Ik was de burgemeester
IK HEB het geluk gehad in een gezin te zijn grootgebracht dat er gezonde morele beginselen op na hield. Zodoende leerde ik eerlijk, oprecht en waarheidlievend te zijn — eigenschappen die een sterke invloed zouden uitoefenen op belangrijke beslissingen die ik in mijn latere leven zou moeten nemen.
Vanuit de Katholieke Actie ging ik in de politiek omdat ik vond dat iedereen een actieve bijdrage tot de politieke en sociale ontwikkeling van de maatschappij moest leveren. Met andere woorden: een integrerend deel moest zijn van het historische moment waarin hij leefde.
Zo kwam het dus dat ik in 1970 tot de gemeenteraad werd verkozen en door de gemeenteraad weer tot het ambt van burgemeester. Dit was in Campagna Montferrato (Alessandria) in Italië. In mijn nieuwe functie belandde ik in de politieke arena, waar bureaucratie en burgerbelangen, vooral op het terrein van belastingbetaling, voortdurend met elkaar in botsing waren.
Het werd mij al gauw duidelijk dat de corruptie tot in alle lagen van de maatschappij was doorgedrongen en dat politici uit eigen belang handelden om maar aan de macht te blijven. De beslissingen die werden genomen, waren derhalve zuiver partijdig. Als er iets constructiefs werd voorgesteld, werd dit steeds weer door de bureaucratie geblokkeerd. Er kon daardoor nooit iets tot stand komen of er gingen zes of zeven maanden overheen.
Onder deze omstandigheden streefde ik ernaar om eerlijkheid en rechtschapenheid de overhand te laten hebben, waarbij ik trachtte nooit de belangen van de gemeenschap in haar geheel uit het oog te verliezen. Ik kon wel enkele dingen veranderen, maar, o, wat maakte ik veel vijanden!
Ik bemerkte dat de meesten van mijn medeburgers wel graag zagen dat er recht werd gedaan, maar dan alleen door een ander. Als het om hun persoonlijke belangen ging, zochten zij altijd de gunsten van een vriend, trachtten zij een compromis of een achterdeurtje te vinden of de man aan het roer bang te maken, of namen zij hun toevlucht tot immoreel geweld om er persoonlijk beter van te worden.
Een bezoek met verstrekkende gevolgen
Terwijl ik mij te midden van al deze moeilijkheden aftobde, kwamen er op kerstdag 1972 een man en een vrouw bij mij aan de deur die tot mij over God en de bijbel begonnen te spreken en zeiden dat er een verandering op aarde ophanden was. Nogal verbaasd, stemde ik erin toe even met hen te spreken. Zij lieten het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt en een paar tijdschriften bij mij achter en beloofden nog eens terug te komen om te vragen hoe ik deze lectuur gevonden had.
Na enkele bladzijden van het Waarheid-boek gelezen te hebben, hield ik ermee op omdat het zo bespottelijk klonk, maar ik sprak er wel met mijn vrouw over. Wij vroegen ons af: ’Deze mensen moeten toch wel de een of andere reden, een basis hebben om naar de deuren te gaan en zulke dingen te zeggen. Als wat zij zeggen uit de bijbel komt, hoe komt het dan dat zij het wel verstaan hebben terwijl onze katholieke Kerk met een geschiedenis van bijna tweeduizend jaar achter zich, het niet verstaan heeft?’
Volgens onze gewoonte gingen wij, als oprechte, praktizerende katholieken, de volgende zondag naar de mis. Toen de parochiepriester het Evangelie had uitgelegd, gaf hij zijn toehoorders de raad niet naar degenen te luisteren die zich als „christenen” of als „Jehovah’s getuigen” bekendmaakten.
De zondag daarop werd de priester, na vernomen te hebben dat Jehovah’s getuigen weer de huizen van de stad hadden bezocht, kwaad en zei categorisch dat wij niet naar hen mochten luisteren, aangezien zij protestanten waren die niet in Christus geloofden en dat zij er de mensen bovendien op een agressieve manier toe trachtten te dwingen hun denkbeelden te aanvaarden. De daaropvolgende weken schold de priester herhaaldelijk op Jehovah’s getuigen waarbij hij hen „hebzuchtige wolven” noemde.
Maar door nieuwsgierigheid gedreven, of misschien ook uit reactie op onze omgeving, nodigden mijn vrouw en ik, tegen de raad van onze parochiepriester in, deze christenen, die bekendstonden als getuigen van Jehovah, wel bij ons binnen. Tot onze verbazing bemerkten wij dat zij vreedzame bedoelingen hadden en dat hun optreden zachtmoedig was.
Wij dachten dat wij als katholieken de ware religie hadden en onze gesprekken met de Getuigen waren er daarom op gericht hen te helpen inzien dat zij dwaalden. Maar hoe langer we met de studie voortgingen, hoe meer we begrepen dat wij degenen waren die dwaalden. Meer dan eens wendden wij ons tot onze parochiepriester, die ons echter niet de nodige uitleg kon geven.
Door onze dorst naar waarheid gedreven, traden wij daarna in discussie met zowel katholieke als protestantse mensen die naar wij meenden de bijbel goed kenden. Er werden vele belangrijke punten besproken, maar noch de katholieke theoloog, noch de protestantse predikant kon een schriftuurlijke basis aan zijn theorieën geven. Wij konden daarom alleen maar concluderen dat de waarheid in de Heilige Schrift was vervat en alleen werd gepredikt door degenen die Jezus’ gebod onderhielden elkaar lief te hebben en zich aldus als zijn ware discipelen deden kennen.
De gemiddelde katholiek ontvangt in zijn jeugd een religieuze opleiding die is gebaseerd op van buiten geleerde riten en gebeden, waarna zijn geestelijke honger geacht wordt door de zondagsmis bevredigd te worden. Hij krijgt te verstaan dat zijn redding in handen ligt van de priester die de verschillende sacramenten toedient. Zijn geweten stompt misschien af en verhardt zich en ten slotte wordt hij vaak ongevoelig en corrupt.
Geleidelijk aan werden mij de leerstellige dwalingen van de katholieke Kerk duidelijk. Ik wil er enkele aanhalen die de meeste indruk op mij maakten. Bijvoorbeeld: Hoe kan men de leerstelling van de Drieëenheid rechtvaardigen als men leest wat er in Johannes 14:28 geschreven staat? Of hoe kan men de leerstelling van de onsterfelijke ziel ondersteunen in het licht van Genesis 2:7; Prediker 9:5; Job 14:13 en 34:14, 15? En als wij de houding van de kerken der christenheid beschouwen — het geweld dat ze de hele geschiedenis door, en in het bijzonder in de recente wereldoorlogen, hebben gepleegd — en als we deze houding dan vergelijken met Johannes 13:34, is het zonder meer duidelijk dat een dergelijke houding niet te verenigen is met het ware christendom.
Het was niet moeilijk uit dit alles op te maken dat de leerstellingen van de katholieke Kerk vals waren en dus maakte ik mij er beetje bij beetje van los en begon samen met mijn vrouw de vergaderingen in de Koninkrijkszaal van Jehovah’s getuigen te bezoeken. Naarmate onze kennis toenam, beseften wij dat Jehovah’s getuigen werkelijk Gods volk vormden.
De nieuwe zienswijze van de burgemeester omtrent politiek
De wereld van de politiek begon me meer dan ooit te kwellen omdat ik nu ging begrijpen dat de oneerlijkheid en de zelfzucht onder politici te wijten was aan hun gebrek aan geestelijk onderscheidingsvermogen en kennis van Gods Woord de bijbel.
Het was duidelijk dat ik door in de politiek te blijven niets zou kunnen bijdragen om tot een oplossing te komen van de sociale strijd te midden waarvan ik leefde, omdat mijn krachtsinspanningen het noodzakelijk zouden maken mij tot het sluiten van compromissen en corruptie te verlagen. Anders zou ik vermorzeld en opzij geschoven worden. Volgens mij kon de maatschappij alleen veranderen als het hart van mensen veranderde en niet alleen wanneer enkele eerlijke mensen zich met verschillende sociale activiteiten bezighielden.
Dit wordt bevestigd door het feit dat de wereld niet datgene is wat ze is doordat moreel rechtschapen personen zich ervan hebben weerhouden sociale toestanden te verbeteren, doch veeleer doordat de oprechte pogingen van enkelen het hebben moeten afleggen tegen de slechtheid van velen.
Nu kon ik begrijpen waarom politici en regeerders er in het verleden nooit in zijn geslaagd, en er ook thans of in de toekomst nooit in zullen slagen de sociale problemen waarmee we dagelijks te kampen hebben, op te lossen en waarom grote delen van het zuiden van dit land het nog steeds zonder drinkbaar water en elektriciteit moeten stellen, waarom er sociale verzekeringsinstellingen zijn die met schrikbarende tekorten kampen, waarom er onvoldoende onderwijsvoorzieningen zijn, waarom de vervuiling niet wordt tegengegaan, de inflatie op hol is geslagen en waarom jeugdmisdaad en geweld toenemen.
Als burgemeester (een positie die ik had aanvaard toen ik nog katholiek was) droeg ik echter nog altijd een verantwoordelijkheid tegenover mijn medeburgers. Terzelfder tijd maakte mijn kennis van de waarheid het duidelijk dat mijn positie niet aanvaardbaar was voor Jehovah. Ik moest ten aanzien hiervan zonder compromis en in overeenstemming met christelijke beginselen handelen. Na de kwestie overdacht te hebben, besloot ik naar de prefect te gaan en hem uit te leggen dat het mijn bedoeling was mijn ambt van burgemeester neer te leggen. Hij toonde alle begrip hiervoor en gaf mij de verzekering het zo te zullen regelen dat de overige gemeenteraadsleden de periode waarvoor ze gekozen waren, konden voltooien zonder dat er vroegtijdige verkiezingen zouden hoeven te worden gehouden. Dit was precies wat ik wenste — de gemeenschap te behoeden voor de zware last van vroegtijdige verkiezingen.
Zo kon ik dus aftreden. Nu hadden mijn vrouw en ik een rustig en kalm gevoel ten aanzien van de keuze die we gemaakt hadden. We hadden nu de wens ons aan Jehovah op te dragen en dit in het openbaar door de waterdoop te symboliseren. We waren hiertoe ook in staat.
Nu zijn mijn vrouw en ik gelukkig tot Jehovah’s volk gerekend te worden en ons — met diepe liefde, waardering en een oprecht verlangen anderen te helpen deze grote vreugde des harten eveneens te verkrijgen — voor de dienst van de ware God aan te bieden. — Ingezonden.