Zijn de dagen van onze scholen geteld?
Een Newyorkse lerares met vele jaren onderwijservaring spreekt over schoolproblemen die iedereen aangaan.
DE MOEILIJKHEDEN met onze scholen zijn naar ik geloof ernstiger dan u zich waarschijnlijk realiseert. Al diverse malen heb ik meegemaakt dat schoolfunctionarissen problemen bagatelliseerden of moedwillig verzwegen. Waarom? Omdat zij de indruk wilden wekken een goede taak te vervullen — dat ze alles in de hand hadden. Maar eerlijker onderwijsmensen hebben geen blad voor de mond genomen.
N. V. Sullivan bijvoorbeeld, de commissaris van onderwijs van de Amerikaanse staat Massachusetts, merkte op: „Onze openbare scholen functioneren niet. . . . Het systeem zelf rafelt letterlijk bij de zomen uiteen.” En de voormalige schoolinspecteur van Philadelphia, M. Shedd, waarschuwde: „Het stedelijk onderwijs balanceert overal op de rand van de ondergang.”
Dit mogen extreme conclusies lijken, toch kan ik er volledig mee instemmen. De afgelopen vijftien jaar heb ik aan ongeveer een tiental Newyorkse middelbare scholen les gegeven, als invallende en als vast verbonden leerkracht. En werkelijk, de situatie tart bijna elke beschrijving. Men moet het meegemaakt hebben, om er zich een denkbeeld van te kunnen vormen.
Onderwijsobstakels
Er heeft zich een uitgebreide afbrokkeling van de klassediscipline voltrokken. En daarbij denk ik niet alleen aan het „achter-de-rug-van-de-leraar-om” gooien met propjes, krijtjes en allerlei andere projectielen. Er heerst openlijke opstand tegen autoriteit. Kinderen doen gewoonlijk wat zij willen, en leraren zijn vaak niet bij machte de orde te handhaven. In sommige klaslokalen is het geschreeuw en lawaai niet om aan te horen.
In één klas waarvan ik weet ontwierp de leraar in wanhoop iets geks om maar de aandacht te trekken. Het was op een middelbare school voor meisjes, waar de leerlingen weinig anders deden dan hun nagels manicuren, elkaars haar kammen en foto’s van vriendjes ruilen. De leraar schreef toen de langste woorden op het bord die hij maar bedenken kon en beloofde elk meisje een voldoende te geven die de woorden correct kon spellen. Dit werd de dagelijkse bezigheid in de klas.
Omdat de meeste leerlingen weinig of geen belangstelling voor de leerstof hebben, is spijbelen een normale zaak geworden. Vaak is op de scholen waarvan ik weet een derde of meer van een klas ongeoorloofd afwezig. Maar vanwege de subsidie die de school evenredig naar het aantal leerlingen krijgt uitgekeerd, blijven ze ingeschreven staan.
Ook bestaat bij ons de gewoonte om leerlingen ongeacht hun studieprestaties over te laten gaan, hetgeen tot gevolg heeft dat tal van middelbare scholieren nog maar nauwelijks goed kunnen lezen en schrijven. Letterlijk duizenden leerlingen worden verhoogd en halen zelfs hun einddiploma als feitelijk volslagen analfabeten. Zulke leerlingen les geven en gelijk de anderen helpen, is vrijwel onmogelijk.
De omgeving waarin les wordt gegeven, is nog een obstakel dat het geven van goed onderwijs in de weg staat. Schoolgebouwen bevinden zich vaak in een afschuwelijk verwaarloosde en bouwvallige staat, die verre van uitnodigend is om te onderwijzen of te studeren.
Toch zijn dit nog maar enkele van de omstandigheden die ertoe hebben bijgedragen dat het onderwijs op veel stedelijke scholen de ondergang nabij is.
Geweld en misdaad
Benden jongeren zwerven door de gangen zodat leerkrachten gedwongen zijn achter gesloten deuren les te geven. Leerlingen zwaaien met vuurwapens en messen. Vernieling van schooleigendommen, roofovervallen door messetrekkers, roken en het „spuiten” van drugs in toiletruimten en onder de trappen — dit alles is, zeker op de scholen in de grote steden, een vast bestanddeel van het schoolleven geworden.
Hoe ongelooflijk het ook mag klinken, heel wat jongeren worden rechtstreeks uit gevangenissen of psychiatrische inrichtingen in gewone klassen geplaatst, mijn eigen klas inbegrepen. Jaarlijks worden meer dan 20.000 Newyorkse stadskinderen van vijftien jaar en jonger gearresteerd. Hoger bevoegde leerkrachten, zoals ook ikzelf, geven echter les aan al oudere leerlingen, die vaak nog meer bedreven in misdaad zijn.
In 1973 werden op de scholen in de stad meer dan 10.000 vergrijpen, waaronder vernieling en ontvreemding van schooleigendommen, gerapporteerd. Zo’n 900 leraren en leraressen werden mishandeld, van wie de helft in hun eigen klaslokaal! Nog maar enkele maanden terug werd een jongen die een meisje had verkracht, van zijn oorspronkelijke school naar de onze overgeplaatst, zonder dat de docenten over hem waren ingelicht. Geen wonder dat voor Newyorkse leraren lesboeken in zelfverdediging zijn opgesteld!
In een poging de situatie het hoofd te bieden, lopen er momenteel 950 veiligheidsagenten, gemiddeld ongeveer 10 per school, op de middelbare scholen van de stad rond. Dit nog afgezien van de hulpleerkrachten en de vele gewone politiebeambten die op de scholen aanwezig zijn. Toch neemt het aantal verkrachtingen, geweldplegingen en andere misdrijven nog steeds hand over hand toe. Derhalve schijnt men nog $8,4 miljoen extra te willen gaan uittrekken om een kleine duizend veiligheidsagenten meer op de terreinen van lagere en middelbare scholen te kunnen laten patrouilleren.
Brandstichting is nog een ander tragisch probleem. Op een aantal scholen is het stichten van brand, gewoonlijk in de gangen, een normale zaak geworden. Op één middelbare school waar ik les heb gegeven, scheen het verbranden van leerboeken op de trap zelfs een bijna dagelijks weerkerend gebeuren te zijn.
Het morele klimaat
Sommige mensen mogen dan de kledij (of niet-kledij) waarin de leerlingen getooid gaan, alsmede hun moraal als „normaal” beschouwen, volgens mij is het een factor geweest die ertoe heeft bijgedragen dat veel scholen bijna zijn opgehouden als school te bestaan. Het afgelopen jaar hadden we aan de school waar ik nu les geef, een leerling die totaal naakt rond het gebouw sprintte. Ook omhelzingen en intieme vrijerijen zijn thans in de gangen iets heel gewoons. En wat sommigen ook zeggen, het staat vast dat onze scholen geschaad worden door het ongebreideld uitleven van deze seksuele hartstochten.
Voor mij is dit overduidelijk wanneer ik de ongehuwde zwangere leerlingen gadesla die geen enkele belangstelling meer voor het geboden onderwijs hebben. Ook als ik de angstige en verwarde blik op het gezicht van de meisjes zie die zich afvragen of ze nu wel of geen abortus zullen laten verrichten, en het gekwelde gelaat van de meisjes die deze ingreep reeds hebben ondergaan. En behalve dat denk ik ook aan de minder zichtbare maar veel uitgebreidere plaag van venerische ziekten, waardoor volgens één gezondheidsfunctionaris nu in slechts vijf korte jaren 50 percent van de Amerikaanse tieners met gonorroea besmet dreigt te raken.
Als ik me vijftien jaar geleden had kunnen voorstellen wat het zou betekenen om in een stad als New York aan tieners les te geven, zou ik waarschijnlijk nooit aan zo’n loopbaan zijn begonnen. Maar op dat moment scheen lesgeven een heel logische beroepskeus te zijn voor een moeder die een kind moest onderhouden. Gewapend met de benodigde bevoegdheden, verkreeg ik een lesvergunning en aanvaardde een onderwijsbetrekking in Brooklyn.
Hoe men zich voor de klas voelt
Het was met vertrouwen en optimisme dat ik in de herfst van 1959 in de hogere klassen van een middelbare school Engelse les ging geven. Een optimisme echter dat tot mijn verrassing niet werd gedeeld door mijn wat ervarener collega’s, die het vaak hadden over „de goede oude tijd”. Weldra werd het mij duidelijk waarom.
Geintjes als propjes gooien en punaises op de stoel van de leerkracht leggen, had ik verwacht, evenals een gebrek aan respect voor autoriteit. Maar ik was werkelijk verbijsterd toen twee jongens voor het oog van de hele klas mijn zakagenda van mijn bureau stalen, in de gang de inhoud ervan aan snippers scheurden en de resten achter de verwarming wierpen, terwijl ik later als de schuldige werd gebrandmerkt omdat ik het incident had aangegeven. Sommige schoolhoofden trachten zulke wantoestanden namelijk angstvallig te verbergen, zoals ook A. Shanker, voorzitter van de Algemene Amerikaanse Federatie van leraren, heeft toegegeven.
Het was omstreeks diezelfde periode dat in mijn klas een leerling door een ander, bij de keel werd gegrepen. Niet in staat de twee uit elkaar te halen, riep ik tevergeefs om hulp. Daarna smeekte ik of iemand hulp wilde halen, maar niemand verroerde zich. Op dat moment drong het tot mij door dat ik tegenover personen stond die waren opgegroeid in een cultuur waarvan de waarden en normen vreemd waren aan alles wat ik ooit had gekend. En ik begon te begrijpen waarom mijn collega’s zo gedemoraliseerd waren.
Dat waren mijn eerste weken van kennismaking met het onderwijsvak, maar omdat ik een baan nodig had, bleef ik, hopend op verbetering. Maar de slechter wordende schoolomstandigheden hebben de leerkrachten slechts verder ontmoedigd, en ook dit is duidelijk van grote invloed geweest op de bijna volledige afbrokkeling van het onderwijs op tal van scholen in de stad.
De positie der leerkrachten
Ik weet dat onderwijzers en leraren vaak aan zware kritiek blootstaan, vooral de laatste tijd. Typerend voor de kijk die men op hen heeft, was het volgende commentaar van narcotica-agente Kathleen Conlon, die het druggebruik op Newyorkse scholen heeft onderzocht: „Ze zijn slechts op school vanwege het geld.”
Hoewel dit zeker niet met betrekking tot alle leraren opgaat, is het met velen inderdaad wel het geval. Maar begrijpt u waarom? Men moet toch toegeven dat dit niet altijd zo is geweest. Waarom nu dan wel?
Eén oorzaak is onder meer dat een ongelooflijk aantal goede leraren het onderwijsvak vaarwel hebben gezegd. Zij konden er niet langer tegenop. „Ik loop van het probleem weg in plaats van mezelf eraan op te offeren”, is de typerende reactie van hen. Van velen zijn de zenuwen al tot het uiterste beproefd; ik weet van een leraar die letterlijk van school naar een psychiatrische inrichting gebracht moest worden.
De overblijvende leerkrachten, die dagelijks voor zulke uitdagende situaties staan, zijn van mening dat zij beter gehonoreerd moeten worden. Onderzoekster Conlon zelf geeft al te kennen voor welke problemen wij staan, door op te merken dat op bijvoorbeeld één stadsschool de helft van de leerlingen aan de heroïne was (New York Times, 22 juni 1972). Beseft u wat zulke omstandigheden betekenen?
Om slechts één persoonlijke ervaring te vermelden: Toen ik op een dag achter gesloten deuren les gaf, was er een bende jongeren die van achter het glas van de deur dreigend een mes op mij richtte. Een meisje dat bekendstond om haar slechte gedrag en maar zelden de lessen bezocht, stond toen heel langzaam en in een dramatische pose van haar zitplaats op en opende de achterdeur van de klas. Op het moment dat zij dit deed, rende ik onmiddellijk door de voordeur de klas uit, naar de deur van het directeurskantoor, twee lokalen verderop, en slaagde er gelukkig nog net in deze voor de aanstormende bende in het slot te werpen.
De meesten van mijn collega’s geven lachend toe van de ene vrije dag naar de andere vrije dag toe te leven. Zonder de zomervakantie, zo geloven velen, zouden ze het niet kunnen volhouden. En zo zijn er heel wat leraren die totaal gedesillusioneerd alleen maar blijven omdat ze ervoor betaald worden. In menige stadsschool vinden zij het moeilijk om de kern van nog wel leergierige kinderen die de gevaren trotseren om onderwijs te ontvangen, goed les te kunnen geven. Van de taak van onderwijzer is zo niet veel meer dan een kinder-oppasfunctie overgebleven — een voortdurende poging om totdat de bel gaat een betrekkelijke rust in de klas te handhaven.
„Hoe tragisch voor de kinderen”, zegt u wellicht. En dat is het inderdaad! Dagelijks gaat mijn hart uit naar die zee van mooie, jonge gezichten die ik zie — sommige droevig, andere gekweld, andere vol hoop en verwachting. Vaak vraag ik me dan met diepe angst in mijn hart af: „Wat hebben deze scholen onze kinderen te bieden?” En ik weet dat anderen er net zo over denken.
Ik las onlangs het verhaal over onderwijzers in San Francisco die, vanwege de achteruitgang van het schoolsysteem, een moeder kortweg hadden geadviseerd haar dochter van school te nemen. „Het is wel de wanhoop ten top”, aldus de moeder. „De onderwijzers hebben het al opgegeven.” En helaas is dit vaak zo. Maar wanneer u de omstandigheden op tal van stadsscholen in aanmerking neemt, kunt u de leerkrachten dan nog de schuld geven?
„Maar wie of wat is dan wel verantwoordelijk”, zo vraagt u wellicht, „voor de ondergangssituatie waarin veel hedendaagse scholen verkeren?”
Een blik op de gemeenschap
Rassenproblemen schijnen in de Verenigde Staten mede een grote oorzaak van het probleem te zijn. Thans verschijnen er geregeld berichten in de pers dat zelfs in kleinere steden scholen vanwege rassenmoeilijkheden hun deuren moeten sluiten. Maar zijn de kinderen daarvoor verantwoordelijk? Integendeel, het zijn de volwassenen die de aanstokers zijn van rassenvooroordeel en alle conflicten die dit met zich brengt. En deze conflicten missen ook hun uitwerking op de scholen niet, die in veel gevallen volkomen ontregeld raken!
Ik weet dat veel ouders zullen zeggen niet bevooroordeeld te zijn, maar dat zij eenvoudig bang zijn hun kinderen naar bepaalde scholen te zenden met het oog op de gevaren die dit oplevert. Het is om die reden dat zowel zwarte als blanke ouders er in veel gevallen tegen zijn hun kinderen met bussen naar andere scholen in de omgeving te laten brengen om zodoende de rassenintegratie te bevorderen. En ik kan me hun bezorgdheid indenken. Vaak is het gewoon niet veilig blanke kinderen naar zwarte woonwijken te sturen, of zwarte kinderen naar blanke scholen. Maar wat is de oorzaak van het probleem? Zijn het de scholen?
Neen. Het probleem vindt zijn oorsprong in de gemeenschap, en de scholen weerspiegelen slechts de reeds bestaande moeilijkheden. Ook de meeste andere schoolproblemen kunnen rechtstreeks tot de gemeenschap of het gezin teruggevoerd worden, met inbegrip van het gebrek aan respect voor gezag, slechte leerprestaties, vandalisme, drugverslaving, misdaad, geweld en seksuele immoraliteit. Iemand mag derhalve niet verwachten dat deze problemen plotseling als sneeuw voor de zon verdwijnen wanneer kinderen een schoolgebouw binnenkomen. De krachten die jongeren aanzetten tot druggebruik, het stukgooien van ramen, brandstichting, het mishandelen van leraren, en wat niet al, vindt zijn oorsprong niet op de scholen!
Scholen dragen mede verantwoordelijkheid
Begrijp me goed. Ik probeer de scholen of leerkrachten niet vrij te pleiten. Zij hebben rechtstreeks tot de problemen bijgedragen. Maar dit was te verwachten; leraren, directeuren en andere schoolfunctionarissen zijn immers zelf het produkt van een maatschappij die gedompeld lijkt in vooroordelen, zinloosheid en zelfzucht.
Zo zullen er schoolfunctionarissen zijn, zoals ik reeds opmerkte, die op oneerlijke wijze problemen zullen bagatelliseren of zelfs trachten te verbergen, omdat zij zich meer om hun „image” of het behoud van hun baantje bekommeren dan om het welzijn van hun leerlingen. En veel leraren geven blijk van zo’n zelfde houding. Maar ook het schoolsysteem zelf is allesbehalve vreemd aan de moeilijkheden.
Vaak zijn de eisen die het aan de leerkrachten stelt, veel te zwaar; sommigen moeten tweemaal zoveel leerlingen lesgeven als doenlijk is. De leerkrachten reageren daarop met een compromis, door de kantjes eraf te lopen, en de kinderen zijn er de dupe van.
Ook is er gebrek aan voldoende school faciliteiten. Volgens de resultaten van één onderzoek zijn 200.000 Newyorkse stadskinderen de dupe van de overbevolkte situatie op de scholen; 40.000 moeten het met noodvoorzieningen en noodlokalen stellen. Dat doet mij zoveel leed! Er is geld om naar de maan te gaan of vernietigingswapens te vervaardigen, maar niet om de jeugd een goede opleiding te geven!
Bovendien zijn de lesprogramma’s vaak slecht gepland of overdacht. Eén programma dat algemeen de aandacht heeft getrokken, is dat van de „nieuwe wiskunde”. Eerst wisten de leraren zelf niet hoe ze dat nu op juiste manier moesten onderwijzen, laat staan dat de meeste ouders hun kind daarmee zouden kunnen helpen. Hetzelfde geldt hier in Amerika voor het leesonderwijs. Soms komt het voor dat op één enkele lagere school de onderwijzers verschillende experimentele lesmethoden toepassen, zodat de leerlingen naarmate ze in hogere klassen komen, steeds minder weten waar ze aan toe zijn. Velen leren nauwelijks lezen. Het is dan ook begrijpelijk waarom D. F. Walker, assistent-hoogleraar in de pedagogie aan de Stanford-universiteit, klaagde: „Zoals de zaken er nu voorstaan, wappert de vlag van de onderwijsmethodiek met alle winden mee. En de wind komt voortdurend uit een andere richting. Alleen door hun traagheid blijven de scholen voor een complete chaos behoed.”
Toch is er, naar ik geloof, een zelfs nog principiëlere oorzaak van de angstwekkende toestand waarin het stedelijk onderwijs verkeert.
Het resultaat van een slecht voorbeeld
Ik ben ervan overtuigd dat vooral het wangedrag van de volwassenen de oorzaak is van het wangedrag der leerlingen. Wanneer leraressen zonder beha en in doorkijkbloes op school verschijnen, zoals ik persoonlijk heb gezien, dan zal dat leerlingen stellig niet aanmoedigen bescheiden gekleed te gaan. Toen de minirok in de mode was, hadden sommige leraressen de kortste aan. Stellig dragen zulke voorbeelden tot de morele problemen op onze scholen bij!
Ook het filmpje „Lovemaking”, dat verschillende (homoseksuele) technieken voor het bedrijven van orale seks vertoont, is door volwassenen aanbevolen en op scholen vertoond. Toen er klachten rezen werd er een onderzoek ingesteld, hetgeen spoedig werd gestaakt, want zoals de officier van justitie M. Merola terecht opmerkte: „Men kan op school wettig films vertonen, waarvoor men in hechtenis genomen zou worden als men ze aan jongeren in een openbaar theater zou laten zien.” Wanneer volwassenen ontstellend immoreel zijn, en zelfs zonder schaamte dergelijke immoraliteit propageren, moeten we dan verbaasd staan als kinderen hetzelfde zijn?
Dit immorele voorbeeld van de volwassenen beperkt zich overigens niet tot enkel seksuele aangelegenheden. Vorig jaar stond op 31 oktober in de New York Times de volgende vette kop: „SCHOOLBESTUUR BESCHULDIGD VAN VERZWIJGING.” In het artikel was sprake van „het doortrapt stelen van geld” en van „wijdvertakte corruptie”. Is het dan nog een wonder dat kinderen steeds openlijker de scholen gaan terroriseren?
Maar het zijn niet slechts bepaalde schoolfunctionarissen die een slecht voorbeeld hebben gesteld; hetzelfde kan gezegd worden van veel topmensen in de regering. Rubriekschrijfster Harriet Van Horne bracht het volgens mij heel goed onder woorden in haar New York Post-rubriek. „Ik heb geen idee”, zo schreef zij, „hoe leraren is deze cynische eeuw moeten beginnen aan onderwijs in moreel gedrag. . . . ’En Washington dan!’ zullen de kleinste stemmetjes kraaien. Zij weten . . . dat het smerigste bedrog in de geschiedenis onder het dak van dat grote witte huis heeft plaatsgevonden.” — 17 juni 1974.
De situatie is trouwens zo dat het inprenten van juiste morele waarden als een vorm van indoctrinatie wordt beschouwd waartoe leerkrachten op school niet meer het recht hebben. Te pogen kinderen een goede moraal bij te brengen, is een taak die niet meer zoals voorheen tot de plichten van een leraar behoort.
Is het u nu duidelijk waarom op veel stadsscholen de situatie zo slecht is, en waarom het stedelijk onderwijs op de rand van de ondergang balanceert?
Wat er gedaan kan worden
Onderwijsdeskundigen trachten met wanhoop programma’s te lanceren om de situatie recht te trekken, maar er bestaat weinig overeenstemming met betrekking tot wat er gedaan moet worden. De meeste leerkrachten trachten zich te midden van een afbrokkelend systeem staande te houden.
Veel ouders, zo weet ik, zijn van mening dat leraren hun kinderen moeten kunnen onderwijzen, eenvoudig omdat ze ervoor betaald worden. Toch hangt, hoe verrassend het ook mag klinken, de kwaliteit van wat een kind leert, meer van zijn ouders af dan van de leraren op school. De ervaring heeft dit aangetoond.
Ik heb waargenomen dat wanneer ouders hun kinderen een verlangen tot leren inprenten en hen de kunst leren verstaan stil te zitten en aandacht te schenken, deze kinderen veel beter leren dan het ongedisciplineerde en niet-gemotiveerde kind. „Het gezin maakt het verschil”, zo vatte een hoogleraar aan de Harvard-universiteit de omvangrijke resultaten van een onderwijsonderzoek samen. En nooit is dit meer waar gebleken dan thans, nu van veel stadsscholen de dagen geteld lijken.
Als ouders hun kinderen dus graag goede leerlingen zien worden, dan zullen zij werkelijk belang in hun onderwijs dienen te stellen. En dat omvat meer dan er alleen op toezien dat ze veilig naar en van school komen. Het betekent ook een oprechte belangstelling te hebben voor hun vorderingen in de klas. Het is mij opgevallen dat de ouders die niet komen wanneer de leraar hen daarom vraagt, bijna onveranderlijk de ouders zijn van de slechtst gedisciplineerde en slechtst lerende kinderen in de klas.
Ouders, u kunt uw kinderen op een aantal manieren helpen. Ten eerste al door hen voor te lezen wanneer zij nog kleuters zijn. Vervolgens door hen, wanneer ze groter worden, samen met u de woorden te laten uitspreken. Een goede leesbekwaamheid is belangrijk om goed te kunnen leren, en tal van vier- en vijfjarigen hebben op deze manier leren lezen.
En schep ook voor uw opgroeiende kinderen thuis een klimaat waar respect heerst voor kennis en dat hoge waarde toekent aan leren. Wanneer kinderen geholpen worden om van publikaties als encyclopedieën, woordenboeken en vooral de bijbel en bijbelstudiehulpmiddelen een goed gebruik te maken, dan worden het in de regel goede leerlingen.
Het is een uitdaging, ik weet het. Onderwijs geven is niet makkelijk. Maar als u werkelijk van uw kinderen houdt, dan zult u alles doen wat u kunt om hen te helpen leren. Met het oog op de situatie op de hedendaagse scholen, is dit belangrijker dan ooit. — Ingezonden.