Waarom een verliezende strijd tegen de misdaad?
Lees wat een ervaren politiefunctionaris hierover te zeggen heeft
GEEN stad kent zoveel misdaad als New York. In een recent jaar kwamen hier meer mensen door moord om het leven — 1669 — dan in bijna zeven jaar strijd in Noord-Ierland!
Als Newyorkse politieman met meer dan veertien praktijkjaren achter me, heb ik uit de eerste hand kunnen waarnemen hoe allerlei pogingen om het misdaadgetij te keren, hebben gefaald. M. Nadjari, de speciale openbare aanklager van de staat New York, had gelijk toen hij zei: „We kunnen de mensen niet langer tegen misdaad beveiligen.”
Honderden Newyorkers vallen dagelijks ten slachtoffer aan moord, aanranding, mishandeling of beroving — bijna elke minuut wordt er aangifte van een ernstig misdrijf gedaan. Over de stijging van de misdaad in de eerste maanden van 1975, vergeleken met dezelfde maanden in 1974, berichtte een kop in de New York Times: „ERNSTIGE MISDRIJVEN IN DE STAD MET 21,3% OMHOOG.” Geen wonder dat in veel Newyorkse wijken de mensen zich nog maar nauwelijks buiten de deur durven te wagen en feitelijk gevangenen zijn geworden in hun eigen huis.
Treft de politie enige blaam?
Vaak geven mensen in hun angst en woede de politie de schuld. Wat heel begrijpelijk is. We worden te dom genoemd om misdrijven op te lossen of te lui om iets te doen. De algemene opinie is dat wij geregeld steekpenningen aannemen. Velen beschuldigen ons van een hoogmoedige, autoritaire houding omdat we ons zelf niet aan de wetten zouden houden die we verondersteld worden te handhaven. Anderen beschuldigen ons van ongevoeligheid jegens het publiek en van wrede behandeling van verdachten.
Hoewel er in deze beschuldigingen misschien een kern van waarheid schuilt, geloof ik toch niet dat ze een eerlijk beeld van de werkelijke stand van zaken geven. Politiewerk is van dien aard dat het bij het publiek snel misverstanden wekt, zodat het unfair is om te oordelen op grond van wat één kant zegt. Door ook naar de andere zijde te luisteren, zult u, zo geloof ik, niet alleen meer inzicht krijgen in de oorzaak van de misdaadstijging, maar ook meer begrip kunnen opbrengen voor de frustraties en spanningen waaraan een politieman blootstaat.
Een realistische kijk op de politie
Volgens sommigen is het floreren van de misdaad hoofdzakelijk aan de corruptheid van de politie te wijten, waarbij men dan misschien een bepaald concreet corruptieschandaal in gedachten heeft. In New York is bijvoorbeeld bekend dat bij een proefneming waarbij aan eenenvijftig Newyorkse politiemannen een „gevonden” portemonnaie werd overhandigd met de vraag of ze deze wilden afgeven, vijftien van hen zich eerst het geld toeëigenden dat erin was (New York Times van 17 november 1973). Dat is natuurlijk niet best. Maar blijf zo iets wel in het juiste perspectief zien.
Toen namelijk later bij een zelfde proef aan vijftig willekeurig uitgekozen burgers portemonnaies werden overhandigd, maakten tweeënveertig zich op oneerlijke wijze van de inhoud meester. Wat we bij de politie zien, is dus feitelijk niet veel meer dan een afspiegeling van de normen die in de haar omringende maatschappij gelden. En wat steekpenningen betreft, deze krijgt de politie toch uiteindelijk van het publiek aangeboden.
Begrijp me goed, ik wil geen pleidooi houden voor de oneerlijkheid van de politie, maar het is goed om het hele beeld in ogenschouw te nemen. En dan wil ik onmiddellijk toegeven dat er corruptie in het politieapparaat bestaat, maar doen wij als agenten ook niet veel om misdaad te voorkomen? Zijn de meeste mensen niet meer geneigd zich aan de wet te houden, wanneer ze ons in de buurt zien?
Denk nog eens aan wat er gebeurde toen in 1969 in Montreal, Canada, 3700 politiemannen in staking gingen. De misdaad nam zulke schrikbarende vormen aan dat regeringsleiders er al over spraken dat de stad „werd bedreigd door anarchie”. En geloof me, in New York zou het nog erger wezen. Zonder politie op straat konden Newyorkers zich maar beter in hun huizen verschansen, want de stad zou onleefbaar zijn!
Wat de politie meemaakt
Om te illustreren aan welke frustraties een politieman bij het bestrijden van de misdaad vaak bloot staat, zou ik u graag het volgende vertellen: een medeagent van mij betrapte onlangs een twaalf- en dertienjarige op het bedrijven van seksuele immoraliteit op het dak van een groot flatgebouw. Hij bracht het meisje naar haar ouders. Maar wat zei de moeder? Ze beet hem toe dat hij zich maar beter met zijn eigen zaken kon bemoeien, en sprak: „Ze is nu een groot meisje, en mag het doen wanneer ze het wil.” In zo’n geval voel je je als politieagent wel in je hemd staan. Ik voor mij geloof dat deze moderne tolerante houding, waarbij alles geoorloofd is, de toename van de misdaad danig in de hand werkt.
In getto-wijken ziet men de politieagent als een vertegenwoordiger van het onderdrukkende gezag, dat mensen in de goot heeft getrapt. Vaak worden we daar dan ook meer als een dreiging dan als een hulp gezien. Wanneer we bijvoorbeeld zo’n buurt ingaan om een drughandelaar te arresteren, vechten zijn buren voor hem en tegen ons. Ook deze vijandige houding is volgens mij een factor die tot de misdaadstijging bijdraagt.
Ik herinner me wat dat betreft nog een incident in de Bedford-Stuyvesant-wijk van Brooklyn. Een aantal knapen had een auto gestolen en probeerde ermee weg te komen. We achtervolgden hen en al snel kregen ze een ongeluk waarbij ze de auto in puin reden. We sneden hen de pas af en drongen hen met getrokken pistolen tegen de muur. Maar voor we het wisten, had zich een menigte gevormd die ons begon te bedreigen. En ik kan u wel verzekeren dat het sirenegeloei van de politiewagens die ons te hulp kwamen, op dat moment het schoonste geluid was dat ik ooit in mijn leven had gehoord.
Men moet in zo’n situatie verkeerd hebben om de wurgende angst van koude terreur te voelen. Ik weet dat de critici geneigd zijn de politie te veroordelen als zou ze in dergelijke gevallen te snel naar de wapens grijpen en onnodig geweld gebruiken. Maar vanaf een veilige stoel is het makkelijk om kritiek te leveren. Diezelfde critici zouden waarschijnlijk een andere mening zijn toegedaan wanneer ze zelf gewapende misdadigers zouden moeten bestrijden.
De situatie is hier verschrikkelijk! Bijna elke maand wordt er in de stad een agent vermoord! Het aantal misdrijven is ronduit ongelooflijk — nog niet zo lang geleden vertelde een collega mij dat één patrouillewagen tijdens een dienstroute voor vijf roofovervallen, voornamelijk in winkels, was opgeroepen.
Zelfs moordzaken zijn routine geworden, de meeste agenten zijn er al aan gewend. J. Flores, een agent die in het zwaar misdadige 73e district in Brownsville heeft gewerkt, vertelde hier een staaltje van toen hij verhaalde hoe hij na een ontzettend drukke surveillance-dienst pas bij het eten van een boterham bemerkte niet eens het bloed van een moordslachtoffer van zijn handen te hebben gewassen.
Ook de bewoners van zulke wijken worden harder. In een gezin van twaalf kinderen had een man zijn vrouw gedood; maar terwijl het onderzoek nog gaande was, speelde een aantal van de kinderen alweer krijgertje rond het huis alsof er niets was gebeurd!
Maar hoe komt het dat wij een verliezende strijd tegen de misdaad voeren? Ligt de fout bij de opleiding die politiefunctionarissen ontvangen?
Voorbereid op de strijd tegen de misdaad
In 1961, op vierentwintigjarige leeftijd, begon ik in New York aan de Politieacademie mijn opleiding. Lichamelijke training — gymnastiek, judo en het gebruik van wapens — maakte deel uit van de cursus. In de klas bespraken we wat er bij diverse misdrijven betrokken is en wat er voor een arrestatie komt kijken, en dat is heel wat meer dan alleen maar te zeggen: „U staat onder arrest!” Ik leerde wat er met iemand gebeurt nadat hij is opgebracht, hoe er vingerafdrukken worden gemaakt en foto’s van hem worden genomen en andere voorbereidingen voor zijn rechtszaak worden getroffen. We leerden ook welke bewijzen er vereist zijn om een arrestatie voor de rechtbank aanvaardbaar te maken.
Na ongeveer vijf maanden kregen we ons diploma, waarna ik aan het 66e district in Borough Park, in Brooklyn, werd toegewezen. Daar liep ik een wijk en maakte ook af en toe een ronde in de patrouillewagen. Het gaf voldoening mensen in nood te kunnen helpen en hun geneeskundige assistentie en andere bijstand te kunnen verlenen.
Aan verkeersboeten geven had ik echter een afschuwelijke hekel, vooral omdat ze mensen zo ongelukkig maakten. Tegen het eind van de maand had ik dan ook vaak niet het vereiste aantal bekeuringen, waarna ik me op „grensovertredingen” — niet volledig stoppen bij een kruispunt, nog net door het rode licht rijden, etc. — moest toeleggen om alsnog aan het minimumaantal te komen. Dan voelde ik me afschuwelijk.
Nooit zal ik de eerste arrestatie vergeten die ik verrichtte. Het was een automobilist zonder rijbewijs die ik had aangehouden en die me $100 aanbood wanneer ik hem liet gaan. Ik nam hem in arrest en bracht hem naar het bureau.
Honderden arrestaties heb ik nadien verricht, maar wat die eerste vooral zo gedenkwaardig maakt, is dat ik erdoor in aanraking met de rechtbank kwam. Wat me daar echter opviel, was de chaotische toestand die er heerste. De werkelijkheid kwam niet overeen met hetgeen mijn opleiding mij had doen verwachten. Maar weldra stuitte ik op nog meer schokkende toestanden die volkomen in tegenspraak waren met de voortreffelijke politieopleiding die ik had ontvangen.
Hoe het was
Al na korte tijd kreeg ik in de gaten dat veel politiemannen steekpenningen aannamen. Het was een publiek geheim dat sommigen op hun ronden beschermingsgeld inden van gokbazen en andere onderwereldfiguren.
Toen kwam het onderzoek van de commissie Knapp naar corruptie in het politieapparaat. Vier jaar geleden richtte ze voor het eerst de schijnwerpers op dit schandaal en sindsdien zijn er heel wat agenten betrapt en ook werkelijk in de gevangenis gezet! Bovendien was het geheimzinnige zwijgen rond deze praktijk verbroken, waarna agenten zelf corruptiegevallen begonnen aan te geven. Er kwam vrees in het korps, vrees om door collega’s „erbij gelapt” te worden en dit heeft krachtig tot de schoonmaak bijgedragen.
Er is een regionaal anti-corruptieprogramma op touw gezet, waardoor nu onder meer op de politiebureaus posters hangen waarop het salaris dat een politieman in twintig jaar dienst en twintig jaar pensioen kan ontvangen ($500.000), wordt gesteld tegenover het risico dit alles te verspelen door steekpenningen aan te nemen. We krijgen nu inderdaad een goed salaris en ik geloof ook niet dat er nog veel politiemannen zijn die hun baan riskeren door te proberen op de een of andere onwettige manier aan geld te komen.
Hetgeen natuurlijk niet betekent dat alle politiemannen nu plotseling zo reuze eerlijk zijn geworden. Een gepensioneerde hoofdinspecteur had waarschijnlijk gelijk toen hij over enkele voormalig corrupte agenten opmerkte: „Ze zien nu alweer uit naar nieuwe kansen om extra geld te verdienen en wegen de opbrengst alweer tegen het risico af.” En het lijkt erop dat die risicofactor flink hoog gehouden moet worden, gezien het feit dat in een recent politierapport angst om gepakt te worden als de voornaamste reden werd genoemd waarom er nu een betere situatie bestaat.
Toch, en dat besef ik heel goed, beschouwt het publiek de meeste politiemannen nog steeds als corrupte bedriegers; we hebben door wat er is voorgevallen, onze geloofwaardigheid verloren, en daar heeft ook de arrogante houding waarmee bepaalde agenten in het openbaar wetten en voorschriften aan hun laars lappen, niet weinig toe bijgedragen.
Het verlies van onze betrouwbaarheid en geloofwaardigheid in de ogen van het publiek — dat daardoor minder met ons is gaan samenwerken en soms zelfs een uitgesproken haat jegens ons is gaan koesteren — is volgens mij eveneens een belangrijke negatieve factor bij onze verliezende strijd tegen de misdaad.
Recherchewerk en andere factoren
Ik wilde graag promotie maken: onverwachts en tamelijk plotseling deed die gelegenheid zich voor toen er op 18 mei 1962 iets verschrikkelijks gebeurde — twee rechercheurs uit Brooklyn — Fallon en Finnegan genaamd — werden in een tabakswinkel in mijn district vermoord, slechts een paar blokken vanwaar ik op dat moment vertoefde vandaan. In die tijd was een moord op een politieman iets heel ongewoons, en vanuit de gehele stad werden rechercheurs aangetrokken om aan de zaak te werken.
De avond na de moord ontving ik uit vertrouwelijke bron een verbijsterende inlichting — mij werd de identiteit van een van de moordenaars onthuld. Onmiddellijk ging ik naar mijn bureau om de inlichting over te brengen. Ter plaatse kreeg ik de toewijzing verder bij de zaak te assisteren. Diezelfde nacht nog konden we vaststellen dat een van de verdachten inderdaad bij de moord betrokken was geweest. Later werd hij gearresteerd en veroordeeld.
Wegens mijn werk in verband met deze zaak, werd ik voor de recherche aanbevolen, en in het voorjaar van 1963 volgde ik de recherchecursus aan de politieacademie. Daarna werd ik, zoals toen de gewoonte was, toegewezen aan de Jeugdploeg, een soort van juniorrechercheteam dat toezicht hield op het naleven van de wettelijke voorschriften in gelegenheden waar veel jeugd kwam, zoals bowlingzalen, zwembaden en scholen. In 1966 kwam ik in de gewone recherchedienst.
Het onderzoek dat in verband met de meeste misdrijven wordt verricht, is niet te vergelijken met al het werk dat aan de moordzaak van Fallon en Finnegan werd besteed, toen bij het onderzoek tientallen rechercheurs en speciale technici betrokken waren. Gezien de ruim 1000 ernstige misdrijven die dagelijks worden gerapporteerd, is er eenvoudig geen tijd om de meeste zaken grondig te onderzoeken.
En hoewel er bij de beschikbaarheid van meer tijd nog wel degelijk een uitgebreid onderzoek wordt ingesteld — zoals het verhoren van getuigen en het natrekken van allerlei tips — geloof ik toch dat er meer gedaan kan worden. Vingerafdrukken zijn als bewijs in een misdaadzaak bijzonder waardevol. Maar volgens mij is dat een terrein waarop heel wat rechercheurs te kort schieten. Uit gebrek aan belangstelling of omdat ze niet overtuigd zijn van de waarde ervan, laten zij heel wat beschikbare wetenschappelijke methoden bij het oplossen van misdaadzaken ongebruikt.
Wegens de golf van misdrijven is de kwaliteit van het onderzoekwerk achteruitgegaan — slechts één op de vijf ernstige zaken wordt officieel opgelost, terwijl het werkelijke cijfer waarschijnlijk nog veel lager ligt. Het gevolg is dat het publiek weinig vertrouwen meer in de politie stelt. Frustratie en zelfzucht nemen toe en brengen steeds meer mensen op het pad van de misdaad.
Toch is volgens veel politiefunctionarissen nog een veel belangrijkere oorzaak aan te wijzen voor onze verliezende strijd.
Waarom er gezegd kan worden dat misdaad loont
Ronduit gezegd, is de oorzaak dat MISDAAD LOONT. Dat blijkt uit alles. Volgens J. S. Campbell, een voormalig raadsman van een presidentiële commissie inzake misdaad, „liggen de kansen 99 tegen 1 dat je een ernstige misdaad begaat zonder ervoor in de gevangenis te komen”. Zijn conclusie luidt dan ook: „Misdaad loont.” Blijven we echter in de stad New York, dan is de kans dat een misdadiger wordt gestraft, nog veel geringer.
Van de 97.000 arrestaties die bijvoorbeeld in een recent jaar naar aanleiding van ernstige misdrijven werden verricht, kwam men in slechts 900 gevallen tot een rechterlijke uitspraak! Met de meerderheid der strafgevallen wordt „gesjacherd”. De misdadiger stemt erin toe schuld te bekennen in ruil voor een verminderde tenlastelegging, die gewoonlijk uitdraait op een voorwaardelijke straf. Met andere woorden, hij gaat vrijuit. Er volgt helemaal geen straf! Zelfs acht van de tien moordzaken worden op deze wijze, door een soort van „koehandel”, opgelost. In zulke gevallen ontvangt de moordenaar meestal een lichte straf en is spoedig weer vrij om zijn misdadige praktijken voort te zetten.
Uit eigen ervaring zou ik u heel wat voorbeelden van dit rechterlijke „draaideur”-systeem kunnen geven. Maar ik wil me er tot één beperken. In 1970 werd een weerloze oude man, eigenaar van een slijterij, door een misdadiger met een zwart strafregister zonder pardon overhoop gestoken. Deze koelbloedige moordenaar mocht echter zelf bekennen dat hij zich schuldig had gemaakt aan doodslag, waarvoor hij vijf jaar kreeg, wat in de praktijk op twee of drie jaar hechtenis neerkwam. Maar het was een van de afschuwelijkste misdrijven die ik ooit onder ogen heb gehad!
Waarom worden zulke zaken niet uitgezocht en met een gerechte straf beloond? Rechter D. Ross geeft als verklaring: „We kunnen het niet meer bolwerken, en het zou daarnaast miljoenen vergen om al die zaken uit te zoeken.” De gevangenissen zijn bovendien al vol en de bouwkosten van nieuwe gevangenhuizen zouden waarschijnlijk in de $40.000 per gevangene gaan lopen. Zelfs nu kost het al $10.000 per jaar om iemand in een traditionele gevangenis vast te houden. Het is dus niet alleen te duur misdadigers te verhoren, maar ook bijzonder kostbaar ze opgesloten te houden.
Het gevolg is dat mensen zich aangemoedigd voelen nog meer misdrijven te begaan, omdat zij zien dat misdaad loont. Ja, ze lachen ons soms gewoon uit wanneer we hen arresteren, omdat ze weten niets te hoeven vrezen. Begrijpt u nu waarom politiemannen soms met weinig enthousiasme achter misdadigers aan gaan? Ze worden meestal toch niet gestraft. Een man in Washington was bijvoorbeeld in vijf jaar tijds al zevenenvijftig maal gearresteerd vóór hij eindelijk schuldig werd verklaard.
Het is een droevige situatie, zoals ook de voormalige politiecommissaris van de stad New York, P. Murphy, onder woorden bracht: „De politie is slechts de meest zichtbare arm van een verbrokkeld wetsapparaat, een anti-apparaat, waarin ook de openbare aanklagers en rechtbanken falen.”
In een redactioneel commentaar in de New York Times stond terecht opgemerkt: „In wezen komt het beeld overeen met een ’systeem’ dat constant onder zijn eigen gewicht in elkaar dreigt te storten en dat er meer op gericht schijnt te zijn die eigen ineenstorting te voorkomen dan de gerechtigheid te dienen of het publiek te beschermen.” — 7 februari 1975.
De burgers, en vooral de rechtstreekse slachtoffers, zijn er het meest de dupe van. Vrijwel nooit wordt eraan gedacht deze mensen wegens hun verlies te helpen of enige genoegdoening te verschaffen. En wanneer zij voor de rechtbank willen getuigen, moeten ze dat bovendien in hun eigen tijd doen, misschien met inhouding van hun loon, en het voornaamste wat zij dan nog kunnen hopen, is dat de misdadiger zijn gerechte straf ontvangt. Maar nu er nog zo weinig misdadigers worden gestraft, hebben steeds minder slachtoffers zin om zich al die moeite te getroosten. Eén vrouw in Philadelphia moest vijfenveertig maal voor de rechtbank verschijnen voordat degene die haar had beroofd, veroordeeld was!
Is er een oplossing?
Enige tijd terug kwam ik in aanraking met het idee de misdadiger te laten werken om zijn slachtoffer te kunnen vergoeden wat hij van hem gestolen of beschadigd had. De gedachte is afkomstig uit de bijbel, waar, volgens Gods wet, een dief die een stier had gestolen, hiervoor een vergoeding van vijf stieren moest geven! (Ex. 22:1-4) Hoe logisch is dat niet! Als misdadigers in deze tijd een dergelijke schadeloosstelling aan hun slachtoffers zouden moeten geven of wanneer de ouders van jeugdmisdadigers een dergelijke vergoeding zouden moeten verschaffen, zou de criminaliteit al aanzienlijk afnemen.
Voorts is ook een snelle bestraffing van het kwaad nodig. Wanneer er geen straf is, krijgt de misdadiger het idee dat misdaad loont en blijft hij op zijn slechte weg volharden, zoals ook de bijbel aangeeft (Pred. 8:11). Maar als bijvoorbeeld mensen die met voorbedachten rade een moord begaan, overeenkomstig de aanbeveling van de bijbel snel terechtgesteld zouden worden, zouden er heel wat minder moorden gepleegd worden, dat kan ik u verzekeren (Num. 35:30, 31). En als ook andere misdadigers een zware straf zouden krijgen, ben ik ervan overtuigd dat de misdaad heel snel zou tanen.
Dit samenstel van dingen drijft echter steeds verder af van een redelijke en gezonde koers. En zolang dit systeem blijft voortduren, zie ik, hoe droevig het ook is om te moeten zeggen, geen hoop op een reële verbetering in de strijd die de politie tegen de misdaad voert. — Ingezonden.
[Inzet op blz. 6]
’Sommige mensen noemen de politie corrupt.’
[Inzet op blz. 7]
„Moordzaken zijn routine geworden, de meeste agenten zijn er al aan gewend.”
[Inzet op blz. 8]
’Veel politiemannen namen steekpenningen aan.’
[Inzet op blz. 9]
’Er is eenvoudig geen tijd om de meeste zaken grondig te onderzoeken.’
[Inzet op blz. 10]
’Misdaad loont. De meeste misdrijven blijven ongestraft.’