Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g75 22/12 blz. 21-24
  • Een meisje uit een matriarchale maatschappij verkiest de ware God te dienen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een meisje uit een matriarchale maatschappij verkiest de ware God te dienen
  • Ontwaakt! 1975
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De aanbidding in onze dorpen
  • De ware God aanbidden
  • Huwelijk
  • Moeilijkheden in de stad
  • Op de spits gedreven
  • Geestelijke vooruitgang
  • De familie die echt van mij hield
    Ontwaakt! 1995
  • Ik vond ware rijkdom in Australië
    Ontwaakt! 1994
  • Dorp
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Dorp
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
Ontwaakt! 1975
g75 22/12 blz. 21-24

Een meisje uit een matriarchale maatschappij verkiest de ware God te dienen

IK GROEIDE op in het laatste dorp aan de Tapanahoni, ver in het binnenland van Suriname. Het kostte dagen en soms zelfs weken om langs deze rivier met zijn stroomversnellingen en donderende watervallen per motorboot bij ons dorp te komen. Meer dan twintig dorpen behoorden tot onze Mis Djan-​stam.

Ik leefde in een matriarchale maatschappij. Hetgeen betekent dat de geslachtslijn via de moeder en niet via de vader loopt, en de familie van moeders zijde veel meer autoriteit bezit dan de familie van vaders zijde. Zo had mijn moeders broer meer over mijn opvoeding te zeggen dan mijn eigen vader. Ja, ik werd feitelijk als een stuk bezit van mijn moeders familie beschouwd.

De aanbidding in onze dorpen

Elk dorp heeft een menigte van goden. Velen ervan worden geacht dode voorouders te zijn. En vooral in het dorp waar ik werd geboren, was de aanbidding van afgoden van grote invloed op ieder aspect van het leven. De hoofdgod verbleef daar.

De dorpelingen geloven dat ziekte, en zelfs de dood, van de goden afkomstig zijn en dat diezelfde goden ook ziekten kunnen genezen en de dood kunnen afweren. En wanneer de mindere goden daartoe niet in staat zijn, dan wendt men zich ten slotte tot de hoofdgod om verlichting te zoeken. Mijn moeder had dat ook gedaan, vlak voor mijn geboorte, omdat ze aan een zwakte leed.

Nadat ze genezen was, kon ze niet naar haar eigen dorp terugkeren, omdat ze anders, zo werd er gezegd, sterven zou. Dat was de ernstige waarschuwing van de hoofdgod, Gran Gado genaamd, die door zijn priester werd vertegenwoordigd. Deze god oefende een grote invloed op de mensen uit. Elke ochtend werd hij aanbeden. En ik groeide op te midden van zulke afgodenaanbidding.

De ware God aanbidden

Toen ik tien jaar was, hoorde ik voor het eerst spreken over de ware God die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Een van Jehovah’s getuigen kwam naar ons dorp om ons te vertellen over Gods voornemen, een nieuw samenstel van dingen tot zegen van de mensheid te brengen. De Getuige was een jongeman van mijn familiestam. En hij had deze bijbelse waarheden tijdens zijn verblijf in de stad Paramaribo geleerd.

De meeste inwoners van ons dorp maakten hem belachelijk en dreven de spot met hem. Op mij maakte de boodschap echter een diepe indruk. Ik nam enkele boeken van hem. Maar omdat er geen scholen waren, kon niemand in ons dorp lezen. Niettemin hielpen de illustraties die in de boeken stonden, mij de dingen in gedachten te houden die de Getuige had geleerd.

Helaas kon deze jongeman maar een week blijven, maar die tijd was voldoende om mij het vaste besluit te doen nemen de dingen die ik uit de bijbel had geleerd, in mijn leven toe te passen. Ik zag bijvoorbeeld heel duidelijk in dat het de ware God mishaagde wanneer mensen bloed aten (Gen. 9:4; Lev. 17:12; Hand. 15:28, 29); daarom weigerde ik nog verder wilde dieren te eten die men niet op juiste wijze had laten uitbloeden. Mijn moeder stond mij hierin tegen.

Drie jaar later, in 1962, ontmoette ik opnieuw Getuigen, een echtpaar, dat deze rivier toegewezen had gekregen om te prediken. Ik was op dat moment bij een van mijn ooms in een dorp langs de rivier en ontving van de Getuigen het boek Van het verloren naar het herwonnen paradijs. Toen mijn oom echter ontdekte dat dat echtpaar met mij de bijbel bestudeerde, stuurde hij me onmiddellijk terug naar mijn moeder.

Thuis bleef ik voor mezelf de interessante en veelbetekenende illustraties in het Paradijs-boek bestuderen, en hield aldus mijn geloof levend. Mijn moeder bracht me naar ons dorpshoofd opdat hij me voor dit geloof kon waarschuwen. Maar zijn woorden schrokken mij niet af. Toen ging ze met mij naar het opperhoofd van onze stam. Maar ook hij kon, ondanks bedreigingen en lichamelijke mishandeling, mij niet van de aanbidding van onze Schepper afhouden. Ten slotte werd ik voor de afgod gebracht en ontving ik het bevel hem te aanbidden. Maar ik wist dat het een machteloze god was, dus was ik niet bang.

Daarna begon iedereen in het dorp druk op mij uit te oefenen. Ik bad met mijn gehele hart tot Jehovah of hij me wilde helpen dit te doorstaan, en hij heeft mij geholpen.

Huwelijk

Ondertussen had ik de leeftijd bereikt van vijftien jaar; en hoewel ik volgens de regels van onze stam nog te jong was om met een man samen te leven, kwam er omstreeks die tijd toch een man bij mijn moeder om haar toestemming te vragen voor een huwelijk van mij met zijn zoon. Mijn moeder stemde hierin toe.

Ik had een ontmoeting met mijn toekomstige echtgenoot, die op dat moment in Paramaribo werkte, en vertelde hem bij die gelegenheid dat ik bezig was meer over de ware God Jehovah te leren, en dat ik niet zou ophouden Hem te dienen, ook al zou ik zijn vrouw worden. Wat was ik blij toen hij zei dat ook hij in de stad met Jehovah’s getuigen de bijbel bestudeerde, en zelfs hun vergaderingen bezocht!

Na twee jaar werd ik aan die man als vrouw gegeven. Mijn man en ik moesten ons voor de goden opstellen en werden met bier overgoten en daarna met bladeren overstrooid. Gebeden werden voor ons opgezonden, waarin de voorouders om bescherming en zegen werd gesmeekt, opdat wij een gelukkig leven met elkaar mochten hebben. Ik vond het niet prettig me aan deze religieuze ceremoniën te moeten onderwerpen, maar op dat moment zag ik het als de enige mogelijkheid om met toestemming van mijn familie het dorp te verlaten en naar de stad te kunnen vertrekken.

Moeilijkheden in de stad

Maar wat een teleurstelling wachtte mij daar! Mijn echtgenoot had me bedrogen! Hij had alleen maar gezegd dat hij met Jehovah’s getuigen de bijbel bestudeerde, opdat ik zijn vrouw zou worden. Mijn schoonvader, die op hetzelfde erf woonde, kwam bij ons langs om me te waarschuwen geen enkele getuige van Jehovah binnen te laten, omdat ik anders teruggebracht zou worden naar mijn dorp.

Maar mijn besluit stond vast. Ik wilde de ware God dienen. En geen enkele bedreiging kon daar nog iets aan veranderen. Na verloop van tijd kwam ik in aanraking met mijn schoonzus, die ook een van Jehovah’s getuigen geworden was. Zij gaf mij het adres van de vrouwelijke Getuige die mij oorspronkelijk het Paradijs-boek had gegeven, en deze kwam met mij studeren. Dat deed ze echter op een strategische manier. Via het achtererf kwam ze mijn huis binnen, zodat mijn schoonfamilie hier geen weet van zou hebben. Mijn man werkte twee tot drie maanden achtereen in de „bush”, zodat zij geregeld met mij kon studeren.

Wanneer mijn man terugkwam naar de stad, bezocht hij allerlei andere vrouwen. Een groot deel van zijn geld kwam bij hen terecht. Hij besmette mij ook met een venerische ziekte, waarvan ik niet eens het bestaan vermoedde, zodat het ziekteproces een vergevorderd stadium bereikte. Ik moest een operatie ondergaan, en ging naar het huis van mijn schoonzuster om te herstellen.

Tijdens dit verblijf bij mijn schoonzus, was ik in de gelegenheid een driedaagse kringvergadering van Jehovah’s getuigen bij te wonen. Daar kon ik met eigen ogen zien waarover ik al die jaren alleen maar had gehoord — mensen die elkaar werkelijk liefhebben en ijverig dienst verrichten voor Jehovah God. Wat was ik gelukkig bij hen te mogen zijn!

Drie weken nadien kwam mijn schoonvader terug uit de „bush”, en hij verbood mij elke omgang met de Getuigen. Maar ik kwam tot het besluit dat God als regeerder meer gehoorzaamd moest worden dan mensen, en dus bleef ik mijn bijbelstudie, alsook het bezoeken van gemeentevergaderingen, voortzetten (Hand. 5:29). Maar de dag daarop reeds kwam mijn schoonvader met de mededeling dat hij mij de volgende dag met het vliegtuig naar mijn geboortedorp zou terugbrengen. Wat moest ik doen?

De volgende morgen vroeg, toen ik bezig was enkele bezittingen in te pakken, stond mijn schoonvader al achter mij, terwijl hij elke beweging volgde die ik maakte. Ik trachtte met hem te redeneren en vroeg hem de tocht uit te stellen omdat ik nog onder doktersbehandeling stond. Maar hij weigerde te luisteren.

Hij bestelde een taxi om ons naar de luchthaven te brengen. Toen we op straat kwamen, probeerde ik weg te hollen. Maar hij haalde me in en greep me vast; bij de worsteling vielen we samen in een modderige sloot langs de weg. Mijn zwager, gewekt door het rumoer, kwam assisteren en samen werkten ze mij de taxi in.

Toen we bij de luchthaven aankwamen, begon ik te gillen. Mensen kwamen toesnellen en vroegen wat er aan de hand was. Ik zei hun dat men mij met geweld naar het binnenland wilde brengen, waar geen dokter was. Ik liet daarop mijn dokterskaart zien, waarop stond dat ik nog steeds onder behandeling was.

De omstanders telefoneerden de politie. Ondertussen had mijn schoonvader me naar het vliegtuig gesleept, maar de piloot weigerde mij aan boord te nemen, omdat het hem wel duidelijk was dat er iets niet in de haak was. Mijn schoonvader betaalde daarop een taxi om mij van het vliegveld weg te krijgen en ging ook zelf van het vliegtuig weg omdat hij moeilijkheden met de politie vreesde.

In plaats van me naar huis te laten brengen, liet ik me door de taxichauffeur naar het huis van een van Jehovah’s getuigen rijden, waar men mij verder verzorgde. Ondertussen was de familie van mijn man een speurtocht naar mij begonnen. Mijn oom huurde een bus en met stokken bewapende mannen omsingelden het huis. Maar terwijl zij naar boven gingen om mijn bezittingen te halen, wist ik te ontsnappen.

Gelukkig stond er bijna onmiddellijk een politieagent buiten die aanbood mij naar het dichtstbijzijnde politiebureau te brengen. Mijn oom kwam naar het bureau om me naar huis te halen. Maar toen de politie hoorde wat er aan de hand was, kreeg hij het bevel mijn persoonlijke bezittingen aan mij terug te geven en me alleen te laten omdat ik oud genoeg was om zelf te beslissen waar ik wilde wonen. De Getuigen brachten me toen naar een ander adres om een tweede ontvoeringspoging te voorkomen.

Op de spits gedreven

Niet lang daarna kwam mijn man in de stad terug en hij vernam waar ik mij bevond. Wat te doen?

Mijn besluit stond vast. Toen hij kwam, liet ik hem weten dat ik onze verhouding als beëindigd beschouwde. In Suriname worden stamhuwelijken niet officieel erkend, zodat we voor de wet van het land niet eens werkelijk getrouwd waren. Ik zei hem dat hij en zijn familie mij met rust moesten laten omdat ik de Almachtige God wilde dienen. Ik wist dat volgens onze stamgewoonten hij of zijn familie mij naar mijn familie moest terugbrengen wanneer aan onze verhouding een eind kwam. Maar ik zei hem dat hij mijn familie mocht vertellen dat ik niet wilde terugkeren, en dat ik de dingen die mijn familie aan hem gegeven had, niet wilde hebben. Op die voorwaarden stemde hij erin toe aan onze verhouding een eind te maken.

Na een paar maanden keerde mijn gezondheid terug en omdat ik mijn leven reeds aan Jehovah God had opgedragen en hem wilde dienen, werd ik in water gedoopt. Maar er doemden opnieuw problemen op.

Mijn eigen familie stond erop dat mijn voormalige schoonfamilie mij terugbracht, omdat zij anders een jonge vrouw uit hun familie als gijzelaarster zouden vasthouden. De druk van mijn familie werd zo groot dat een hele delegatie van mijn voormalige schoonfamilie naar de stad kwam om mij terug te halen.

Zij namen contact op met de presiderende opziener van de gemeente waar ik vergaderingen bezocht, en vroegen of hij zijn medewerking wilde verlenen aan mijn terugkeer naar mijn dorp. Er werd een regeling getroffen om met mij daarover in de Koninkrijkszaal te spreken. Mijn voormalige schoonfamilie hield zich echter niet aan de afspraak, want in plaats van met één persoon te komen, zoals was beloofd, kwamen zij met zes man.

De gemeentevergadering was juist geëindigd, toen zij binnenkwamen. Hun bedoeling was duidelijk. Zij waren gekomen om mij met geweld mee te nemen! Mijn voormalige schoonvader sprong op me toe en sleepte me met behulp van anderen mee, hoezeer ik mij ook uit alle macht verzette. De opziener adviseerde de Getuigen niet aan het gevecht deel te nemen, en dit was heel verstandig want mijn voormalige echtgenoot bleek gewapend te zijn met een revolver. Ondertussen was een Getuige naar de politie gerend, maar voordat die arriveerde, was ik al in een auto gesleurd en meegenomen.

Ik werd naar het huis van mijn voormalige echtgenoot gebracht, waaromheen een wacht van zo’n vijfentwintig man werd geposteerd. Ik schreeuwde van binnen om hulp, en die kwam! De politie arriveerde en nam mijn voormalige echtgenoot mee naar het bureau. Daarna kwam er politieversterking opdagen en nadat deze mijn vrijlating had geëist, werd ook ik meegenomen.

Na mijn verhaal te hebben aangehoord, stond de politie mij toe terug te keren naar het huis waar ik woonde. Ons dorpshoofd, die ook naar de stad was gekomen, ging naar het hoofd van de politie om te eisen dat ik aan mijn moeder teruggegeven zou worden. Hij kreeg echter de waarschuwing dat noch hij noch iemand anders mij meer lastig moest vallen, omdat hij anders onmiddellijk in hechtenis genomen zou worden. Dit joeg hem schrik aan, en hij vertelde de andere leden van de stam dat als mijn familieleden me zo graag terug wilden hebben, ze me zelf maar moesten komen halen.

De politie-inspecteur zei tot het dorpshoofd: „Als deze vrouw met Jehovah’s getuigen studeert, is er geen enkele reden om u zorgen te maken. Ik ken Jehovah’s getuigen. Zij stelen niet, plegen geen overspel, en zijn ook geen dronkaards. Zij zullen goed op haar passen.”

Geestelijke vooruitgang

De Getuigen hebben mij reusachtig geholpen en aangemoedigd, zowel in geestelijk als lichamelijk opzicht. Zo af en toe kamp ik nog wel eens met mijn gezondheid, waarschijnlijk nog vanwege de verschrikkelijke ervaringen die ik achter de rug heb. Maar op het moment voel ik me weer goed en ik ben Jehovah dankbaar dat ik aan het predikingswerk kan deelnemen.

Ik ben vooral blij dat ik net als vele andere bosnegers heb leren lezen op de speciale school die de plaatselijke gemeente van Jehovah’s getuigen daarvoor in het leven heeft geroepen. Wat een genoegen om nu bij de huizen van de mensen uit de bijbel te kunnen lezen en zo rechtstreeks hun aandacht op de schitterende beloften van onze God, Jehovah, te kunnen richten! ( Ps. 37:9-11; Openb. 21:3, 4) Het is werkelijk een voorrecht hem te kennen en te dienen! Mijn hoop is, dat ik op een goede dag de gelegenheid zal hebben ook mijn moeder en andere verwanten over de ware God, Jehovah, in te lichten (Jer. 10:10-12). — Ingezonden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen