Is vervuiling Gods schuld?
EEN bos omhoogtorenende mammoetbomen. Een geheimzinnig regenwoud. Een uitgestrekte blauwe oceaan, die witte golven slaat tegen een rotsige kust. Een woestijn in het voorjaar, overdekt met een pracht van kleuren. Een reeks glinsterend witte toppen boven het donkere groen van een woud en het schemerig blauw van diepe meren. Taferelen die bij de mensen eens stil ontzag verwekten en hen de uitroep deden slaken: „Een goddelijk land.”
Een nieuwe generatie mensen is ontstaan, nog steeds leven zij in hetzelfde „goddelijke land”, maar nu kijken zij naar een vaalbruine lucht, naar rivieren beladen met industrievuil, naar dode meren en een vervuilde grond en naar de gettowijken van grote steden, die meer lijken op vuilstortplaatsen.
Vervuiling, zo zeggen zij, is Gods schuld. De haak waaraan zij deze beschuldiging ophangen, is de verklaring in de bijbel die we lezen in Genesis 1:28, waar staat: „Voorts zegende God hen en God zei tot hen: ’Weest vruchtbaar en wordt tot velen en vult de aarde en onderwerpt haar, en hebt de vissen der zee en de vliegende schepselen van de hemel en elk levend schepsel dat zich op aarde beweegt, in onderworpenheid.’”
Die verklaring van God was het begin van de vervuiling, aldus de Britse historicus Arnold Toynbee, in een artikel in Horizon, zomer 1973, later dat jaar herdrukt in de Reader’s Digest. Het had de titel: „De genesis van de vervuiling.” Toynbee was overigens niet de eerste die dat zei; een lange rij van beschuldigers was hem al voorgegaan.
In het tijdschrift Science van 10 maart 1967 schreef L. White jr. in een artikel, getiteld „De historische wortels van onze ecologische crisis”: „Door het heidense animisme te vernietigen, heeft het christendom het mogelijk gemaakt dat de natuur op onverschillige wijze is geëxploiteerd.” Hij betoogde verder dat het „christendom een zware schuld draagt” met betrekking tot het „verslechteren van de ecologische crisis”.
White’s artikel werd opgenomen in The Environmental Handbook („Het milieuhandboek”), dat in 1970 door de zgn. „Vrienden der aarde” werd opgesteld. In dat zelfde jaar gaf de Sierra Club haar handboek Ecotactics uit, waarin op de bladzijden 82 en 83 het volgende stond: „’s Mensen streven is tot dusver geleid door de god van Genesis. Voor het merendeel zijn we trots geweest op onze onderwerping van de planeet. Nu komen we tot de ontdekking dat we in ons streven zijn misleid en daardoor vernietigend te werk zijn gegaan.”
„Ja, als men een machtiging zoekt voor degenen die per se de radioactiviteit willen doen toenemen, kanalen en havens willen graven met atoombommen, zonder beperking vergif willen toepassen, of hun goedkeuring willen hechten aan de bulldozer-mentaliteit, dan is er geen beter bevel denkbaar dan deze tekst (Genesis 1:28). Daar vindt men de rechtvaardiging en het bevel om de natuur te veroveren — de natuur, de vijand, de dreiging voor Jehovah”, aldus I. McHarg van de Universiteit van Pennsylvania in zijn boek Design with Nature, uitgegeven in 1971. En velen, ook geestelijken, sluiten zich bij deze beschuldiging aan; vervuiling is Gods schuld, zo zeggen zij.
De vraag waar het hierbij om draait, is natuurlijk of God inderdaad, toen hij tot het eerste mensenpaar zei de aarde te onderwerpen, „Adam en Eva een vrijbrief gaf om te doen wat zij wilden”, zoals Toynbee verklaart. Was dat Jehovah’s voornemen? Of was het zijn bedoeling dat de mens, gemaakt naar Gods beeld en gelijkenis, de verzorger van de aarde zou worden, degene die niet alleen zou toezien op het welzijn van zichzelf, maar ook op het welzijn van planten en dieren? In plaats van zonder erbij na te denken allerlei beschuldigingen te uiten om maar aandacht te trekken, zal een verstandig persoon zich eerst op de hoogte stellen van de feiten. Dat is ook hetgeen waartoe de bijbel maant, door te verklaren: „Wanneer iemand antwoord geeft op een zaak voordat hij ze hoort, is dat dwaasheid van zijn kant en schande.” — Spr. 18:13.
Goddelijke achting voor planten en dieren
Toen de mens in de Hof van Eden werd geplaatst, kreeg hij geen vrijbrief om te doen en laten wat hij wilde. Hij was beperkt met betrekking tot hetgeen hij mocht doen. De bijbel vertelt dat hij in de hof werd geplaatst „om die te bebouwen en er zorg voor te dragen”. De planten waren er niet alleen voor menselijk gebruik. Ze waren ook tot voedsel gegeven aan „al het wild gedierte der aarde en aan elk vliegend schepsel van de hemel en aan alles wat zich op de aarde beweegt, waarin leven als een ziel is”. — Gen. 2:15-17; 1:30.
De wet die God later aan de natie Israël gaf, liet zien hoe de mens de aarde moest „onderwerpen”. Hij mocht de aarde niet zodanig exploiteren dat volledige uitputting het uiteindelijke gevolg was, integendeel, elk zevende jaar moest er een „sabbat van volkomen rust voor het land” zijn. Wat dat jaar vanzelf opschoot, mocht niet geoogst worden. Dat moest men laten staan voor de arme mensen, alsook „voor uw huisdieren en voor het wild gedierte dat in uw land is”. — Lev. 25:3-7.
Thans verkeren naar verluidt meer dan 800 diersoorten op de rand van uitsterven. Was dat Gods bedoeling toen hij de mens zei heerschappij over de dieren te hebben? Andere wetten die God aan Israël gaf, laten goed uitkomen welke zorg de Schepper voor het dierenleven bezit. Een stier die het graan dorste, mocht bijvoorbeeld niet gemuilband worden, omdat hij het recht had iets van het graan te eten. Een stier en een ezel mochten niet onder hetzelfde juk aan een ploeg trekken — dat was onbillijk ten opzichte van het kleinere en zwakkere dier. Het lastdier van een buurman moest wanneer het in moeilijkheden verkeerde, geholpen worden, zelfs al was de eigenaar van het dier een vijand, en zelfs al was het op een sabbatdag. — Deut. 25:4; 22:10; Ex. 23:4, 5; Luk. 14:5.
En wanneer wij lezen dat God de lelies van het veld met een pracht en schoonheid kleedde die zelfs door de kledij van koning Salomo niet werd geëvenaard, dan klinkt dat niet als een goddelijke vrijbrief aan natuurvernielers, of wel? De ontbladerings- en „verschroeide aarde”-tactiek van de moderne oorlogvoering wordt niet met goddelijke goedkeuring toegepast. — Matth. 6:28, 29.
De feiten tonen dus duidelijk aan dat de beschuldiging van bijbelcritici als zou God voor de vervuiling van de aarde verantwoordelijk zijn, elke deugdelijke fundering mist. En de oplossing die deze zelfde critici als remedie aanprijzen, is die gezond?
Polytheïsme en vervuiling
Deze personen die God schuldig verklaren aan de vervuiling, hameren allemaal op hetzelfde thema: namelijk dat de oorzaak van de ecologische crisis, de milieuvervuiling, van religieuze oorsprong is, en dat daarom de remedie ook van religieuze aard dient te zijn. Zij zeggen dat het Judees-christelijke monotheïsme, dat wil zeggen, het geloof in één God, vervangen moet worden door polytheïsme (veelgodendom) of animisme, het geloof dat in de heuvels, stromen, bomen, vogels en dieren allerlei goden wonen, en dat al deze goden aanbeden moeten worden.
L. White jr. vertelt hoe animisten voordat zij een boom omkappen, een berg uitgraven of een beek afdammen, eerst de betrokken geesten verzoenen. McHarg vertelt over de Indiaanse jager die vroeger voordat hij een beer doodde, eerst een lange speech vol verontschuldigingen tegenover het dier afstak, uitleggend dat hij zijn huid en vlees nodig had om te leven. Maar wat de animisten ook voor religieuze ceremoniën afwerkten, uiteindelijk moesten de boom, de berg, de beek en de beer het toch ontgelden — als de laatste intussen al niet onder de speech verdwenen was. — Vergelijk Romeinen 1:20-23.
In deze tijd hebben we Boeddhisten, Hindoeïsten en Sjintoïsten die myriaden goden aanbidden, eerbied schenken aan dieren, planten, zon, donder, wind, rotsen, enzovoort. Heeft hun polytheïstische religie de aarde schoon gehouden? Wel, beschouw eens een voorbeeld. In een artikel over het Hindoeïsme stond in de Encyclopædia Britannica, uitgave van 1971, het volgende: „Alle heuvels en rivieren zijn min of meer goddelijk, en de extreme heiligheid van de Ganges . . . hoeft niet beklemtoond te worden.” Heeft die „extreme heiligheid” de Ganges behoed voor vervuiling?
Neen. Een Indiase journalist vertelde aan een bezoeker van de „heilige stad” Benares, gelegen aan de Ganges: „Alles wat u voor een bezoek aan Benares nodig hebt, is een sterke maag en een onbevooroordeelde geest.” In een recent artikel van de New York Times kon men lezen dat veel Indiase mensen „zouden wensen dat langs de oevers van de Ganges wat meer aandacht aan hygiëne werd geschonken en wat minder aan ingewikkelde religieuze ceremoniën . . . De Ganges is inderdaad een vervuilde rivier”.
Evenmin hebben het Sjintoïsme en andere animistische religies het moderne Japan voor verregaande vervuiling behoed. „De Japanse regering overweegt thans een plan dat misschien zal uitlopen op een harde strijd voor de reiniging van het milieu”, zo meldde in 1974 een nieuwsverslag van United Press International. De polytheïstische religies hebben geen vervuiling kunnen voorkomen. Ze bieden niet de remedie voor het probleem.
Oorzaak van de vervuiling en de remedie
In principe zijn er twee oorzaken van de vervuiling aan te wijzen: menselijke onachtzaamheid en menselijke hebzucht.
Veel mensen hebben niet moedwillig de aarde vervuild. De oceanen bijvoorbeeld zijn feitelijk afvalplaatsen geworden eenvoudig doordat mensen eeuwenlang het onjuiste idee hebben gehad dat ze een onuitputtelijk opneemvermogen bezaten. De oceaanexpert Jacques-Yves Cousteau zei hierover: „Elke maand lozen we nu zoveel miljoenen tonnen vergiftig afval in de levende zee dat de oceanen binnen misschien twintig jaar, of zelfs al eerder, de genadeslag hebben gekregen en zullen sterven.” ’s Mensen onwetendheid is bezig hem te achterhalen.
Natuurlijk heeft hebzucht bij de vervuiling een belangrijke rol gespeeld. De mensen zijn veel meer blijven eisen dan ze nodig hadden aan materiële produkten, en de technologie heeft koortsachtig getracht aan hun vraag te voldoen. Dit heeft fabrieken draaiende gehouden, maar daarmee ook gezorgd voor een aanhoudende vervuiling van water en lucht met afvalstoffen en dikke wolken rook. Meer auto’s dan ooit verstikken de straten en bevuilen de lucht die wij inademen. ’s Mensen huidige levenswijze heeft veel van wat vroeger als luxe werd beschouwd, veranderd in „noodzakelijkheden”. Veel kans dat de erdoor veroorzaakte vervuiling zal verdwijnen, bestaat er dus niet zolang dit samenstel voortduurt.
Genesis 1:28 citeren en dan God de schuld van de vervuiling geven, verraadt een grote onwetendheid met betrekking tot de talrijke vermaningen die Jehovah heeft gegeven om voor de plante- en dierenwereld te zorgen. Onderwerpen betekent niet onderdrukken. Heerschappij hoeft niet op vernietiging gericht te zijn. Onkruid is op tal van plaatsen waardevol, maar niet in onze tuin. Leeuwen en tijgers zijn in de wildernis prima, maar niet in onze steden. Kunnen we de groei van onkruid niet onderdrukken en de groei van sla bevorderen zonder de vogels en de bijen schade toe te brengen? Kunnen we bepaalde diergroepen niet gebruiken en binnen de perken houden zonder ze tot bijna het laatste exemplaar uit te roeien? Moeten we rivieren vergoddelijken om schoon water te hebben, of de wind aanbidden om zeker te zijn van schone lucht, of ons voor de bergen neerbuigen om een schone bodem te hebben?
De „genesis” (of „oorsprong”) van de vervuiling kan niet op rekening worden geschreven van Jehovah’s opdracht aan de mens om als verzorger van de aarde op te treden. Het zijn daarentegen de bewoners van de aarde die eerst moreel verontreinigd raken voordat zij hun leefmilieu gaan verontreinigen. Het is een morele achteruitgang, een vervuiling door hebzucht waaraan onwetende mensen ten slachtoffer vallen. Het is een kwestie van oorzaak en gevolg. De oorzaak bestaat in vervuilde mensen, het gevolg is een vervuilde omgeving. De remedie is: onderwijs en geestelijke reiniging van mensen, dan volgt de reiniging van het milieu automatisch. Verwijder de oorzaak en ook het gevolg verdwijnt.
Wat iemand zaait, dat oogst hij. Maar het is in deze tijd modern om dit te ontkennen, de schuld elders te zoeken en persoonlijke verantwoordelijkheid af te schuiven. Misdadigers zeggen dat zij niet verantwoordelijk zijn — de gemeenschap is dat. Vervuilers zeggen dat zij niet de schuld zijn — nee, God is dat. En de verdwazing zet voort.
In deze van wetenschap doordrenkte en atheïstische maatschappij is het bovendien populair geworden de schuld op God te schuiven. En als men na verloop van tijd aan deze beschuldigingen nog een wetenschappelijk tintje kan geven en ervoor kan zorgen dat de laster uit de mond van vooraanstaande personen komt, dan is dat des te beter. Enkele jaren terug verklaarden vooraanstaande geestelijken dat God dood was. Nu hebben ze hem weer opgewekt om als zondebok te dienen voor de vervuiling, door te laten doorschemeren dat hij daar naar hun mening in feite verantwoordelijk voor is. Zal dit resultaat hebben? Is dit gerechtvaardigd? Stellig niet!
De sloppen en afvalhopen, de stofvlakten, de stinkende rivieren, de stervende meren, de vergiftigde oceanen, de zieke bodem, de met rook bezwangerde atmosfeer en de groeiende lijst van bedreigde diersoorten — ze getuigen slechts van menselijke onwetendheid en hebzucht. Beschouw alle vervuiling, zie wat het is, en luister naar wat het uitroept: „Door mensen verpest land!”
Maar verlies niet de moed, gij allen die liefde hebt voor God en voor alles wat hij heeft gemaakt! De hemelen verkondigen nog steeds zijn glorie, en de aardse wonderen spreken nog altijd over zijn eeuwige macht en majesteit. Put moed uit hetgeen Jehovah over onze tijd heeft gezegd: „Het uur van [zijn] wraak heeft geslagen . . . Het is tijd hen te vernietigen die de aarde vernietigen” (Openb. 11:18, Het Nieuwe Testament in de omgangstaal). Hoe hartverwarmend te weten dat God spoedig zijn oorspronkelijke voornemen zal uitvoeren en erop zal toezien dat de aarde op juiste wijze wordt ’onderworpen’ — tot zijn heerlijkheid en tot blijvend welzijn van de gehele schepping!