Wat is de zienswijze van de bijbel?
Wat dacht u van een spelletje kaart?
ER BESTAAN honderden kaartspelen, variërend van spelen voor één persoon, tot spelen als poker, waaraan wel tien personen kunnen deelnemen. Miljoenen mensen spelen vaak uren achtereen kaart — kaartend op hun geluk of kaartend met hun verstand. Zij zijn er het eerst bij wanneer er wordt gevraagd: „Wie doet er mee met een spelletje kaart?”
Anderen vragen zich echter af: Is het wel gepast om kaart te spelen? Zijn bij deze kwestie bijbelse beginselen betrokken?
Iemands zorg zou voornamelijk kunnen uitgaan naar de oorsprong van het kaartspel. Waarschijnlijk ligt deze in het Hindoestan van 1100 jaar terug. De huidige kaarten waarmee men speelt, zijn dunne, rechthoekige stukjes karton die van cijfers en figuren zijn voorzien. Het gewone pak speelkaarten bestaat uit tweeënvijftig van zulke kartonnetjes, verdeeld in vier groepen of ’kleuren’ van dertien elk. In elke kleur bevinden zich drie kaarten met daarop de afbeelding van een koning, een koningin en een boer (heer, vrouw, boer), afbeeldingen die waarschijnlijk dateren uit de Middeleeuwen.
Is het verwerpelijk om te kaarten enkel omdat op bepaalde kaarten een koning of koningin voorkomt? Nee, koningen en koninginnen worden in de bijbel genoemd, en godvrezende mensen tonen respect voor personen die zo’n positie bekleden. Natuurlijk zou het niet in overeenstemming met de Schrift zijn om bepaalde afbeeldingen tot een voorwerp van aanbidding te maken. De apostel Johannes schreef aan medechristenen: „Kindertjes, wacht u voor de afgoden” (1 Joh. 5:21). Het is overigens niet de gewoonte dat mensen eerbied schenken aan de afbeeldingen die op gewone speelkaarten voorkomen. Daarbij zij natuurlijk opgemerkt dat iemand met een schriftuurlijk geoefend geweten geen kaarten zal gebruiken waarop immorele afbeeldingen voorkomen (Matth. 5:27, 28). Gewoonlijk ziet men die trouwens ook niet in de handen van gewone spelers.
Anderen redeneren misschien dat alle kaartspelen verkeerd zijn omdat ze tot wedijver aanleiding kunnen geven. De apostel Paulus schreef: „Indien wij door geest leven, laten wij dan ook door geest ordelijk blijven wandelen. Laten wij niet egotistisch worden, onderlinge wedijver aanwakkerend, elkaar benijdend” (Gal. 5:25, 26). Personen die zich laten leiden door de invloed van Gods heilige geest of werkzame kracht, werken eraan mee om een geest van wedijver te vermijden, een geest die wordt opgewekt door egotisme en iemand ertoe brengt anderen uit te dagen ten einde te bewijzen dat hij beter is dan zij. Maar niet alle personen die kaartspelen, hebben een dergelijke wedijverende houding.
Als u natuurlijk bemerkt dat er zich onder het spelen van enig spel in uw hart een geest van wedijver aan het ontwikkelen is, dient u te trachten dat gevoel te bestrijden. Misschien zult u zelfs tot de conclusie komen dat het vanwege uw emotionele aard beter is om maar helemaal geen balspelen, kaartspelen of andere spelen meer te beoefenen. Maar dat betekent natuurlijk niet dat ook alle andere mensen last hebben van een sterke geest van wedijver wanneer zij deze spelen beoefenen. Zij spelen wellicht voor hun genoegen en met een rein geweten jegens God en de mensen.
Sommige kaartspelers stellen hun vertrouwen in geluk, een beroep doend op „Vrouwe Fortuna”. Is dat juist? Niet volgens de Schrift. God waarschuwde zijn volk uit de oudheid: „Maar gij zijt het die Jehovah verlaat, die mijn heilige berg vergeet, die een tafel in orde brengt voor de god van het Geluk en die gemengde wijn schenkt voor de god van het Lot. En ik wil ulieden voor het zwaard bestemmen” (Jes. 65:11, 12). Toentertijd was er sprake van valse aanbidding, maar nog steeds kan iemand die goddelijke goedkeuring verlangt, de onjuistheid van dit vertrouwen in geluk niet negeren. Maar niet alle kaartspelers stellen hun vertrouwen in geluk.
Andere mensen maken zich misschien zorgen over de hoeveelheid tijd die kaarten kost. En inderdaad, als kaartspelen meer wordt dan een af en toe bedreven ontspanning, is het mogelijk dat het in zo’n tijdrovende bezigheid ontaardt dat belangrijker aangelegenheden erdoor op de achtergrond worden gedrongen. Maar dit kan ook gebeuren als men te veel tijd aan voetballen of concertbezoek besteedt. Personen die hun leven aan God hebben opgedragen, hoeden zich er dan ook wijselijk voor om bijbelstudie en geestelijke aangelegenheden ter wille van deze activiteiten te verzaken. Zij kopen daarentegen ’de gelegen tijd uit’ omdat de dagen goddeloos zijn’ (Ef. 5:15, 16). Het is evenwel duidelijk dat gezinsleden die zo nu en dan een spelletje kaart spelen en hun leven hierdoor niet laten domineren, niet noodzakelijkerwijs bezig zijn met iets wat geestelijk onjuist is.
Daarmee is overigens niet gezegd dat alle kaartspelen in overeenstemming zijn met schriftuurlijke beginselen. In verband met bepaalde kaartspelen kan men zeggen dat de spelers zich in feite bezighouden met gokken. Zij zetten geld in, in de hoop grotere bedragen terug te winnen. En langzamerhand raakt wellicht hun zelfbeheersing ondermijnd — zij gaan door, of ze nu winnen of verliezen. Er ontstaat een verlangen om vaak te spelen, niet voor ontspanning maar om geld te winnen. Gebrek aan medegevoel jegens anderen komt nu gemakkelijk in het hart tot ontwikkeling. De winnaar bekreunt zich er niet meer om dat medespelers misschien hard hebben moeten werken voor het geld dat hij blijmoedig, zonder te werken, van hen opstrijkt. Rechtstreekse hebzucht krijgt de overhand, en misschien zelfs in die mate dat hij zijn toevlucht tot oneerlijkheid neemt om maar te winnen.
Wordt zulk een houding in de bijbel goedgekeurd? Neen, integendeel. Een gokkende kaartspeler mag dan al zijn zelfbeheersing verliezen, een dienstknecht van God dient die eigenschap juist aan te kweken. Het is een vrucht van Jehovah’s heilige geest, zo ook liefde, een eigenschap die niet zelfzuchtig „haar eigen belang” zoekt (Gal. 5:22, 23; 1 Kor. 13:4, 5). Evenmin is gokken met speelkaarten de schriftuurlijke weg om dingen van waarde te verwerven. De bijbel beveelt aan om eerlijk werk met onze handen te verrichten en de apostel Paulus vermaande de wanordelijken om te werken en aldus ’voedsel te eten dat zij zelf verdienen’. — 2 Thess. 3:8-12; Ef. 4:28.
Maar wat te doen wanneer zich door het spelen met kaarten hebzucht in ons hart heeft ontwikkeld? Of gesteld dat wij als speler oneerlijk worden. Geen van beide eigenschappen past een persoon die Jehovah God vereert. „Hebzuchtige personen” behoren tot de onrechtvaardigen die ’Gods koninkrijk niet zullen beërven’ (1 Kor. 6:9, 10). Bovendien trachten godvruchtige personen zichzelf „in alle dingen eerlijk . . . te gedragen”. — Hebr. 13:18.
Veronderstel nu dat u met betrekking tot bepaalde kaartspelen geen bezwaren hebt, maar wel weet dat het geweten van iemand anders geweld zou worden aangedaan wanneer hij u zag kaarten. Het zou passend zijn in zo’n geval van spelen af te zien. De apostel Paulus, die respect toonde voor het geweten van anderen, bad dat medegelovigen met onderscheidingsvermogen zouden handelen, ten einde zich ’van de belangrijkere dingen te vergewissen en anderen niet tot struikelen te brengen’. — Fil. 1:9, 10; vergelijk 1 Korinthiërs 8:13.
Dit zijn derhalve belangrijke factoren om te overwegen wanneer iemand de vraag stelt: „Wat dacht u van een spelletje kaart?” Jongeren dienen de aangelegenheid natuurlijk eerst met hun ouders te bespreken, van wie ze al dan niet toestemming zullen krijgen. Als volwassene is het echter goed te beseffen dat wel of niet meedoen een beslissing is van zuiver persoonlijke aard.