Het spelen van dieren
EEN grote ring van elastiekjes omcirkelde de plek waar de koelkast had gestaan. De twee verhuizers keken me beurtelings nieuwsgierig en ongelovig aan.
„Ze zijn van de kat”, bracht ik er bedremmeld uit. „Ze verzamelt elastiekjes.”
En daar is niets van verzonnen. Mijn kat koestert nu eenmaal een grote voorliefde voor rubber elastiekjes. Laat er één tussen uw duim en wijsvinger „zoemen” en onmiddellijk verschijnen er twee zwarte pootjes en een zwart neusje boven de zitting van de stoel. Als een volleerde tenniscrack weet ze het met de uitgespreide klauwen van haar voorpoot uit uw hand te slaan, om het vervolgens al duwend of in hockey-stijl, met beide poten, weg te slaan, onder het elektrisch snorrende „doel”, waar wij ons voedsel koel bewaren.
Kan men zeggen dat dieren spelen? De biologen zijn het daar niet over eens. Dit gebrek aan overeenstemming is voornamelijk te wijten aan de onzekerheid hoe spelen gedefinieerd moet worden. De anti-speel-theoretici zijn geneigd de zogenaamde „speel”-activiteiten van dieren als uitingen van het jachtinstinct te zien. Maar toch, als ik naar Nefer kijk (dat is de naam van mijn kat) kan ik nauwelijks geloven dat zijzelf het aanvallen, vangen en opslaan van elastiekjes als een serieuze bezigheid beziet, terwijl men bij haar als tienjarige kat toch ook moeilijk meer kan spreken van een „voorbereiding op wat later een serieuze volwassen bezigheid zal worden”. Als het moet, is Nefer heel goed in staat een ongewenst knaagdier volgens alle regelen der kunst te besluipen. Dan is het menens. Maar rubber elastiekjes? Die heeft ze alleen voor haar ontspanning.
Tot zover over de dieren die bij ons mensen wonen, onze hapjes eten, op of onder onze meubelen slapen en misschien door ons tot spelen worden aangemoedigd.
Capriolenmakers op de boerderij
Maar hoe staat het met de dieren die door een wat grotere afstand van onze menselijke samenleving worden gescheiden? Wel, laten we op de boerderij eens een dier opzoeken dat verre wordt gehouden van ieder normaal menselijk contact en waar weinig mensen ook verrukt naar zullen blijven staan kijken. Het varken. Toevallige omstandigheden waren er de oorzaak van dat enkele vrienden van mij in de Amerikaanse staat Indiana opgescheept kwamen te zitten met een klein biggetje. En de daaropvolgende maanden ontdekten zij dat varkens inderdaad spelen! Mijn vrienden hadden haar de naam „Priscilla” gegeven. Deze Priscilla (in de wandeling Pig geheten) deed bijna alles wat een kat ook doet. Maar haar gedrongen lijfje en gebrek aan katachtige souplesse deden deze katachtige manoeuvres in iets geheel anders ontaarden. Katten kunnen rennen en rondwervelen en hun eigen staart achterna zitten. Maar tracht u, indien mogelijk, diezelfde activiteiten voor de geest te halen terwijl ze worden uitgevoerd door een klein, dikhuidig diertje, met een gedrongen, wigvormig lijfje, rustend op korte, stijve pootjes! Biggen vinden het bovendien heerlijk wanneer hun rug wordt geschurkt. Priscilla schoof haar rug onder elke bengelende voet van een over de knie geslagen been. Wanneer ze dan weg moest, gaf ze met pootgestamp en biggegekrijs uiting aan haar gevoelens van frustratie en woede.
Veel dierkundigen aarzelen om bij dieren over gevoelens als „frustratie” en „woede” te spreken. Niettemin is het opmerkelijk dat de bekende natuuronderzoeker Jacques Cousteau, die weliswaar waarschuwt dieren geen menselijke eigenschappen toe te schrijven, toch zegt: „We moeten dieren niet onnodig verlagen door ze elke vorm van uitdrukking te ontzeggen.”
Speelse katjes in het wild
Maar vinden wij de speelse trekken van jonge huisdieren die dicht bij de mens leven, dan ook terug bij de jongen van totaal wilde dieren? Laten we de boerderij verlaten en eens een bezoek brengen aan het Afrikaanse open veld om op die vraag een antwoord te krijgen. We zien een luierende leeuwin met welpjes om haar heen in het gras liggen. De jonge dieren trekken wat heen en weer aan moeders staart. Maar plotseling is voor één welp de in beweging zijnde staart niet langer het achtereind van zijn moeder. Hij wordt duidelijk een monster dat onderworpen moet worden. Kijk de kleine dreumes eens aan; zijn pupillen verwijden zich, terwijl hij aandachtig naar de staart tuurt. Hij kruipt nader, bevend over zijn achterdelen, alsof die het doel zullen bespringen. En misschien doen ze dat ook wel. Dan: SPRONG! Hij heeft hem! Maar zijn zus heeft misschien haar doel gemist en nu heeft ze hem! Al blazend en mauwend tuimelen ze in een wirwar van pootjes en lijfjes over elkaar heen.
Speelse waterdieren
Maar weinig mensen zullen jonge walvissen in de open zee hebben zien spelen. Bioloog V. B. Scheffer neemt ons in zijn boek The Year of the Whale („Het jaar van de walvis”) mee naar zee om een blik te werpen op een gedrongen schepsel dat hij de naam „Kalfje” heeft gegeven, een jonge walvis die zoals alle walvissen bij de geboorte het lichaam van zijn moeder achterste voren, met de staart eerst, heeft verlaten, om de praktische reden dat hij als walvis door longen ademt, zodat hij bij een omgekeerde gang van zaken allang was verdronken voordat de bevalling was beëindigd. Ten slotte verschijnt zijn stompe kop als laatste stuk van zijn vier en een halve meter lange en één ton zware lijf. Vier maanden later stuiten hij en zijn zwemmakkers in de open zee op een interessant voorwerp, een boomstam, die misschien duizenden kilometers van land is afgedreven. Eén jonge walvis „neemt de stam in zijn bek en zwaait ermee van de ene naar de andere kant, grommend in walvistaal, alsof hij geniet van een denkbeeldig conflict met een vreesaanjagend schepsel uit de diepzee. Wat een pret!” Zo schrijft Scheffer.
Natuuronderzoeker G. Durrell vertelt in zijn boek The Whispering Land („Het fluisterende land”, een dichterlijke titel die zinspeelt op de Argentijnse landstreek Patagonië) over de speelse capriolen van een ander dier, een jonge pelsrob, die hij voor het gemak de naam Oswald had gegeven. Durrell schrijft over hem: „Wat hij aan centimeters te kort kwam, maakte hij met zijn vastberadenheid en persoonlijkheid meer dan goed. Toen ik Oswald het eerst opmerkte, . . . was hij druk bezig met het besluipen van een lange sliert glimmend groen zeewier. . . . Een zachte bries waaide het wier aan één kant op, waarop . . . Oswald zich omkeerde en weghobbelde zo snel als zijn zwemvliezen hem maar dragen konden. . . . Voorzichtig kroop hij er weer naar toe . . . de indruk wekkend dat hij bijna op de tenen van zijn grote, platte flappers liep.” Na ten slotte al zijn moed bijeen te hebben geraapt, sprong Oswald op het zeewier toe en stapte er daarna vol trots mee weg; Durrell schrijft: „Het zeewier bengelde aan beide kanten uit zijn bek, als een groene snor, terwijl Oswald zeer vergenoegd leek over het feit dat zijn eerste beet de vijand kennelijk zo volledig buiten gevecht had gesteld.”
Spelletjes van andere dieren
Zo beschrijft Durrell ook hoe in de buurt van zijn kamp twee vossen met een rol helder roze toiletpapier speelden. „Na te hebben vastgesteld dat het niet eetbaar was”, zo schrijft hij, „dansten en draaiden ze op hun slanke poten dat het een lieve lust was, terwijl ze de rol toiletpapier heen en weer lieten rollen . . . Het hele kamp raakte vervuld van een vrolijke carnavalssfeer.” Nadat de show voorbij was, fladderde zesendertig meter roze toiletpapier losjes in de wind!
Mogen de natuurkenners het dan lang niet altijd met elkaar eens zijn over het al dan niet spelen van dieren, de otter, die in de noordelijke wouden zijn domicilie heeft, is een dier waarvan de speelse neigingen voor de meesten overtuigend vaststaan. Hij speelt gewoon omdat hij het leuk vindt! Wanneer u een zoooef! hoort, gevolgd door een pats! en dit telkens opnieuw, zult u waarschijnlijk gelegenheid hebben een blik te werpen op de meest ongebreidelde activiteit uit het dierenrijk. Het zoevende geluid is afkomstig van een otter die zich in volle vaart van een zelfgefabriceerde modderhelling laat glijden; na de aanleg ervan, heeft hij alle steentjes met nauwkeurige precisie verwijderd en daarna de helling met zijn natte pels glibberig glad gemaakt. De pats komt aan het eind van zijn glijtoer, wanneer hij een beek of vijver in schiet. Zonder moe te worden, schijnt hij deze handeling tot in het oneindige te kunnen herhalen. In de winter gebruikt hij natuurlijk het dan beschikbare glijmiddel bij uitstek: sneeuw, voor dezelfde opwindende ontspanning.
„Spelgedrag is onder alle gewervelde dieren, met uitzondering van de vissen, waargenomen”, aldus P. Marler en W. J. Hamilton III. Toch heb ik vliegende vissen wel eens een race zien aangaan met een oceaanstomer in de Grote Oceaan, terwijl ik voor de kust van Florida reusachtig grote marlijnen uit de zee heb zien opspringen, waarna ze ogenschijnlijk seconden lang met hun staart op de golven bleven staan alvorens weer in het water terug te plonzen. En wanneer een vis dit niet doet, om de pijn van een trekkende vishaak te verlichten, lijkt dit toch op plezier maken! Als een dier, ook al is het een vis, genoegen put uit een bepaald gedrag, kan men dan niet spreken over zijn versie van spelen?
De Australische grasparkieten leveren een soortgelijk voorbeeld van speelgedrag. Hebt u ze in gevangenschap nooit aan een draad in hun kooi als brandweerlieden naar beneden zien zakken?
We hebben dus nu een blik geworpen op de dieren in onze eigen omgeving, op de boerderij, op de open vlakten, in de bossen, in de zee en in de lucht. Wat valt er nog te zeggen over de dieren in het oerwoud?
Chimpansees zijn bekende oerwoudbewoners, waarvan de moeders hun jong graag mogen kietelen. Deze gaat dan schreeuwen en rollen, waarop zij hem in speelsheid nog een extra tik achterna geven. En zo is het ook onder andere dieren; spelgedrag vindt men niet alleen in een afzonderlijke elitegroep. Net als bij de mensen, vermaken de oudere de jongere en vele malen zijn ze de gangmakers van het spel.
Wat is spelen? Zoals in het begin reeds werd gezegd, heeft niet iedereen daar een zelfde mening over. Maar in het algemeen is men het er wel over eens dat het een activiteit zonder onmiddellijk praktisch doel is. Want hoewel er handelingen bij betrokken kunnen zijn die op andere momenten een geweldig nut hebben (zoals kruipen of sluipen), is niet de hele keten van activiteiten nodig die bij werk is vereist. Het element plezier moet aanwezig zijn! Zo hebben volgens het boek Mechanisms of Animal Behavior jonge katten, vossen en mungo’s allemaal de gewoonte vreemde voorwerpen te besluipen — een blad, een stuk touw, iets dat op zichzelf geen dreiging inhoudt. Langzaam kruipen ze ernaar toe, om dan plotseling een verticale sprong in de lucht te maken.
„Wie met een kat speelt, kan schrammen verwachten”, aldus Cervantes; een uitspraak die we zouden kunnen wijzigen in: „Wie met een kat (of ander schepsel van God) speelt, kan spel verwachten.” — Ingezonden.