Een verslag van beestachtige wreedheden — Wanneer zal er een eind aan komen?
NA HUN veilige kampen in Moçambique te hebben moeten verlaten, vulden duizenden getuigen van Jehovah die op terugreis waren naar hun dorpen in Malawi, de hoofdwegen in het noorden en midden van Malawi. Voor velen was het echter een reis van spitsroeden lopen.
Een groep van veertig Getuigen, bestaande uit zowel mannen als vrouwen, die op weg naar hun woonplaats in het noorden van het land, het marktplein van Mzimba passeerden, werden daar omringd door een joelende menigte, die de vermoeide reizigers met spot en hoon overlaadde, waarna leden van de Malawi-Jeugdbond hen begonnen te mishandelen. Vanaf half negen ’s morgens tot twee uur in de middag werden ze onbarmhartig afgeranseld. Politiemannen stonden erbij te kijken. Tot de mishandelden behoorde een man van over de tachtig jaar. Zij hadden nog 110 kilometer voor de boeg, zonder proviand voor onderweg, omdat het weinige geld dat ze nog hadden, hun door de leden van de Jeugdbond was afgenomen.
Bij aankomst in hun dorpen mochten de Getuigen in sporadische gevallen hun huizen weer betrekken. Meestal duurde het echter niet lang of de Jeugdbondleden kwamen eisen dat zij een partijkaart kochten. Weigering hiervan lokte allerlei onmenselijke wreedheden uit. Enkele gevallen geven hiervan een tekenend beeld:
Het dorp Sosola, Centrale Gewest; 26 augustus 1975: Een groep mannen en vrouwen, onder wie het parlementslid de heer Elson Muluzi en de plaatselijke partijvoorzitter Stuart Maere, omsingelen de huizen van Jehovah’s getuigen en vragen of zij bereid zijn partijlidmaatschapskaarten te kopen. Wanneer de Getuigen antwoorden dat zij dit niet kunnen doen, plunderen de partijleden hun huizen en jagen hen het dorp uit, roepend: „Weg hier! Ga maar naar een land waar helemaal geen kaarten zijn!”
Het Kasonjola-gebied; 4 en 5 september 1975: Jongeren van de Malawi-Congrespartij gaan naar de huizen van Getuigen in de dorpen Nsambe, Kampini, Tanga, Mbalame I, Mbuziyamwana en Mselela. Zij eisen dat er partijkaarten worden gekocht. Op de weigering van de Getuigen dringen de partijleden hun huizen binnen en stelen al hun bezittingen: geld, fietsen, polshorloges, borden, kopjes en andere huishoudelijke voorwerpen. De broeders worden afschuwelijk afgeranseld, zelfs zo dat een van hen anderhalf uur bewusteloos blijft. In twee plaatsen urineren leden van de Jeugdbond (hun voorzitter wordt Mozangwila genoemd) over het maïsmeel in de huizen om het ongeschikt te maken voor gebruik. Wanneer een van de Getuigen naar de politie gaat om van de actie aangifte te doen, wordt hij bij terugkomst opnieuw afgeranseld.
Het dorp Makambale, Centrale Gewest: Vijf Getuigen, mannen en vrouwen, worden naakt uitgekleed, geslagen en 11 kilometer opgejaagd. De verantwoordelijke personen zijn: de heer Abidabilu, parlementsvertegenwoordiger voor het gebied Mangochi, en leden van de Jeugdbond en Jonge Pioniers.
Mazonda, Muso en Mingola; 2 en 3 september 1975: Meer dan twintig mannelijke en vrouwelijke Getuigen worden aangevallen en hevig geslagen door leden van de Malawi-Congrespartij uit het district Ncheu. Eén Getuige blijft door de slagen twee uur lang bewusteloos liggen. Daarna wrijven de vervolgers met jeukbonen over de wonden van zowel mannen als vrouwen. 4 september 1975: De Jonge Pioniers Maduka en Samora hebben de leiding over een groep jongeren die Getuigen in het dorp Beni Chauya aanvallen. Mannen en vrouwen worden bewusteloos geslagen.
Lingadzi, in het gebied Lilongwe; 29 september 1975: Om zes uur ’s morgens voert een menigte, bestaande uit functionarissen van de Malawi-Congrespartij en leden van de Jeugdbond, veertien Getuigen, mannen en vrouwen, naar het bijkantoor van de Partij in het dorp Tsoka. Daar worden zij ongenadig geslagen. Vervolgens trekken de beulen een van de Getuigen, bij wie reeds het bloed uit mond en oren loopt, de kleren van het lijf, binden zijn handen op zijn rug en wrijven zijn haar en ogen met modder is. De verantwoordelijke personen zijn: de plaatselijke voorzitter Ng’ambe, vice-voorzitter Syawa, de plaatselijke Jeugdbondvoorzitter Mchezo en vice-Jeugdbondvoorzitter Mchenga.
Verdorven seksuele vergrijpen
In veel verslagen is sprake van de meest ontaarde seksuele vergrijpen. De volgende zijn slechts een greep uit een hele reeks voorvallen:
Het gebied Mponela, Noord-Malawi: Getuigen worden door hun dorpshoofd, de heer Kwindanguwo, meegenomen naar het politiebureau van Mponela. Daar worden zij vijf dagen lang zonder voedsel vastgehouden. Vervolgens ontvangen zij een brief voor het politiebureau in Dowa, het belangrijkste gebied. Bij aankomst op het politiebureau aldaar, worden zij door de dienstdoende politiebeambte naar het plaatselijke kantoor van de Malawi-Congrespartij gebracht. Andere Getuigen blijken daar reeds aanwezig te zijn. Allen worden zwaar geslagen. Maar voordat het zover is, schreeuwt de heer Kamtepa, de voorzitter van de Malawi-Congrespartij in Dowa: „Laat Jezus Christus nu naar beneden komen om te verhinderen dat wij jullie allemaal gaan slaan, nu, voordat wij jullie gaan slaan!” De voorzitter en zijn helpers van de Jeugdbond beginnen daarna op de mannen en vrouwen los te beuken. Al hun kleren rukken zij af, waarna zij hun naakte huid inwrijven met een mengsel van peper en het haar van de doppen van jeukbonen.a Ditzelfde mengsel drukken zij ook op de geslachtsdelen van de mannen en in de geslachtsdelen van de vrouwen. Daarna duwen zij de mannen op de vrouwen om hen tot immorele betrekkingen te dwingen, terwijl zij ondertussen iedereen blijven slaan. Maar geen van de Getuigen bezwijkt onder de martelingen.
De dorpen Bunda, Nyanga en Phatha, ten zuiden van Lilongwe; 4 tot 9 september: Alle Getuigen worden uit hun huizen verjaagd, uitgekleed en geslagen door een menigte onder aanvoering van de plaatselijke voorzitters van de Malawi-Congrespartij, van wie een de naam Jeke draagt. Eén groep aanvallers bestaat uit meer dan 100 personen die zijn uitgerust met een uitgebreid assortiment van wapens om tegen de Getuigen te gebruiken. Zij trachten de mannelijke Getuigen tot immorele betrekkingen met de vrouwelijke Getuigen te dwingen. De Getuigen uit Bunda worden naar de politie gevoerd, die aan de ranselpartijen gaat meedoen en tegen de Getuigen zegt: „De regering is van ons. Gaan jullie maar naar God, als er een God bestaat, en vraag hem of hij jullie komt helpen.” En wanneer de politiebeambten van de andere wreedheden in kennis worden gesteld, is hun enige antwoord: „Ga het jullie God vertellen. Laat hij jullie helpen. Doet hij dit niet, dan zullen jullie het einde van het jaar niet meer halen.”
Deze woorden zullen iemands gedachten terugvoeren naar een tijd ver vóór het sadistische nazi-regime in Duitsland — naar de eerste eeuw van onze gewone jaartelling, toen Christus Jezus vals werd beschuldigd van opstand tegen de regering en aan een martelpaal werd genageld. Lees in uw eigen bijbel hoe de hogepriesters en schriftgeleerden en de oudere mannen van de natie Israël ’de spot met hem dreven’ en zeiden: „Anderen heeft hij gered, zichzelf kan hij niet redden! Hij is Koning van Israël; laat hem nu van de martelpaal afkomen, dan zullen wij in hem geloven. Hij heeft zijn vertrouwen in God gesteld; laat Hij hem nu verlossen indien Hij hem wil, want hij heeft gezegd: ’Ik ben Gods Zoon.’” — Matth. 27:41-43.
Heden ten dage klinken Jehovah’s getuigen in Malawi bijna dezelfde spottende woorden in de oren omdat ook zij vasthouden aan hun trouw jegens God, evenals Gods Zoon Jezus Christus dit deed, die voordien tot Pontius Pilatus had gezegd: „Mijn koninkrijk is geen deel van deze wereld.” — Joh. 18:36.
Kanchenche, ten noordwesten van Lilongwe; 31 augustus 1975: Leden van de Jeugdbond doen een aanval op Jehovah’s getuigen. De mannen worden tegen de grond geslagen en de Jeugdbondleden trappen op hun nek. De vrouwen worden naakt uitgekleed en geslagen, terwijl enkele Jeugdbondleden met toortsen hun schaambeharing wegbranden. Plaatselijke vrouwen doen mee aan het slaan. Vijf gehuwde vrouwelijke Getuigen worden verkracht. Een jong meisje van zeventien wordt door drie verschillende mannen misbruikt. Zij die de leiding hadden bij deze mishandeling, waren: de plaatselijke voorzitter van de Malawi-Congrespartij, Yowase Kapulula uit het dorp Lundu; Kanjaye, de zoon van Biliyati uit het dorp Thandaza; Asedi Chavesi, de zoon van Magadi, uit het dorp Chilomba, en Benala Mtsukwa uit het dorp Msanda.
Het dorp Chimasongwe, in het gebied van Lilongwe; 7 september 1975: Een groep Getuigen wordt naar het plaatselijke bijkantoor van de Malawi-Congrespartij gevoerd, waar hun belagers de mannen en vrouwen naakt uitkleden en aan elkaar binden om te proberen hen tot gemeenschap te dwingen en zodoende overspel te laten bedrijven. Een zestigjarige Getuige wordt vastgebonden aan een jonge vrouwelijke Getuige, een andere man aan zijn eigen zuster; zelfs een menstruerende vrouw wordt aan een van de mannelijke Getuigen vastgebonden. De plaatselijke voorzitter van de Jeugdbond, Chipukupuku, neemt bovendien nog een toorts waarmee hij het haar van tien mannelijke Getuigen in de schaamstreek, op de borst en onder de oksels wegbrandt. Daarop nemen de beulen, aangespoord door vrouwelijke leden van de Bond van Malawiaanse Vrouwen, één naakte vrouwelijke Getuige apart om op haar benen en buik te gaan dansen; ondertussen slaan ze haar met sisalbladeren tot ze bewusteloos raakt. De menstruerende vrouw wordt zo geslagen dat het bloed haar uit mond en neus loopt.
Chilende, in Lilongwe; 8 september: Leden van de Jeugdbond maken zich schuldig aan zware mishandeling van de Getuigen. Een van de vrouwen wordt door vier mannen verkracht, een andere wordt opgesloten in haar huis en door drie mannen misbruikt. Wanneer de Getuigen deze incidenten bij de politie aangeven, is het commentaar dat zij ontvangen: „Vertel het jullie God. Hij zorgt ervoor dat jullie beroofd worden. Is hij dood zodat zijn ogen niet zien?”
Lumbadzi, ten noorden van Lilongwe; 24 september: Gevluchte Getuigen keren terug naar hun huizen en het dorpshoofd laat hen het dorp binnenkomen. Maar diezelfde nacht nog arriveren in het dorp de plaatselijke voorzitter van de Malawi-Congrespartij en een menigte Jeugdbondleden, die de Getuigen meevoeren naar het partijkantoor te Dowa. Hun overvallers slaan hen en nemen daarna twee mannelijke Getuigen apart om hun geslachtsorganen aan elkaar te binden. Zij slaan hen op de geslachtsdelen, zodat wanneer de een zich voor de slagen wil terugtrekken hij de ander pijn doet. De andere Getuigen binden zij zware stenen aan de geslachtsorganen en laten hen daarmee rondlopen. Tot de personen die voor deze misdrijven verantwoordelijk zijn, behoort een zekere man genaamd Chilunje, uit Lumbadzi. En toen deze gruweldaden bij de politie werden gerapporteerd, kwam er als antwoord: „Ook al worden jullie gedood, er is geen hulp voor jullie.”
Het dorp Chindamba, ten westen van Zomba; 2 oktober: Vijftien Getuigen worden door de politie van Zomba gearresteerd en gemarteld. Behalve dat zij geen voedsel krijgen en zware slaag ontvangen, brengen hun beulen ook houten knijpers aan op de geslachtsdelen van zowel mannen als vrouwen om hen ertoe te brengen een politieke partijkaart te kopen.
Nog andere verslagen maken melding van wrede Partijjongeren die met stokken in de geslachtsdelen van vrouwelijke Getuigen hebben gestoken. Ja, alle verslagen schilderen een tragisch en tegelijkertijd walgelijk beeld. En toch is dit nog niet alles.
Bijeengedreven in gevangenkampen
Begin oktober zond de regering van Malawi een rondschrijven aan alle politiebureaus — niet om een einde te maken aan de criminele aanvallen en wet en orde te herstellen — maar om Jehovah’s getuigen gevangen te nemen en in gevangenkampen, zoals te Dzaleka, Kanjedza en Malaku, op te sluiten. In sommige streken zijn dit grote kampen, elders slechts met prikkeldraad omheinde ruimten bij een politiebureau.
Voor de Getuigen is echter het ergste dat het bevel luidt om alleen volwassen Getuigen daarheen te brengen. Dit heeft al betekend dat ouders van hun kinderen, zuigelingen soms nog, zijn gescheiden. De bedoeling van het regeringsbevel schijnt te zijn de Getuigen ervan te weerhouden naar een ander land te vluchten, door hen niet toe te staan hun kinderen met zich mee te nemen; of misschien beoogt men de vrouwelijke Getuigen die moeder zijn, zo angstig te maken dat zij hun christelijke geweten geweld zullen aandoen en lid zullen worden van de politieke partij. Hele gemeenten van Jehovah’s getuigen zijn reeds opgepakt en in zulke kampen bijeengedreven. De ervaringen van Jehovah’s getuigen in nazi-Duitsland krijgen een herhaling — ditmaal in Afrika.
Zo zijn de Getuigen in een volkomen isolement geraakt, zonder dat zij nog op enige instantie een beroep kunnen doen om hun recht te verschaffen of hen te beschermen tegen geweld. Zíj, en niet hun aanvallers, zijn gearresteerd. Bij hun pogingen om politiebescherming te krijgen, hebben zij herhaalde malen te horen gekregen: „Wij wensen geen tijd aan jullie te verspillen, want jullie werken niet met de Partij samen. En ook al zouden er jullie moeilijkheden in de weg worden gelegd, dan nog hoeven jullie dit niet aan ons te komen berichten, want voor jullie zijn we niet thuis. Slechts op vertoon van een Partijkaart staan we jullie ten dienste, maar anders niet. Jullie kunnen ons alleen maar bericht geven als er iemand dood is, en dan nog is het alleen maar onze taak een verklaring uit te schrijven.”
In sommige streken is de rimboe — waar alleen letterlijke dieren en geen beestachtige mensen wonen — nog de enige plek waar de Malawiaanse Getuigen een veilige toevlucht hebben kunnen vinden. Vanuit het gebied van Lilongwe is een lijst afkomstig van vijftien gemeenten van Jehovah’s getuigen die het Dzalanyama-woud, op de grens van Malawi en Moçambique, zijn ingevlucht. Leden van vele andere gemeenten zijn overdag in de stad, maar gaan ’s nachts het bos in om te slapen — omdat ze van huis en haard verdreven zijn of omdat ze ’s nachts niet lastig gevallen willen worden.
Wanneer zullen de wreedheden ophouden?
Ofschoon deze wrede vervolging hun angst en zorgen baart, zijn Jehovah’s getuigen in Malawi en in de rest van de wereld niet geschokt in hun geloof noch in hun besluit krachtig aan christelijke beginselen vast te houden. Zij herinneren zich de woorden van de apostel Petrus, geschreven in een tijd dat de christenen in de eerste eeuw een soortgelijke vervolging ondergingen, ook omdat zij „geen deel van de wereld” waren, maar onverdeeld loyaal bleven aan Gods koninkrijk onder Jezus Christus. Tot hen schreef de apostel Petrus: „Geliefden, staat niet vreemd te kijken over de brand onder u, die over u komt als een beproeving, alsof u iets vreemds overkwam. Integendeel, blijft u verheugen, aangezien gij deel hebt aan het lijden van de Christus.” — Joh. 17:16; 1 Petr. 4:12, 13.
Deze woorden verminderen echter geenszins de schuld van personen die zo’n vervolging over onschuldige personen brengen. Zo niet eerder, dan zeker wanneer God zijn oordeel aan een vijandige wereld gaat voltrekken, zal Hij, overeenkomstig zijn belofte, bevrijding en verlichting verschaffen aan allen die hun vertrouwen op hem hebben gesteld en hem onder zware beproevingen trouw zijn gebleven. Dan zal deze aarde tot in alle eeuwigheid nooit meer door barbaarse wreedheden en mensonterende praktijken, begaan jegens weerlozen, bezoedeld worden. Dan zal het op wereldomvattende schaal zo zijn dat ’de zachtmoedigen de aarde bezitten, en hun heerlijke verrukking vinden in de overvloed van vrede’. — Ps. 37:11.
Maar kan er reeds vóór die tijd een halt worden toegeroepen aan de gruweldaden in Malawi? Ja, dat kan. Als de regeringsautoriteiten in Malawi de grondwet van Malawi maar zouden respecteren, zou er nog op dit moment een eind aan zulke onvergeeflijke daden kunnen komen. Waarom zouden zulke functionarissen toelaten dat criminele elementen, zelfs al worden ze aangetroffen binnen de gelederen van hun eigen partij, de grondwet van Malawi tot een aanfluiting maken en het land in de ogen van de wereld naar beneden halen?
Is er in Malawi zelfs niet één man met autoriteit te vinden die de wijsheid en moed bezit van Gamaliël? Indien er één is, dan is het er voor hem nu stellig de tijd voor zijn medebestuurders — net als Gamaliël dat in verband met de gearresteerde apostelen deed — de raad te geven: „Laat u niet in met deze mensen en laat hen geworden; want indien dit streven of dit werk uit mensen is, zal het vernietigd worden, maar indien het uit God is, zult gij het niet kunnen vernietigen; het mocht eens blijken dat gij tegen God strijdt.” — Hand. 5:38, 39, Nieuwe Vertaling van het Nederlandsch Bijbelgenootschap.
Degenen die nu in Malawi worden vervolgd, verdienen stellig ernstige aandacht in de gebeden van allen die geloof in God en rechtvaardigheid hebben. (Vergelijk Handelingen 12:5). En waarom zou u bovendien, wanneer het lijden van deze onschuldige mensen u ter harte gaat, niet nu een schrijven richten aan de vertegenwoordiger van Malawi in uw land, of aan een van de regeringsfunctionarissen van Malawi, van wie de namen en adressen bij dit artikel staan afgedrukt? Dring er bij hen op aan te doen wat in hun vermogen ligt om een halt toe te roepen aan de gruweldaden die thans in hun land worden bedreven.
[Voetnoten]
a Deze „jeukbonen” heten in de Cinyanja-taal chitedze. De Scott and Hetherwick Chinyanja Dictionary geeft als toelichting: „Een soort van bonen met gebogen, S-vormige, fluweelbruine peulen, die wanneer ze rijp zijn en worden geschud een allergemeenste jeuk veroorzaken; het is bijna om gek van te worden wanneer de haartjes met een vreemd, elektriserend gevoel langs de nek lopen.”
[Kader op blz. 11]
FUNCTIONARISSEN AAN WIE U KUNT SCHRIJVEN
His Excellency the Life President of Malawi
Ngwazi Dr. H. Kamuzu Banda
Central Government Offices
Private Bag 301
Capital City
LILONGWE 3
Malawi, Central Africa
The Honourable R. A. Banda, S.C., M.P.
Minister of Justice and Attorney General and Minister of Local Government
Private Bag 333
LILONGWE
Malawi, Central Africa
The Honourable P. L. Makhumula Nkhoma, M.P.
Minister of Health
P.O. Box 351
BLANTYRE
Malawi, Central Africa
The Honourable D. Kainja Nthara, M.P.
Minister of Community Development and Social Welfare
P.O. Box 5700
LIMBE
Malawi, Central Africa
The Honourable R. T. C. Munyenyembe, M.P.
Minister of Education
Private Bag 328
Capital City
LILONGWE 3
Malawi, Central Africa
The Honourable N. P. W. Khonje, M.P.
Speaker of the Parliament of Malawi
P.O. Box 80
ZOMBA
Malawi, Central Africa
The Honourable D. T. Matenje, M.P.
Minister of Finance, Trade, Industry and Tourism
P.O. Box 30049
Capital City
LILONGWE 3
Malawi, Central Africa
The Honourable R. B. Chidzanja Nkhoma, M.P.
Minister of Organization of African Unity Affairs
P.O. Box 211
LILONGWE
Malawi, Central Africa
The Honourable A. A. Muwalo Nqumayo, M.P.
Minister of State in the President’s Office
P.O. Box 5250
LIMBE
Malawi, Central Africa
Mr. Aleke K. Banda
Deputy Chairman/Managing Director
Press (Holdings) Limited
P.O. Box 1227
BLANTYRE
Malawi, Central Africa
Mr. Richard Katengeza
P.O. Box 5144
LIMBE
Malawi, Central Africa