Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g76 8/5 blz. 26-29
  • Waarom was polygamie toegestaan?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Waarom was polygamie toegestaan?
  • Ontwaakt! 1976
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een korte geschiedenis van de polygamie
  • De Mozaïsche wet ontmoedigde polygamie en beschermde vrouwen
  • „De bestemde tijd om dingen recht te zetten”
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2003
  • Eén vrouw of vele — Is het van belang?
    Ontwaakt! 1985
  • Polygamie
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Polygamie
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
Ontwaakt! 1976
g76 8/5 blz. 26-29

Wat is de zienswijze van de bijbel?

Waarom was polygamie toegestaan?

TOEN Jezus Christus op aarde was, besprak hij wat Gods maatstaf met betrekking tot het huwelijk was. Gevraagd naar zijn mening omtrent de kwestie of het een man geoorloofd is zijn vrouw „op allerlei gronden” door echtscheiding te ontslaan, antwoordde Jezus: „Hebt gij niet gelezen dat hij die hen van het begin af heeft geschapen, hen als man en als vrouw heeft gemaakt en gezegd heeft: ’Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en de twee zullen één vlees zijn’? Zodat zij niet langer twee, maar één vlees zijn. Wat God derhalve onder één juk heeft samengebracht, brenge geen mens vaneen.” — Matth. 19:3-6.

Logischerwijs kan een ware christen dus ook geen polygamist zijn. De apostel Paulus, die Jezus’ leiding volgde, schreef: „Iedere man [moet] zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man” (1 Kor. 7:2). Hij gaf ook de raad dat „een vrouw niet van haar man dient weg te gaan; doch indien zij werkelijk zou weggaan, dan moet zij ongehuwd blijven of zich anders weer met haar man verzoenen; en een man dient zijn vrouw niet te verlaten” (1 Kor. 7:10, 11). Paulus schreef bovendien aangaande zichzelf en andere medechristenen die als voorbeelden de leiding namen: „Hebben wij geen autoriteit om een zuster als vrouw [geen ’zusters als vrouwen’] mee te nemen, evenals de overige apostelen en de broeders des Heren en Céfas?” — 1 Kor. 9:5.

Aangezien de goddelijke maatstaf dus is dat elke christen maar één vrouw of één man bezit, waarom stond God het zijn oude verbondsvolk Israël dan wel toe meer dan één vrouw te bezitten?

Een korte geschiedenis van de polygamie

Polygamie vond niet haar oorsprong onder ware aanbidders van Jehovah God. De eerste man die als polygamist wordt genoemd, is Lamech, een afstammeling van de ontrouwe Kaïn (Gen. 4:19). Maar Gods dienstknecht Noach had slechts één vrouw, evenals alle drie zijn zonen (Gen. 7:13; 1 Petr. 3:20). Gods vriend Abraham had maar één vrouw, Sara. En het was uiteindelijk Sara die na een lange periode onvruchtbaar te zijn geweest en in de wetenschap dat aan Abraham een „zaad” was beloofd, Abraham ertoe overhaalde betrekkingen met zijn Egyptische slavin Hagar te hebben, die daardoor een concubine of bijvrouw van Abraham werd (Gen. 16:1-4). Abrahams zoon Isaäk, die later door een wonder uit Sara geboren werd, en die het beloofde „zaad” was, had slechts één vrouw (Gen. 21:2, 12; 24:67). Isaäks zoon Jakob kwam door bedrog van de zijde van zijn schoonvader in het bezit van twee vrouwen, terwijl hij ook bijvrouwen bezat. — Gen. 29:21-29; 30:1-13.

En toen dan ook de Wet kwam, voerde deze geen polygamie of concubinaat in, terwijl er evenmin tot deze praktijken werd aangemoedigd. Polygamie was in het Israël uit de oudheid kennelijk ook geen algemene gewoonte; hoewel niet uitsluitend, kwam ze toch voornamelijk onder de meer aanzienlijken en welgestelden voor (Recht. 8:30; 2 Kron. 11:21). In de toenmalige landen was het voor een koning een soort van ’statussymbool’ om veel vrouwen te hebben. — 2 Sam. 16:20-22.

Wanneer er in de Psalmen, in Spreuken of Prediker over gelukkige huwelijken wordt gesproken, schijnt er vanzelfsprekend van de monogame staat (één vrouw) te worden uitgegaan. „Verheug u met de vrouw van uw jeugd”, verklaart Spreuken 5:18. En Prediker 9:9 geeft de raad: „Zie het leven met de vrouw die gij liefhebt, al de dagen van uw ijdele leven die Hij u gegeven heeft onder de zon.” (Vergelijk Psalm 128; Spreuken 18:22; 31:10-31.) Het gevaar van polygamie werd bovendien beklemtoond in de raad die God aan koningen gaf: „Ook dient hij [de koning] zich geen menigte vrouwen te nemen, opdat zijn hart niet afwijke” (Deut. 17:17). Koning Salomo negeerde deze waarschuwing, maar dat tot zijn eigen verdriet. — 1 Kon. 11:4-6.

De Mozaïsche wet ontmoedigde polygamie en beschermde vrouwen

De bepalingen in de Wet waren zodanig dat ze polygamie ontmoedigden. Telkens wanneer een man gemeenschap had gehad met zijn vrouw, was hij in religieuze zin een dag lang onrein (Lev. 15:16, 17). Betrekkingen met meer vrouwen zou een Hebreeuwse man dus vaker in een ongelegen situatie hebben gebracht, aangezien onreinheid hem van een aantal activiteiten buitensloot (Lev. 7:20, 21; 1 Sam. 21:3-5; 2 Sam. 11:11). Bovendien vereiste de wet dat het dubbele deel van de erfenis aan de eerstgeboren zoon toekwam, ook al was dit de zoon van de minst geliefde vrouw (Deut. 21:15-17). In al deze aspecten was polygamie dus onwenselijk.

En ook al was polygamie toegestaan, toch genoten de Hebreeuwse vrouwen onder de Wet een veel hogere en meer gerespecteerde status dan in andere landen aan de vrouw werd toegekend. Wanneer een man een maagd verleidde die niet was verloofd, was hij verplicht haar te trouwen, zonder nog ooit van haar te kunnen scheiden (Deut. 22:28, 29; Ex. 22:16, 17). En als een man zijn vrouw er ten onrechte van had beschuldigd ten tijde van het huwelijk geen maagd meer te zijn, kon hij haar nooit meer door echtscheiding ontslaan (Deut. 22:13-21). Ook de polygame man moest de volledige zorg en huwelijksplicht ten aanzien van zijn minst geliefde vrouw in acht nemen (Ex. 21:10, 11). Een buitenlands meisje dat tijdens de oorlogvoering als slavin gevangen was genomen, kon door de soldaat die haar had gevangen, tot vrouw genomen worden. Maar wanneer hij haar later wegzond omdat ze hem niet beviel, kon hij haar niet aan een ander verkopen. Hij moest haar vrij en naar haar eigen goeddunken laten vertrekken (Deut. 21:10-14). Dat soldaten met gevangengenomen maagden mochten trouwen, was een zegen voor deze meisjes, die anders geen huis of vrienden meer zouden bezitten.

Bovendien kon een man niet zo maar van zijn vrouw scheiden. Daar was een formeel echtscheidingscertificaat voor nodig. Hij moest dit uitschrijven en haar ter hand stellen, waarbij een openbare autoriteit als getuige aanwezig moet zijn geweest, terwijl deze handeling ook waarschijnlijk ten overstaan van de oudsten van de stad werd verricht, om de handeling een officieel en wettig karakter te verlenen. Deze voorziening, te zamen met de verdere wet dat een man niet meer met deze zelfde vrouw kon hertrouwen wanneer ze door een latere man was weggezonden of wanneer deze gestorven was, oefende een rem uit op haastige of ondoordachte echtscheidingen (Deut. 24:1-4). Bovendien verschafte een echtscheidingscertificaat een vrouw het wettige bewijs dat zij opnieuw huwbaar was. Het beschermde haar tegen de beschuldiging van prostitutie of overspel. — Vergelijk Deuteronomium 22:13-21.

„De bestemde tijd om dingen recht te zetten”

Hoewel God dus de polygamie in bepaalde banen leidde, leek het hem nog niet gepast in die tijd aan deze gewoonte onder zijn volk een eind te maken, net zo min als hij dit met de slavernij deed, hoewel hij dat gebruik ook aan beperkende bepalingen onderwierp. Het was er voor hem nog niet de tijd voor alle dingen tot zijn volmaakte maatstaf te herstellen. De schrijver van het bijbelboek Hebreeën citeert Jezus, die als het ware in verband met de vele dierlijke slachtoffers die de joden brachten, had gezegd: „Slachtoffer en offerande hebt gij [God] niet gewild, maar gij hebt mij een lichaam bereid” (Hebr. 10:5). De wettelijke regelingen ten aanzien van dierlijke slachtoffers verschaften enkel een schaduw en leverden niet de werkelijkheid. Jezus verschafte het werkelijk bevredigende slachtoffer om zonden weg te nemen. Over de offers en andere kenmerken van de wet, schrijft deze auteur nog: „Het waren wettelijke vereisten betrekking hebbend op het vlees en opgelegd tot aan de bestemde tijd om dingen recht te zetten.” — Hebr. 9:10.

Met Jezus’ verschijning op aarde brak daarom de tijd aan om dingen recht te gaan zetten. Hij maakte duidelijk wat Gods maatstaf met betrekking tot monogamie was, en dat de Schrift alleen op grond van overspel echtscheiding toestaat (Matth. 19:9). En toen door de Farizeeën werd gevraagd waarom God deze maatstaf niet aan Israël had opgelegd, gaf Jezus ten antwoord: „Mozes heeft u met het oog op de hardheid van uw hart de concessie gedaan uw vrouw door echtscheiding te ontslaan, maar dit is van het begin af niet zo geweest.” — Matth. 19:7, 8.

In overeenstemming met wat Jezus zei, had de profeet Jeremia reeds lang voordien voorzegd dat God in de omgang met zijn volk veranderingen zou brengen wanneer het nieuwe verbond op basis van Christus’ slachtoffer zou worden ingevoerd. Jeremia schreef: „’Zie! Er komen dagen’, is de uitspraak van Jehovah, ’en ik zal stellig met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond sluiten; . . . Ik wil mijn wet in hun binnenste leggen en in hun hart zal ik ze schrijven.’” — Jer. 31:31-33; Hebr. 10:16-18.

Het nieuwe verbond zou het harde hart verzachten van degenen die erin werden opgenomen, terwijl geloof in het offer van Christus het zondenbesef zou wegnemen, iets waartoe dierlijke slachtoffers nooit in staat waren geweest. De wet van dit verbond zou niet alleen iets zijn wat geschreven stond op stenen tafelen. Ze zou op harten geschreven staan. Ze zou een rein geweten schenken, iets wat de Wet niet kon. — Hebr. 9:13, 14.

Bovendien zien we dat zelfs met Christus’ komst niet alle dingen onmiddellijk werden rechtgezet. Na de discipelen drie en een half jaar onderwezen te hebben, zei Jezus tot hen op de avond vóór zijn dood: „Nog vele dingen heb ik u te zeggen, maar gij kunt ze op het ogenblik niet dragen” (Joh. 16:12). Mensen die ernaar streven aan Gods volmaakte maatstaf te voldoen, kunnen niet alle noodzakelijke veranderingen in hun leven tegelijk, binnen een kort tijdsbestek, aanbrengen. De eerste Hebreeuwse christenen moesten bijvoorbeeld nog veel leren aangaande tal van joodse tradities waarvan zij zich vrij moesten maken. Zij moesten door de apostel Paulus worden gecorrigeerd met betrekking tot eten, besnijdenis en het beschouwen van sommige dagen als heiliger dan andere. Liefdevol en welwillend oordeelde God het passend hen niet direct met al deze veranderingen te belasten. — Rom. hfdst. 14; Hand. 15:1-29.

Zo stond het ook met polygamie. Wegens de „hardheid” van de joodse harten forceerde God geen verandering. Het was op dat moment niet het belangrijkste wat gold. De apostel Paulus maakt dit met de volgende woorden duidelijk: „Waartoe dient dan de Wet? Ze werd toegevoegd om overtredingen openbaar te maken, totdat het zaad gekomen zou zijn aan wie de belofte was gedaan.” „Voordat het geloof echter was gekomen, werden wij bewaakt onder de wet, daar wij te zamen in verzekerde bewaring waren gesteld, terwijl wij uitzagen naar het geloof dat stellig geopenbaard zou worden. Dientengevolge is de Wet onze leermeester geworden die tot Christus leidt, opdat wij ten gevolge van geloof rechtvaardig verklaard zouden worden. Maar nu het geloof is gekomen, staan wij niet meer onder een leermeester” (Gal. 3:19, 23-25). God maakte de joden tot een afgescheiden natie door hun de Wet te geven. En zelfs in zijn bepalingen ten aanzien van polygamie zorgde God voor een onderscheid met de andere naties, die niet zulke wetten inzake deze kwesties bezaten.

Jehovah’s welwillendheid en progressieve leiding van zijn volk treden in deze kwestie van polygamie duidelijk aan het licht (Ps. 103:10, 14). Terwijl hij de mensheid uit haar lage, zondige staat omhoogbrengt heeft hij de tijd om bepaalde aspecten van zijn voornemen volledig te verwezenlijken. Wat dat aangaat, zal het trouwens nog de hele duizendjarige regering van zijn Zoon Jezus Christus vergen om alle gevolgen van zonde uit te wissen en de mensheid weer tot de volmaakte staat te herstellen, tot de toestand dat zij niet langer gehinderd zullen worden door enig restant van „hardheid van hart” en aldus elk aspect van Jehovah’s volmaakte maatstaf zullen kunnen naleven. Hoe dankbaar dienen wij te zijn voor zijn geduld en onverdiende goedheid! — Rom. 8:21; 11:33-36.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen