Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g76 8/4 blz. 22-27
  • Een doel voorbij het hier en nu

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een doel voorbij het hier en nu
  • Ontwaakt! 1976
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Gezondheid nodig voor volmaakt geluk
  • Hoe God regelingen voor de genezing van de mensheid heeft getroffen
  • Een rechtvaardige „nieuwe aarde”
  • Het hoofdthema van het goede nieuws — het koninkrijk van God
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
  • Gods voorziening tot zegening van de mensheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
  • Hoe zal eeuwig leven worden verworven?
    Ontwaakt! 1971
  • Basis voor een zinvol leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
Meer weergeven
Ontwaakt! 1976
g76 8/4 blz. 22-27

Een doel voorbij het hier en nu

„WELK voordeel schenkt het me nu?” Dat is dikwijls de reactie wanneer iemand iets nieuws te horen krijgt, en het is beslist natuurlijk om in het heden van goede dingen te willen genieten. Maar tegelijkertijd kunnen wij het ons niet veroorloven de toekomst voorbij te zien. Een gids voor het leven zou jammerlijk in gebreke blijven wanneer hij geen hoop of doel voor de toekomst zou verschaffen. Want ongeacht wat iemand thans bezit, zijn kijk op de toekomst heeft een sterke invloed op zijn huidige levensloop.

De bijbel voorziet in een gezonde hoop op de toekomst, een doel waar men naar toe kan werken. Na bijna dertig jaar volgens christelijke beginselen te hebben geleefd, zei de apostel Paulus: „Godvruchtige toewijding is nuttig voor alle dingen, daar ze een belofte inhoudt voor het tegenwoordige en het toekomende leven.” — 1 Tim. 4:8.

In het voorgaande artikel hebt u de ervaringen kunnen lezen van mensen die thans reeds voordelen ontvangen van het feit dat zij hun levenswijze veranderd hebben. Deden zij dit door alleen maar het besluit te nemen om te veranderen en zich daar dan aan te houden? Neen. Zij zagen wel in dat wat zij aan het doen waren, niet goed was of hun niet de voldoening schonk die zij wensten; zij wilden wel veranderen, maar wisten aanvankelijk niet waar en hoe zij moesten beginnen. In sommige gevallen sloegen zij wel Jehovah’s getuigen gade en zagen dat de Getuigen gelukkig waren en hun leven op een voldoening schenkende manier gewijzigd hadden. Maar ondanks dat waren zij niet in staat zulke wijzigingen uit eigen wil en kracht aan te brengen. Zij moesten de bijbel bestuderen en Gods voornemen voor de mensheid leren kennen. Zij hadden hulp nodig van God en van medechristenen om met hun hart te begrijpen waarom zij zulke veranderingen moesten aanbrengen en te beseffen dat zij hierbij Gods hulp zouden ontvangen. Zij zagen ook in dat het voor henzelf en voor hun gezin werkelijk nut zou afwerpen. Zij hadden een doel in hun leven nodig en zij leerden dat dit doel overeenkomstig Gods voornemen gevormd zou moeten worden.

Ja, deze oprechte mensen ontdekten dat de dingen welke zij nodig hadden voor een beter leven thans, betekenden dat zij moesten leren leven zoals de Schepper de mens had gemaakt om te leven — in vrede met zijn gezin en met zijn naaste, en in vrees en dienst voor God, omdat alleen God iemand op de goede weg kan leiden. De bijbel zegt: „Hij heeft u verteld, o aardse mens, wat goed is. En wat vraagt Jehovah van u terug dan gerechtigheid te oefenen en goedheid lief te hebben en bescheiden te wandelen met uw God?” (Micha 6:8) Zij zagen ook in dat godvruchtige toewijding een belofte voor het „toekomende” leven inhoudt.

Gezondheid nodig voor volmaakt geluk

Wat hebben wij nodig om in een toekomstig leven gelukkig te zijn? Waarschijnlijk denkt u in de eerste plaats aan een goede gezondheid. Zonder dat is geen vreugde mogelijk. Hoe zal in ’het toekomende leven’ daarvoor gezorgd worden?

De bijbel geeft ons de verzekering dat wanneer alleen Gods koninkrijk over de aarde regeert, alle mensen een goede gezondheid zullen genieten. Zelfs thans wordt men door gehoorzaamheid aan Gods beginselen en geboden geholpen allerlei spanningen en ziekten te vermijden die de gezondheid schaden. De goede uitspraken in de bijbel „zijn leven voor wie ze vinden en gezondheid voor heel hun vlees” (Spr. 4:22). De beleringen uit de bijbel zijn „gezonde woorden”, niet alleen in geestelijk maar ook in lichamelijk opzicht, aangezien geestelijke gezondheid van groot belang is voor lichamelijke gezondheid. — 2 Tim. 1:13; 4:3.

Mensen hebben echter ook werkelijk lichamelijke genezing nodig alvorens zij tot volmaakte gezondheid en kracht kunnen komen. Een juist leven op zich zal zo’n lichamelijke genezing niet teweegbrengen. Er is iets meer nodig. Hoe zal deze genezing worden verschaft?

De mens kan zichzelf niet genezen, want hij is door overerving onvolmaakt (Ps. 51:5). Hij doet dingen die niet juist zijn, vooral wanneer hij onder druk staat. Dit komt doordat wij allemaal zondaars zijn, zelfs diegenen die niet verkeerd willen. Het bijbelse woord dat voor zonde wordt gebruikt, betekent „het doel missen”. De mens kan zichzelf niet aan zijn eigen schoenveters optrekken. Noch kan de ene mens de ander redden, want allen zitten in dezelfde „poel” van onvolmaaktheid die ten slotte uitloopt op de dood. De psalmist schreef, dat ongeacht iemands status — rijk, wijs of machtig — „niet één van hen . . . zelfs ook maar een broeder op enigerlei wijze [kan] loskopen, noch God een losprijs voor hem geven, . . . opdat hij nog voor eeuwig zou leven en de kuil niet zou zien.” — Ps. 49:6-9.

Hulp dient daarom van God te komen. Ziekte wordt in de bijbel met zonde in verband gebracht en genezing met vergeving. Koning David besefte de toestand van de mensheid en hij schreef aan Israël: „Zegen Jehovah, o mijn ziel, en vergeet niet al zijn weldaden, hij die al uw dwaling vergeeft, die al uw kwalen geneest” (Ps. 103:2, 3; vergelijk Lukas 5:18-25). Op deze hulp moeten wij wachten indien wij in volmaakte gezondheid willen leven. Wanneer zal deze genezing komen? Tijdens de duizendjarige regering van Gods Zoon, Jezus Christus. Alle bewijzen duiden erop dat het begin van deze regering zeer nabij is. — Matth. 24:32-34.

Dit is werkelijk iets om naar uit te zien — een echt doel in ons leven — waarlijk een aansporing om Gods wil voor ons te leren kennen en ernaar te handelen. U zou echter kunnen vragen welke waarborg wij hebben dat God deze dingen voor ons zal doen. Wel, merk dan op hoe grondig de bijbel, als een hechte basis voor ons geloof, verklaart welke zorgvuldige regelingen God voor de genezing en het herstel van de mensheid heeft getroffen.

Hoe God regelingen voor de genezing van de mensheid heeft getroffen

Zoals een vader van zijn zoons houdt, zo houdt God van datgene wat hij heeft geschapen. Toen Jezus op aarde was, zei hij: „God heeft de wereld zozeer liefgehad dat hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een ieder die geloof oefent in hem, niet vernietigd zou worden, maar eeuwig leven zou hebben” (Joh. 3:16). Voordat de aarde werd geschapen, leefde deze zoon een tijdlang bij zijn Vader in de hemel (Joh. 1:1; Openb. 3:14). Toen hij op aarde was, doelde hij op zijn voormenselijke bestaan toen hij God in gebed vroeg: „Vader, verheerlijk gij nu mij naast uzelf met de heerlijkheid die ik naast u had voordat de wereld was.” — Joh. 17:5.

Denk eens in wat het voor God moet hebben betekend zijn Zoon naar de aarde te zenden, door diens leven naar de schoot van een joods meisje over te brengen en hem aldus als een mens geboren te laten worden om te midden van een onvolmaakt, zondig volk te leven! En denk eens aan de gehoorzaamheid van de Zoon van God en zijn liefde voor God, dat hij zijn hemelse rijkdommen opgaf om op aarde als erger dan een slaaf behandeld te worden en ten slotte een smadelijke dood te sterven (1 Petr. 2:21-25). De apostel Paulus schreef over wat Jezus heeft gedaan: „Die, alhoewel hij in Gods gedaante bestond, geen gewelddadige inbezitneming heeft overwogen, namelijk om aan God gelijk te zijn. Neen, maar hij heeft zichzelf ontledigd en de gedaante van een slaaf aangenomen en is aan de mensen gelijk geworden. Meer nog, toen hij zich, in de hoedanigheid van een mens bevond, heeft hij zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, de dood aan een martelpaal.” — Fil. 2:6-8.

Waarom was zijn dood nodig om de mensheid van de dood te bevrijden? Omdat hij — aangezien hij niet de vader van het mensenras was — niet het hoofd en evenmin de eigenaar van de mensheid was. Het mensenras behoorde Jehovah God toe. God, die zijn eigen rechtvaardige soevereine heerschappij in het universum handhaafde, kon de zonde niet vergoelijken of door de vingers zien. Hij kon niet, zoals tegenwoordig zoveel regeringen en rechters doen, allerlei misdaden maar laten „passeren”, en daardoor de morele aard van het land verzwakken. Er moest een slachtoffer zijn, een loskoping door losprijs. Die prijs diende een volmaakt menselijk leven te zijn, net zoals Adam, de voorouder van de mensheid had bezeten, maar die zijn leven door te zondigen had verspeeld. Zijn nakomelingen waren zonder hun instemming, in slavernij aan zonde en dood verkocht (Rom. 7:14; 8:20). Toen Jezus Christus een mens was geworden, bezat hij die benodigde losprijs en hij betaalde die. Jezus moest daarom een tweede of „laatste Adam” worden zodat hij rechtens en wettelijk voor hen een levengever kon worden (1 Kor. 15:45). Zo kwam de weegschaal van het recht weer in evenwicht. God handhaafde in zijn heerschappij volmaakte gerechtigheid en rechtvaardigheid, terwijl hij toch de hulpeloze mensheid barmhartigheid en een gunstige gelegenheid schonk. — Rom. 3:23-26.

Thans is Jezus Christus de Loskoper van de mensheid. Elk lid van het mensengeslacht behoort nu hem toe en hij zal zich overeenkomstig de wil van God met hen inlaten. Voor Christus zijn alle mensen die hij met zijn eigen levensbloed heeft gekocht, kostbaar. Ofschoon iemand zichzelf erg onbetekenend mag vinden, is zijn leven in Christus’ ogen toch heel belangrijk. Hij zal niet toelaten dat ook maar één verdienstelijk mens het leven erbij inschiet. Daarom kunnen wij onder zijn Koninkrijksregering verzekerd zijn van de meest vriendelijke en vaderlijke bejegening (1 Petr. 1:18, 19; vergelijk Lukas 15:4-10). U kunt er daarom absoluut zeker van zijn dat u juiste, rechtvaardige en barmhartige hulp zult ontvangen, ook genezing van uw kwalen, indien u Gods universele beginselen van liefde en gehoorzaamheid ten aanzien van hem en liefde voor uw naaste aanvaardt en in acht neemt. — Matth. 22:37-40; Rom. 13:8-10.

Hoe weten wij of Christus dit kan doen? Wel, ten eerste leeft hij weer omdat hij door zijn Vader, Jehovah God, is opgewekt (Hand. 2:32). En ten tweede is hij nu vanwege zijn loskoopoffer niet alleen de bezitter van het mensengeslacht, maar bezit hij tevens de macht om alles te doen wat voor het mensengeslacht nodig is — dingen die hij, toen hij op aarde was, niet voor hen kon doen. De apostel Paulus schrijft: „Juist daarom [om zijn gehoorzaamheid tot in de dood] heeft God hem ook tot een superieure positie verhoogd en hem goedgunstig de naam gegeven die boven elke andere naam is, zodat in de naam van Jezus iedere knie zich zou buigen van hen die in de hemel en die op aarde en die onder de grond zijn.” — Fil. 2:9, 10.

Christus’ opstanding vormt derhalve een basis voor geloof een waarborg dat wij hulp zullen ontvangen. Bovendien is het tevens een waarborg dat zij „die onder de grond zijn”, die dood in het graf liggen, een opstanding zullen ontvangen (Hand. 17:31). Of hun vroeger leven nu goed of slecht was, zij zullen de gelegenheid krijgen over de losprijsvoorziening te vernemen, zich eraan vast te grijpen en gedurende de rechtvaardige heerschappij van het Koninkrijk gehoorzaamheid te betrachten (Hand. 24:15). Ten slotte kunnen zij de volmaaktheid bereiken en evenals de rest van de gehoorzame mensheid leden van Gods gezin worden. — Rom. 8:21.

Een rechtvaardige „nieuwe aarde”

Misschien is het voor ons nog onmogelijk volledig te beseffen wat het wil zeggen kinderen van God te worden. Niettemin is er in de bijbel genoeg te vinden om ons er een indruk van te geven hoe groots dit moet zijn. Denk eens in: een leven op een prachtige aarde, vrij van vervuiling, ziekte, misdaad, haat, rassenonlusten en oorlogen. Stelt u zich eens voor: onvervalst te kunnen genieten van de pracht van de aarde — van majestueuze bergen, koele, verfrissende bossen, met bloemen overdekte tuinen, glinsterende beken en rivieren en onvervuilde oceanen. Dit zal, zo verzekert de Heilige Schrift ons, ons blijvende tehuis vormen.

Nog aangenamer zullen echter de mensen zijn — gezond, stralend, hersteld tot volmaaktheid van geest, hart en lichaam. Om gelukkig te zijn zult u zowel voor uw geest als voor uw lichaam werk nodig hebben. Dit betekent dat er op de paradijsaarde uitdagingen op u zullen wachten, ook al behoren zorgen en drukkende omstandigheden tot het verleden.

Mannen en vrouwen zullen de opdracht die oorspronkelijk aan de mensheid werd gegeven, maar waarin zij hebben gefaald, ten uitvoer brengen. Welke opdracht? De aarde te onderwerpen, en de hele dierlijke schepping op het land, in de zee en in de lucht in onderworpenheid te hebben. De problemen die zich daarbij voordoen, zullen hun bekwaamheid en vindingrijkheid beproeven en oefenen.

De zorg voor plant en dier zal voor velen een genoegen zijn. En wat een vreugde voor anderen dingen te kunnen doen waarvoor men de gave en de bekwaamheid bezit. De aarde is een geweldig wetenschappelijk „laboratorium” met genoeg geheimen om de mens tot in alle eeuwigheid met studie en onderzoek bezig te houden. Elke ontdekking opent nieuwe mogelijkheden, nieuwe gezichtspunten tot nut van de mensheid. Zo zal er van Jehovah God, de nooit opdrogende bron van energie en wijsheid, voor mannen en vrouwen eeuwigdurende vreugdevolle arbeid afkomstig zijn (Jes. 40:28, 29). Het leven zal werkelijk zin hebben en niets zal meer de zekerheid van die wereld bederven, of de glans van dat leven bezoedelen. Over de narigheden van het verleden zegt Gods Woord: „De vroegere dingen zullen niet in de geest worden teruggeroepen, noch zullen ze in het hart opkomen.” — Jes. 65:17.

Deze beschrijving is niet slechts een hoopvolle droom. De beloften omtrent deze dingen staan opgetekend in de bijbel, het Woord van een God die „niet liegen kan” (Titus 1:2; Hebr. 6:18). Toen Jezus op aarde was, gaf hij ons overvloedige bewijzen van zijn verlangen en vermogen de mensheid te genezen en te zegenen (Mark. 1:40, 41). Hij heeft ontelbare genezingen van alle soorten van ziekten verricht. Dit deed hij, niet afhankelijk van het geloof van zo’n persoon, maar door zijn eigen kracht en uit liefde voor de mens. Zijn genezingen geschiedden spontaan, niet geleidelijk aan door medische behandelingen of een speciaal dieet, of door operaties en verpleging in een ziekenhuis. Degenen die hij genas, werden „gezond” en waren weer in staat om te werken. — Joh. 5:9.

Sommigen werden door Jezus opgewekt, ook al was — minstens in één geval — het lichaam reeds tot ontbinding overgegaan (Joh. 11:38-44; Luk. 7:11-17; Matth. 9:18-26). Al deze genezen en opgewekte mensen zijn echter weer gestorven. Hun genezing leidde niet tot volmaaktheid van hun lichaam. Waarom niet? Omdat het voor Christus’ koninkrijk nog niet de tijd was om te heersen en dit huidige samenstel van dingen te verwijderen. Dit moet eerst gebeuren, anders zou het oude samenstel een struikelblok voor gezondheid, zekerheid, gezinsgeluk en vrede vormen. Christus’ heerschappij zal als met een ijzeren roede dit samenstel verwijderen tijdens datgene wat een „grote verdrukking” voor deze wereld wordt genoemd (Matth. 24:21). Dit samenstel van dingen zal, te zamen met het onrecht en de druk ervan, in zijn geheel van het toneel moeten verdwijnen, hetgeen de weg zal vrijmaken voor de ononderbroken heerschappij van rechtvaardigheid. Zij die werkelijk volgens de richtlijnen van de bijbel willen leven, zullen overblijven (Openb. 7:9, 14, 15). Angst voor deze gebeurtenis is dan ook misplaatst; we kunnen er als een bevrijding naar uitzien. — 1 Joh. 2:17.

Zoals de laatste hoofdstukken van de bijbel ons vertellen, zal dan de „rivier van water des levens” naar de mensheid beginnen te stromen. Door te drinken van dit „water”, wat een symbool is van Gods voorziening voor leven door middel van Christus, door te eten van de „vruchten” van de „bomen” die langs zijn oevers staan en de „bladeren van de bomen . . . tot genezing van de natiën” te gebruiken, zullen de bewoners van het aardse paradijs tot volmaaktheid worden gebracht (Openb. 22:1, 2; 7:15-17). Door deze regeling zal God „elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan”. — Openb. 21:3, 4.

Zelfs het allerbeste, gelukkigste, produktiefste leven dat u thans zou kunnen leiden, zou ver achter blijven bij het leven in Gods nieuwe ordening. Dat leven zal niet slechts zeventig jaar, of zelfs honderd of duizend jaar duren, maar eeuwig. Godvruchtige toewijding thans werpt beslist ook zijn nut af voor de toekomst, omdat ze „een belofte inhoudt voor het tegenwoordige en het toekomende leven” (1 Tim. 4:8). Alleen een almachtige, alwijze en liefdevolle Schepper zou hierin kunnen voorzien. Jehovah God en zijn Zoon zien met vreugdevolle verwachting uit naar de tijd dat Hij dit zal gaan doen. Wordt u door deze kennis van Gods goede voornemen ten aanzien van de mensheid er niet toe bewogen uw leven in overeenstemming te brengen met de bijbel, de gids die God heeft verschaft? Zo ja, dan kunt ook u verlangend uitzien naar de duizendjarige heerschappij van Gods koninkrijk over de aarde.

[Illustratie op blz. 24]

God verzekert ons dat de hele aarde een paradijs zal worden. Vormt dit voor u geen aanleiding iets over Gods wil en voornemen te weten te komen?

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen