Hoe te antwoorden wanneer uw geloof wordt betwist?
„TWEE dingen waar ik nooit over praat, zijn religie en politiek”, is de reactie van veel mensen wanneer deze onderwerpen ter sprake komen. Zij weten dat onplezierige debatten en zelfs verlies van vrienden het gevolg kunnen zijn. Dus vermijden zij deze onderwerpen angstvallig.
Ongetwijfeld zult ook u er een eigen godsdienstige en politieke mening op na houden — en misschien wel de overtuiging bezitten dat u gelijk hebt. Een andere mening is niets voor u. En wanneer u dan bovendien nog een weinig populaire of verkeerd begrepen overtuiging bent toegedaan, weet u dat de gemoederen erg verhit kunnen raken wanneer u erover praat.
Toch kan het aan de andere kant wederzijds verhelderend werken vragen omtrent uw geloof te beantwoorden. Open discussies kunnen zelfs ongegronde belemmeringen wegnemen en de geest van anderen openen voor nieuwe en heilzame ideeën. De manier waarop dat echter gebeurt, de manier waarop u reageert op uitlatingen van personen die het niet met u eens zijn, is vaak de sleutelfactor waarvan afhangt of de uitkomst van het gesprek gunstig of nadelig is.
Onmiddellijk agressief met uw beste argumenten gaan schermen, lijkt misschien op het eerste gezicht de beste methode. Maar de uitwerking is vaak averechts, met wrevel als enig resultaat. Beter is de verstandige bijbelse raad: „Wees steeds bereid iedereen van antwoord te dienen die tekst en uitleg vraagt van de hoop die in u leeft. Maar doe het bescheiden, met respekt en vanuit een zuiver geweten.” — 1 Petr. 3:15, 16, Het Nieuwe Testament in de omgangstaal.
’Bescheidenheid en respekt’ voor de oprechtheid waarmee de andere persoon in zijn eigen overtuiging gelooft, zal voorkomen dat men bij het bespreken van controversiële onderwerpen onaangename gevoelens oproept. Dat is ook de reden waarom de bijbel aanbeveelt dat iemand wanneer hij zijn christelijke geloof verdedigt, zich niet in moet laten met „dwaze en onredelijke discussies”, maar ’tegenover iedereen vriendelijk moet wezen, en een goede en geduldige leraar moet zijn, die zijn opponenten zacht terechtwijst’. — 2 Tim. 2:23-25, NO.
Wat Christus Jezus in zijn dagen te zeggen had, ging lijnrecht in tegen de sterk verschanste en geliefkoosde overtuiging van de meeste mensen tot wie hij sprak. Toch won hij vele harten omdat hij respect voor anderen toonde, ook al viel men hem aan vanwege zijn controversiële leer: „Schold men hem uit, dan schold hij niet terug.” — 1 Petr. 2:23, NO.
Ook de geloofsovertuiging van bepaalde hedendaagse christenen wordt verkeerd begrepen en kan zelfs worden aangevallen door mensen die er een „gewonere” of populairdere zienswijze op na houden. Natuurlijk zullen zij die belijden christen te zijn, Christus’ manier van antwoorden willen navolgen, evenals diens vroegere discipelen dat deden. Toen de mensen bijvoorbeeld opmerkten hoe overtuigd Petrus en Johannes spraken, en „bemerkten dat zij ongeletterde en gewone mensen waren, verwonderden zij zich. En zij herkenden hen als personen die met Jezus waren geweest”. — Hand. 4:13.
Een moderne illustratie van hoe christelijke beginselen doeltreffend toegepast kunnen worden, werd getoond tijdens een televisieprogramma dat in grote delen van Canada was te zien. Een vertegenwoordiger van Jehovah’s Getuigen werd aan de McMaster-universiteit van Ontario ondervraagd over enkele van de meer controversiële geloofspunten van Jehovah’s Getuigen. Het overdekte amfitheater van deze moderne universiteit zat tjokvol, met ongeveer 400 studenten. Onder de helle TV-lampen stelde een voorbereid panel van drie studenten en onder leiding van een voorzitter, vragen aan de Getuige. Een gedeelte van het discussieverslag volgt hieronder.
Een TV-vraaggesprek
Aan het begin van de bespreking stelde de voorzitter een vraag die bedoeld leek om Jehovah’s Getuigen als bevooroordeeld af te schilderen. Merk op hoe dit probleem rechtstreeks, maar toch tactvol werd behandeld.
Voorzitter: „Waarom vindt u andere religies onverdraagzaam?”
Getuige: „Zo’n verklaring lijkt natuurlijk in eerste instantie tamelijk bot, maar wat we bedoelen is dit: dat herhaaldelijk in de geschiedenis is gebleken dat wanneer religies tot grote macht kwamen, en tot een samenwerking kwamen met bepaalde politieke systemen, zij onverdraagzaam hebben gehandeld.”
Voorzitter: „Laten we eens een bepaalde tak van een religie nemen. De Jezuïeten bijvoorbeeld. Meent u dat zij in hun geschiedenis van onverdraagzaamheid hebben blijk gegeven?”
Getuige: „Dat is in heel wat landen kennelijk de gedachte geweest. Jezuïeten zijn bijvoorbeeld wel uitgewezen wegens hun bemoeienissen met de politiek van het land. Er is zelfs een periode in de geschiedenis geweest dat niemand minder dan de paus het noodzakelijk oordeelde hun enige beperking op te leggen. . . . Wanneer men bijvoorbeeld ooit de muurschilderingen van Diego Riviera in Mexico heeft gezien, valt daaruit duidelijk op te maken hoe wreed de oorspronkelijke bevolking en andere volkeren zijn behandeld, in een poging hun religieuze zienswijzen en een religieus bewind op te dringen.”
Door de geschiedenis het antwoord op de vraag te laten geven, werd de aandacht gericht op het werkelijke probleem. Daarna werden er enkele vragen gesteld met betrekking tot het politiek neutrale standpunt dat Jehovah’s Getuigen innemen.
Voorzitter: „Jehovah’s Getuigen sporen hun lidmaten aan bij verkiezingen niet te stemmen en niet hun trouw te tonen aan de vlag van enig land. Waarom is dat?”
Getuige: „Wel, om de kwestie voor de duidelijkheid nog even te herhalen: Of men wel of niet zal stemmen is een individuele keus van de zijde van elke Getuige van Jehovah; maar wij geloven dat wij historisch en bijbels bezien terecht dit standpunt innemen om niet bij politiek betrokken te willen zijn. Christus zelf zei bijna tweeduizend jaar geleden tot een Romeinse politicus: ’Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.’ . . . [De geschiedkundige] August Neander, die over de geschiedenis van de kerk in de eerste drie eeuwen heeft geschreven, verklaart duidelijk dat de christenen zich op een afstand hielden van de politieke staat en meenden dat wat zij tot de gemeenschap konden bijdragen, een heiliger levenswandel was, die anderen tot voorbeeld kon zijn en tot navolging kon stimuleren. Dat is dus onze mening — politici werken op hun terrein, wij op het onze — we trachten soortgelijke doeleinden te bereiken: in bepaalde gevallen zelfs identieke doeleinden. Maar de christelijke methode wijkt nu eenmaal af van de politieke methoden.”
Daarna sprak de Getuige over het zweren van trouw aan de vlag van enig land, en waarom Getuigen dit niet doen:
Getuige: „Dit is geen gebrek aan respect, evenmin als het van William Penn bij zijn historische weigering om de hoed af te nemen voor de koning, een kwestie was van gebrek aan respect. Voor hem was dat strikt een gewetenskwestie. Voor ons is het dat evenzo. Iedereen kan er een betrouwbaar naslagwerk — een encyclopedie — op naslaan om over de oorsprong van vlaggen te ontdekken dat het oorspronkelijk religieuze symbolen waren en dat de verschillende manieren om ze te groeten, trouw eraan te zweren, etc., een religieuze achtergrond hebben. Voor ons is het een vorm van een afgodsbeeld. Het is een politiek beeld. Het is een vorm van staatsaanbidding en wij weigeren, met alle respect, daaraan mee te doen, maar iemand anders zullen we wat dat betreft geen hinderpaal in de weg leggen.”
Tijdens het verloop van het programma werd het vraaggesprek overgenomen door een van tevoren uitgekozen forum van drie studenten die zich duidelijk hadden voorbereid op vragen over gebieden waarop zij Jehovah’s Getuigen kwetsbaar achtten.
De vragen van de studenten
Eerste forumlid: Christus bracht het Evangelie van het Goede Nieuws. Goed nieuws voor de armen, bevrijding van de gevangenen, vrijheid van de onderdrukten. Ik vraag mij af waarom uw Evangelie niet tot de mensen over deze dingen spreekt. Uw evangelie is slecht nieuws, geen goed nieuws.”
Getuige: „Het is slecht nieuws voor sommige mensen, Paul, omdat het het einde aankondigt van een systeem dat zij hebben verkoren boven een rechtvaardig en eerlijk systeem, dat tot zegen van de mensheid zou zijn. . . . Dat wat wij tot de mensen hebben gepredikt, is in alle landen, ook waar velen dachten dat het slecht nieuws was, gebleken een bevrijding voor de gevangenen te betekenen, een hoop voor de toekomst, een bevrijding van zonde en dood door bemiddeling van Christus.”
Eerste forumlid: „Bevrijding voor de onderdrukten is lichamelijk. Het is niet de bevrijding van de onderdrukten in geestelijke zin, maar in lichamelijke zin. Goed nieuws voor de armen betekent . . . hun voedsel geven. Jullie maken je alleen maar bezorgd over het redden van zieltjes. Maar het Evangelie van Goed Nieuws is voor de mens in zijn totaliteit.”
Getuige: „Ja.”
Eerste forumlid: „Doen jullie dat?”
Getuige: „Ja.”
Eerste forumlid: „Voeden jullie de zieken?”
Getuige: „Ja.”
Eerste forumlid: „Gaan jullie naar de fysieke mens en geven jullie hem de dingen die hij nodig heeft?”
Getuige: „Jazeker. [Reactie van het publiek duidt erop dat zij begrijpen dat de vragensteller verkeerde veronderstellingen heeft gemaakt.] Ik kan u zelfs vertellen dat op dit moment — Jehovah’s Getuigen hangen dit in het algemeen niet aan de grote klok omdat Christus zelf zei uw ene hand niet te laten weten wat de ander doet met betrekking tot geven — maar op dit moment hebben we een schip onderweg naar Honduras, vol goederen voor de mensen die daar lijden.”
Eerste forumlid: „Dat is de . . . eerste vorm van liefdadigheid die ik ooit van jullie organisatie heb gehoord.”
Getuige: „De eerste waarvan je hebt gehoord, maar niet de eerste die plaatsvindt.”
Eerste forumlid: „Wel, dit is geheel en al nieuw voor mij.”
Getuige: „Dan is het dus verrijkend en nuttig geweest om er even over te praten.”
Eerste forumlid: „Jullie gaan ervan uit dat de wereld slecht is en bestemd om vernietigd te worden, dat ontslaat jullie van elke verantwoordelijkheid ten aanzien van de wereld, met betrekking tot het milieu, de armoede, krijgsgevangenen, ja, alle wreedheden en onrechtvaardigheden van onze maatschappij. Dat is moderne ketterij, totaal onbijbels. Hoe rechtvaardigen jullie dat?”
Getuige: „Wel, wij komen niet overeen met het beeld dat je zonet hebt geschilderd.”
Eerste forumlid: „Maar wanneer jullie prediken dat de wereld zo spoedig aan zijn eind zal komen, dan kan de wereld jullie toch niets schelen?
Getuige: „Toch wel. Omdat we wel over het einde spreken, maar niet het einde van deze planeet of de menselijke samenleving daarop, maar het einde van alle onrechtvaardigheden waar jij je zo om bekommert. Het betekent de voleinding van datgene wat de mens in de loop der eeuwen heeft onderdrukt, zodat er niets meer van dien aard zal zijn. Dat is goed nieuws!”
Ook de Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift die door Jehovah’s Getuigen is vervaardigd, hield nog steeds sommigen bezig, zoals wel bleek uit de vraag van het tweede forumlid.
Tweede forumlid: „Waarom hebben jullie je zo ingespannen om een eigen vertaling te maken, terwijl de King-Jamesvertaling toch reeds als algemeen aanvaarde [Engelse] vertaling bestond?”
Getuige: „Om dezelfde reden als Goodspeed een eigen vertaling maakte en ook Moffatt dit deed [een Amerikaanse en Engelse bijbelvertaler].”
Tweede forumlid: „Kunt u mij zeggen welke persoon de vertaling heeft gemaakt?”
Getuige: „Het vertaalwerk is door een groep mannen verricht die op eigen verzoek anoniem wensen te blijven . . . Wat dat betreft, is er trouwens ook heel wat speurwerk voor nodig om erachter te komen wie de vertalers van de King-Jamesvertaling zijn geweest. De waarde van een vertaling wordt niet bepaald door het feit wie de vertalers zijn geweest, maar door de vertaling — het werk zelf.”
Het derde forumlid was bezorgd over het ’vaststellen van datums’ en het voorspellen van het einde. Door middel van antwoorden werd duidelijk gemaakt dat 1914 slechts het begin van de tijd van het einde was.
Derde forumlid: „Goed, het begin van het einde, . . . maar dan moet het einde wel dicht nabij zijn?”
Getuige: „Zeer dichtbij.”
Derde forumlid: „Maar waarom investeren jullie dan zoveel geld in gebouwen, grond en nieuwe Koninkrijkszalen, en nieuwe drukpersen, wanneer jullie slechts op het einde hoeven te wachten om dat allemaal voor niets te krijgen?”
Getuige: „De reden waarom wij dat nu doen, Erik, is omdat dat moet vanwege de geweldige groei in onze organisatie, de vraag naar bijbels en bijbelse lectuur. En één ding is zeker, wanneer dit samenstel aan zijn eind is gekomen, is het geld dat we nu hebben, niet meer nodig en bruikbaar. Er is dus geen enkele noodzaak het op te potten en financieel een rijke organisatie te worden, die elders investeringen gaat doen. Wij gebruiken het geld voor het doel waarvoor het door onze eigen leden is bijgedragen, en dat is, om het Evangelie verder te verbreiden.”
Mensen betwisten vaak de weigering van Jehovah’s Getuigen om een bloedtransfusie te accepteren. Tijdens het vraaggesprek fantaseerde een van de studenten allerlei hypothetische noodsituaties in een poging het schriftuurlijke verbod in Handelingen 15:20, 29 te omzeilen.
Student: „Maar veronderstel nu dat er iemand bij het ziekenhuis wordt binnengereden. Er zijn nog maar een paar seconden te leven. De enige mogelijkheid is een bloedtransfusie. Wat is dan uw antwoord? Ik bedoel, dat is moord wanneer u hem dat niet laat accepteren.”
Getuige: „Die situatie bestaat niet. In welke situatie maar ook dat iemand . . . laten we zeggen van de snelweg hier binnen wordt gebracht . . . en er is sprake van extreem bloedverlies, dan heeft elke eerste-hulpafdeling in elk ziekenhuis de beschikking over bloedplasma-vervangende middelen die . . .”
Student: „Maar plasma vervangt geen bloed.”
Getuige: „De totale hoeveelheid vloeistof in de aderen moet op peil worden gehouden. Het is niet zozeer het bloed als zodanig dat dan nodig is, maar de totale hoeveelheid vloeistof moet aangevuld worden. Dat doen deze bloedvervangende middelen. Ze worden gebruikt bij noodsituaties en aanbevolen door organisaties van de burgerbescherming ingeval er geen bloed beschikbaar is. En ze voldoen — ze hebben reeds bij duizenden Getuigen van Jehovah voldaan.”
Mensen hebben vaak bedenkingen ten aanzien van de openbare predikingsmethode van Jehovah’s Getuigen.
Student: „Vindt u niet dat de huisbezoekmethoden van uw leden om hun religie te verkopen inbreuk maakt op de privacy van onze burgers?”
Getuige: „Niet meer dan van ieder ander die langs de huizen gaat. Niettemin zijn we ons er wel van bewust dat het bepaalde mensen hindert. En wanneer u tot diegenen behoort, zult u zich hun lot aantrekken. Heel veel andere mensen echter vertellen ons hoezeer zij onze bezoeken waarderen . . . En ofschoon u niet tot die mensen behoort, wil dit niet zeggen dat ze er niet zijn. Ik kan u beide kanten van de zaak vertellen. U kent slechts uw eigen standpunt, maar het is een feit dat vele mensen ons bedanken voor ons bezoek. Vaak zeggen ze ons dat wij hen weer tot bijbellezen hebben gestimuleerd. Hoewel het dus soms iets is dat mensen hindert, doen wij het omdat de Schrift het ons beveelt. We beschouwen het als een methode om liefde voor onze naaste tot uitdrukking te brengen, om hem van dienst te zijn met wat wij met hem kunnen delen; en uiteindelijk geloof ik ook dat het waard is om hier te vermelden dat dit werk buitengewoon succesvol is omdat we een grote groep mensen bereiken die bereikt moet worden en niet door andere religieuze groepen wordt bereikt.”
Soms maken zij die de geloofsovertuiging van een ander betwisten, zichzelf schuldig aan de bezwaren die zij ten aanzien van een andere religie opwerpen, zoals dit het geval was met een andere student.
Student: „Wat mij interesseert is wat jullie het recht of de autoriteit geeft om te menen dat jullie religie superieur is ten aanzien van, zeg, de mijne, een christelijke religie.”
Getuige: „Acht u mijn religie christelijk?”
Student: „Eh-mmm, nee, beslist niet.”
Getuige: „Wat geeft u het recht of de autoriteit om te menen dat uw religie superieur is aan de mijne? Ik wil u hier niet in verlegenheid brengen, maar . . .”
Student: „Dat hebt u wel!”
Getuige: „Zo gaat het altijd met dit soort van vragen. De zaak heeft altijd twee kanten; zij die niet kunnen begrijpen waarom anderen hun mening zo serieus nemen, hebben hun eigen heilige overtuiging, en wat u dient te doen, is bereid te zijn die andere persoon te respecteren met betrekking tot het feit dat hij zijn mening ernstig neemt en u dan gezamenlijk tot het Boek te wenden dat wordt verondersteld de antwoorden te hebben, en na te pluizen: Wie van ons beziet dit op de juiste manier? We hebben geen meningsverschillen met mensen. . . . Wij geloven dat oordelen aan God zijn voorbehouden. Maar wat we wel geloven, is dat wat de bijbel zegt, waar is en wanneer het over een bepaalde zaak iets zegt dat volgens andere mensen anders moet zijn, zullen wij niet met hen kunnen meegaan.”
Een goed effect
Deze rechtstreekse, eerlijke antwoorden gaven blijk van begrip voor andermans zienswijze. Dit Canadese televisieprogramma hielp dus velen in te zien dat er twee kanten zijn, zelfs wanneer het gaat om zo’n controversiële geloofsovertuiging als van Jehovah’s Getuigen. De kalmte en christelijke waardigheid die de Getuige behield, ook bij enige vijandigheid van de zijde van zijn vragenstellers, scheen zelfs de meeste indruk op de kijkers, ook op degenen die geen Getuigen waren, te hebben gemaakt. Hij kende de waarheid van de wijze spreuk: „Een zacht antwoord keert woede af, maar een woord dat smart veroorzaakt, doet toorn opkomen.” — Spr. 15:1.
Snedige antwoorden om de tegenstander ter plaatse de mond te snoeren, zijn niet op hun plaats. Een christen heeft het verlangen alle personen te helpen — zelfs zij die zich als tegenstanders beschouwen — om te pogen hen voor de waarheid te winnen. Hij houdt zichzelf derhalve in bedwang, ook wanneer men zijn overtuiging aanvalt, opdat anderen zullen erkennen dat hetgeen hij te zeggen heeft, niet uit zichzelf is, maar hecht is gefundeerd op de bijbelse „wijsheid van omhoog”, aangezien die „vóór alles rein” is, „vredelievend, vriendelijk, altijd voor rede vatbaar, rijk aan barmhartigheid en vruchten van goede daden, onpartijdig en oprecht”. — Jak. 3:17, Willibrordvertaling.
[Illustratie op blz. 8]
Scheppen uiteenlopende zienswijzen een onoverbrugbare kloof? Een Canadees televisieprogramma illustreert de waarde van hoffelijkheid en respect voor anderen, ook al is men het niet met hen eens