De zeezigeuners van Mindanao
Door Ontwaakt!-correspondent op de Filippijnen
WANNEER wij het woord zigeuners horen, is het eerste waar we waarschijnlijk aan denken, een groep zwervende, donkerhuidige en donkerogige mensen in Europa, met exotische gewoonten en kleurige kledij. Maar hebt u ooit gehoord van hun tegenhangers op zee, de zeezigeuners van de Oriënt?
Hier op de Filippijnen, in het prachtige Zamboanga, of dieper naar het zuiden, in de richting van Borneo, tussen de zonovergoten eilanden van de Sulu-archipel, kunt u misschien een glimp van hen opvangen. Want in die omgeving leven de Bajau’s, een van de eenentachtig verschillende bevolkingsgroepen die de Filippijnen rijk zijn, en die wegens hun „drijvende”, nomadische levenswijze wel eens romantisch de zigeuners van de zee worden genoemd; reeds eeuwenlang wonen ze in woonboten en op palen staande woningen langs zandige stranden en rotsige koraalriffen.
Waar men ze ook aantreft, niet alleen op de Filippijnen, maar ook in de Federatie Maleisië, in Indonesië en in Burma, overal zal men ze herkennen aan hun verweerde uiterlijk hun door de zon kastanjebruin gebleekte haar, smalle gezicht, hoge jukbeenderen en hoge neusbrug. De Bajau’s op de Filippijnen acht men afkomstig van Indonesië en Maleisië. Antropologen zijn van mening dat hun voorouders van de kustvlakten van Borneo hierheen zijn verhuisd.
Het schijnt dat reeds in 1521 Ferdinand Magalhães bij het zoeken naar nieuwe zeeroutes om in het verre Oosten te komen, tussen Borneo en onze eilanden drijvende dorpen heeft gezien. Maar al ver vóór die tijd trokken de Bajau’s reeds van ankerplaats naar ankerplaats, slechts naar de wal roeiend om hun vis en parels te verkopen of deze te ruilen voor simpele levensbehoeften als cassavemeel, rijst, suikerriet, kokosnoten, of andere tropische vruchten als de doerian, broodvruchten, de ramboetan en de mangistan. Sommigen blijven maar een paar uur op de vaste wal, anderen wel eens weken en soms wel maanden, waarbij zij dan een tijdelijke gemeenschap ontwikkelen.
De gemeenschap van de Bajau’s
Hun in ondiep water gebouwde paalhuizen, zijn door wankele, provisorische bruggen (vaak één enkele plank of bamboesteel zonder leuning) met elkaar verbonden. Trappen zijn zeldzaam — een stevige paal die van de deuringang naar de gemeenschappelijke brug of het wateroppervlak afdaalt, is voor hen voldoende. Rond en onder deze huizen liggen de boten, de kano’s, plaatselijk lipalipa’s genoemd, de uitgeholde boomstamboten, de ’outriggers’, met buiten de boot aangebrachte drijvers, en nog andere boten, woonschepen eigenlijk. De Bajau’s vormen een hecht aaneengesloten gemeenschap. Eén huis of één enkele woonboot bevat soms een hele familie: ouders, getrouwde kinderen en kleinkinderen.
De kinderen zwemmen en dartelen vaak poedelnaakt in het ondiepe water; de vrouwen wassen kleren of nemen zelf een bad, koken een maaltijd of verpozen zich in de deuropening met geanimeerde, lichte gesprekken; anderen zorgen voor de kinderen, repareren visnetten of weven matten. Sommigen houden zich bezig met het verzamelen van schelpen, zeewier, zeeëgels en andere eetbare waar uit de zee. Ondertussen zijn de mannen druk bezig met het bouwen en repareren van boten of het klaarmaken van hun visgerei. Een uitgeholde boomstamkano vergt soms wel drie maanden werk en moet vaak na drie jaar weer door een ander vervangen worden. Het gereedschap is primitief — wat houtbeitels, bijlvormige werktuigen en andere gereedschappen van eenvoudig ontwerp zijn hun voornaamste werkgerei. Soms vormen de mannen een groep om te gaan vissen. Dan varen ze met zo’n tien boten in horizontale lijn uit en wanneer dan een school vissen wordt waargenomen, maken ze lawaai om de vissen naar een rotsrif of een andere plek te drijven, waar ze makkelijk met een speer gespietst kunnen worden. Haaien, roggen, inktvissen en tonijn maken vaak deel uit van de meegebrachte vangst.
De Bajau’s zijn een vreedzaam volk dat het liefst met rust gelaten wordt. Bij het minste of geringste teken van onenigheid of moeilijkheden met landbewoners, kiezen zij eenvoudig het ruime sop. Voor hen is de zee een veilige wijkplaats en vriend. Wanneer zij vertrekken, breekt de hele gemeenschap op.
Kinderen van de zee
De meeste Bajau’s worden thuis geboren; „thuis” wil dan zeggen een boot, misschien gehouwen uit een grote stam afkomstig uit Borneo of gevonden op zee en geduldig met de hand uitgehold, gebeiteld en dan met palmbladeren overdekt. Drijvers van bamboe steken als de lopers van een slee langs de zijkanten in het water, om de kans op kapseizen te verkleinen.
Het verhaal gaat dat Bajau-kinderen al op zeer jeugdige leeftijd in het water worden geworpen. Blijven ze drijven, dan worden ze beschouwd als ware kinderen van de zee. Hun zwembekwaamheid maakt hen tot de beste parelduikers van de streek. Andere inheemse bevolkingsgroepen zijn zij op het gebied van duiken verre de baas; minutenlang kunnen zij zonder hulp van een duikuitrusting onder water blijven.
Deskundige navigators
Voor de Bajau’s zijn de waterwegen van de Sulu-archipel even bekend als de lijnen van hun handpalm. Afstand en duisternis vormen geen belemmering voor deze navigators van de zee, die op elk moment in staat zijn hun positie te peilen. Zonder kompas of soortgelijk navigatie-instrument volgen zij eenvoudig de sterren, steken hun hand in de zee, proeven het water en weten waar zij zijn. De verklaring luidt dat het zoutgehalte van zeewater van plaats tot plaats verschilt en dat zij door proeven hun positie kunnen bepalen. Daarna schatten zij de stroomsnelheid van het water op de plaats waar zij zijn en rekenen uit hoever ze nog van land af zijn en wanneer ze ongeveer zullen aankomen.
Hun opmerkelijke kennis van de zee berust op lange ervaring, op kennis van de golven, de wind en de deining, een kennis die van de ene generatie op de andere wordt overgedragen. Met die kennis schijnen zij dagen vooruit stormweer te kunnen voorspellen, zodat zelfs wanneer de lucht helder is, de wind rustig en het water spiegelglad, de landbewoners al op storm rekenen wanneer de Bajau’s met hun boten beschutting in een haven komen zoeken.
Religieuze geloofsovertuiging
De Bajau’s zijn noch „christenen” noch moslims en hangen geen bepaald geloof of traditionele geloofsleer aan. Sommige ouderen beweren een beetje van de bijbel en een klein beetje van de Koran te kennen en vinden allebei erg goed. Hun antwoorden op vragen over God, zijn voornemen, en dergelijke, lopen erg uiteen. Sommige plaatselijke eilandbewoners geloven dat de Bajau’s een absolute verering voor de zee koesteren en dat deze daarom een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hen uitoefent.
Jehovah’s getuigen op Mindanao en Sulu vinden het een vreugde „dit goede nieuws van het koninkrijk” met de Bajau’s te delen (Matth. 24:14). De keren dat zij in Jolo of in de haven van Zamboanga het anker laten vallen, nemen jonge Getuigen deze zeldzame gelegenheden te baat om met hen over de bijbel te spreken. Zij springen dan van woonboot tot woonboot, spreken de bewoners aan in gebrekkig Tausog en bieden lectuur aan in het Arabisch. Vaak is met enkele gebaren en een glimlach de taalkloof te overbruggen en kan er lectuur worden achtergelaten.
Huwelijksgewoonten
Met steun van het Onderzoekcentrum van de Universiteit van het Oosten, maakte Abdul Mari Imao een studie van deze minderheidsgroep. Zijn verslag, zoals dat in de Chronicle Magazine van 28 september 1968 stond afgedrukt, levert een grafisch overzicht van huwelijksgewoonten en andere gebruiken. Het huwelijk is, zoals hij vertelt, een vroege aangelegenheid. De gemiddelde Bajau trouwt al op de leeftijd van dertien of veertien jaar. Een meisje kan zelfs nog eerder trouwen, maar seks zal pas mogen als ze de puberteitsjaren heeft bereikt, daar zien haar familieleden streng op toe. Een huwelijkspartner wordt van tevoren door de ouders uitgezocht.
Huwelijken worden altijd gesloten bij de woning van de hoofdman en vinden voornamelijk plaats tijdens de „altaarmaanden” oktober en november, en vooral tijdens volle maan. Tot de activiteiten die aan de huwelijksceremonie voorafgaan, behoort het traditionele huwelijksbad of de „bruidsdouche”. De imam, of stampriester, verricht de rite van het huwelijksbad, geassisteerd door een meisje dat een met linten versierde paraplu boven het hoofd van de bruid houdt. Daarna volgen er gebeden, het uitgieten van water en rituele dansen.
Wanneer de bruidegom op de huwelijksdag de deur van het huis van zijn bruid nadert, worden er voetzoekers afgestoken om het paar te begroeten. Daarna geeft de imam de bruidegom zijn zegen en vraagt om de ring. Een middelaar haast zich dan naar de bruid en vraagt of zij deze man als haar wettige echtgenoot accepteert. Wanneer hierop haar antwoord Ja luidt, wordt de ring van de bruidegom aan haar vinger geschoven. Deze inlichting wordt dan overgebracht naar de bruidegom, die op zijn beurt de vraag gesteld krijgt of hij alle verantwoordelijkheden van een echtgenoot, op zich wil nemen. Stemt hij hiermee in, dan leidt de imam de bruidegom naar zijn bruid en brengt diens hand naar haar voorhoofd. Daarmee zijn zij tot man en vrouw verklaard.
De bruiloften zijn goedkoop. Soberheid is wel het voornaamste kenmerk ervan. De bruid ontvangt geen panulong of geldgeschenk. Er wordt geen voedsel aangeboden en de uitnodigingen die worden rondgezonden, zijn niet voor een receptie maar voor het deelnemen aan een wateroptocht, die plaatsvindt vóór de huwelijksceremonie. Onder de klanken van een kulintanga gaat de boot het dorp rond om de gebeurtenis aan te kondigen en onderweg allerlei gasten af te halen. Het succes van de bruiloft wordt afgemeten naar het aantal dorpelingen en van buiten afkomstige bezoekers die op de bruiloft aanwezig zijn.
Echtscheiding komt veel voor. Bepaalde meisjes, van nog geen zestien of zeventien jaar, zijn misschien al dertien keer getrouwd geweest. Huwelijken stranden soms al na twee weken; andere duren niet veel langer dan een maand of twee. De oorzaken zijn velerlei: luiheid en onbekwaamheid van de man om zijn vrouw te onderhouden, zijn misbruik van de rijkdom van de vrouw, geestelijke en lichamelijke wreedheid en andere aanleidingen.
Onzekere toekomst
Ondanks de twintigste-eeuwse vooruitgang en meer aandacht van de regering, vormen de Bajau’s een uitstervende bevolkingsgroep. Onwetendheid, ziekte en ondervoeding blijven deze mensen teisteren en eisen een zware tol. Zelfs op Tawitawi en Si Tangkay, waar zich de laatste bolwerken van deze drijvende cultuur bevinden, gaan de Bajau’s langzaam te gronde, terwijl hun verzet tegen de buitenwereld, waardoor zij hun gewoonten en tradities eeuwenlang hebben weten te handhaven, langzaam afbrokkelt. De jongere generatie van Bajau’s raakt geciviliseerd. Hun wereld van golven, zonsopgangen en zonsondergangen, krijsende zeevogels en oneindige blauwe verten, zal misschien nog blijven, maar de schoonheid van hun eenvoudige, ongehaaste en pretentieloze levenswijze op zee zal waarschijnlijk spoedig voor altijd tot het verleden behoren.
[Voetnoten]
a Een slaginstrument bestaande uit acht bronzen gongen van verschillende grootte en in een rij gerangschikt aan een bootvormig rek met ingewikkelde snijmotieven. Bespeeld met kleurrijke, van linten voorziene slaghouten.