik. Ik ben dol op zoute boter en zal geen restje overlaten. Misschien lukt het me ook om een zoutvaatje om te werpen, zodat de heerlijke inhoud op de tafel loopt! O! Zalige dag! Ik heb altijd zo’n onzinnige trek in zout; het is zelfs al een publiek geheim dat ik met graagte op de stelen van bijlen knabbel; die kunnen vanwege de transpiratie van allerlei mensenhanden toch zo heerlijk naar zout smaken!

Tijdens deze nachtelijke strooptochten laten we heel wat ongewone geluiden horen. Enkele van mijn familieleden hebben wel geprobeerd glazen flessen stuk te knauwen. En of u me wilt geloven of niet, het is zelfs bekend dat ze dynamietstaven hebben gegeten! Maar dat moet hun wel op een flinke indigestie zijn komen te staan.

De levenscyclus

Toch, ondanks dit twijfelachtige dieet, slagen we erin nog zo’n zes à tien jaar oud te worden. In gevangenschap zijn sommige stekelvarkens van de Oude Wereld wel twintig jaar geworden. En als diersoort bestaan wij, zwervende speldenkussens, al geruime tijd. In het oudste boek op aarde, de bijbel, worden we zelfs genoemd. Er staat in voorzegd dat stekelvarkens bezit zouden nemen van de verwoeste steden Babylon, Edom en Ninevé. En daarmee is niets te veel gezegd, want één onderzoeker van Babylons ruïnes trof daar „grote hoeveelheden stekelvarken-naalden” aan. — Jes. 14:23; 34:11; Zef. 2:14.

We zijn niet overdadig vruchtbaar. Voor zover het ons hier in de Nieuwe Wereld betreft, krijgen de vrouwtjes één jong per jaar, en wel in de lente. Stekelvarkens van de Oude Wereld hebben er soms wel twee of drie. En of u het nu wilt geloven of niet, maar onze jongen worden met stekels en al geboren! Een pijnlijke zaak? Nee, die stekels zijn in het begin zacht en worden pas na verloop van tijd, binnen een tijdsbestek van tien dagen, hard.

Wanneer junior zijn intrede doet in het huisgezin van zijn „Nieuwe Wereld”-ouders, is hij vaak al achtentwintig centimeter lang, groter dan het pasgeboren jong van een zwarte beer. Stelt u zich eens voor: een vrouwtje van misschien nauwelijks vijfenzeventig centimeter met een borstelige baby van 28 centimeter! In verhouding brengen wij de grootste jongen van alle zoogdieren ter wereld. Menselijke baby’s zouden bij hun geboorte al ongeveer 36 kilo wegen wanneer ze verhoudingsgewijs dezelfde grootte zouden bezitten!

Mijn vreedzame manier van leven

Sommige mensen verkeren in de veronderstelling dat wij stekelvarkens agressieve, strijdlustige stekers zijn, die altijd uit zijn op een gevecht. Maar dat is verre van waar. Sla me maar eens gade wanneer ik vreedzaam rondkuier en een beetje in mezelf piep, brom en snuif.

Drentel ik niet rond, dan moet u me waarschijnlijk boven in een boom zoeken. Daar rust ik uit van alle vermoeienissen en ben een toonbeeld van kalmte en rust. Wie wil me een gevaarlijke vechtersbaas noemen? Het kan wel eens gebeuren dat ik af en toe een gil slaak en daarna een uur lang doorga met jammeren, maar dat heeft geen gevaarlijke betekenis. Waarom ik dat doe, is voor jullie nog een raadsel en ik denk dat ik het nog maar een poosje geheimhoud.

Klaar voor de strijd

Word ik echter aangevallen wanneer ik daar beneden op de grond rondscharrel, door een wilde kat of welke andere belager maar ook, wel dan sta ik mijn mannetje. Mijn eerste reactie wanneer ik word beslopen, is om mijn kop en gevoelige reukorgaan onder een omgevallen boomstam te steken en me dan met mijn poten dicht tegen elkaar flink schrap te zetten, ervoor zorgend dat mijn buik goed is beschermd. Vervolgens ratel ik met mijn staart, een waarschuwing die ongeveer hetzelfde klinkt als het waarschuwingssignaal van een ratelslang.

Tegen die tijd heb ik ook mijn stekels opgezet, zodat ik tweemaal zo groot lijk, terwijl mijn staart heftig op en neer slaat. Kijk dan uit!

Is mijn belager toch zo dwaas om zijn aanval door te zetten, dan haal ik mijn neus uit mijn schuilhol, verberg hem zo goed en zo kwaad als dat gaat onder mijn buik, keer hem de rug toe en sla met mijn staart op hem in. Ik weet het, een frontale aanval kun je het niet noemen, maar doeltreffend is hij wel. Wanneer de aanvaller maar enig gevoel bezit, heb ik daarna gelegenheid genoeg om een goed heenkomen in een boom te zoeken.

Is een wilde kat erg dom, dan kost het me soms wel twintig stekels om hem op andere gedachten te brengen. Maar ik heb er genoeg — zo’n 30.000 — en de verliezen worden in de daaropvolgende maanden weer snel bijgevuld. Sommige dieren sterven wanneer een van onze scherpe naalden steeds verder bij hen binnendringt en een vitaal orgaan treft. Soms dringt een stekel door de kaak van een aanvaller, waardoor deze zijn bek niet meer kan opendoen en van honger sterft. De ziektekiemen op onze naalden kunnen trouwens ook dodelijke infecties veroorzaken.

Zelfs bergleeuwen en beren hebben door onze stekels de dood gevonden. Maar geen dier hoeft ons te vrezen als hij maar op een afstand blijft. En ondanks de bewering van Marco Polo schieten we onze stekels ook niet weg. Wanneer u me alarmeert en ik met mijn staart ga zwaaien, kan het natuurlijk wel gebeuren dat ik iets raak of dat er losse naalden wegschieten. Maar ontspan u maar, ik beschiet nooit iemand van een afstand.

Soms slaagt een vismarter — een verwant van de wezel — erin ons om te werpen en zijn tanden in onze onbeschermde buik te zetten, terwijl dat „monster” zich soms ook wel een gang door de sneeuw graaft om ons dodelijk van onderen te treffen. In het algemeen treden wij echter als overwinnaars uit het strijdperk te voorschijn.

Een heel enkele keer eindigen we ons bestaan op de eettafel. Maar dat is maar zelden; de meeste mensen vinden ons daarvoor niet lekker genoeg of zien misschien weinig eetbaars aan een wandelend stekelfort.

Wel, dat is mijn verhaal. Wellicht zullen we elkaar op een goede dag weerzien, en dan in levenden lijve. Mocht dat gebeuren, ga me dan rustig van een afstand bewonderen. Want u mag me dan een speldenkussen noemen, we behoren niet tot de gewone soort. Mijn „spelden” zitten er allemaal met de verkeerde kant in, tenminste wat u betreft.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen