Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g75 22/8 blz. 9-13
  • De „opiumoorlog” — Een les voor onze tijd

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De „opiumoorlog” — Een les voor onze tijd
  • Ontwaakt! 1975
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Wat is de oorzaak?
  • Een voorbeeld
  • De oorlog verklaard
  • Meer verliezen
  • Een bittere ervaring
  • China zwaait zijn deuren open
    Ontwaakt! 1974
  • In aanraking met het „Rijk van het Midden”
    Ontwaakt! 1982
  • Verschuiving in het machtsevenwicht — Wat dit voor de wereld betekent
    Ontwaakt! 1975
  • De zendelingen van de christenheid gaan terug naar waar het allemaal begon
    Ontwaakt! 1994
Meer weergeven
Ontwaakt! 1975
g75 22/8 blz. 9-13

De „opiumoorlog” — Een les voor onze tijd

EEN eerlijke blik in het verleden werpen, zal ons vaak helpen een beter begrip van de tegenwoordige tijd te krijgen. Zeker is dit het geval met tal van hedendaagse wereldgebeurtenissen.

Er zijn in onze tijd ontwikkelingen aan te wijzen die het rechtstreekse gevolg zijn van wat er in het verleden is geschied. Tot de vele gebeurtenissen die in dit verband kunnen worden genoemd, behoort stellig de „opiumoorlog”, die nu meer dan een eeuw geleden in China werd uitgevochten.

Hoe houden historische gebeurtenissen als deze verband met onze tijd? Laten wij, om dit te begrijpen, eerst beschouwen welke loop de huidige wereldgebeurtenissen hebben genomen.

Het wereldgebeuren wekt grote bezorgdheid bij de toonaangevende naties van wat wel de „christenheid” wordt genoemd. Natuurlijk staat het Westen nu al tientallen jaren bloot aan een toenemende dreiging van de communistische landen, onder leiding van de Sovjet-Unie. Maar er heeft zich ook een andere ontwikkeling voltrokken.

In diverse delen van Azië, Afrika en nu ook Latijns-Amerika nemen tal van leiders en bevolkingsgroepen een houding aan van toenemend verzet tegen de economische, politieke en religieuze praktijken van de Westerse landen. En onveranderlijk hebben de activiteiten van deze minder ontwikkelde landen de steun van communistisch China.

Veel landen bijvoorbeeld met waardevolle hulpbronnen vragen nu veel hogere prijzen voor hun natuurlijke grondstoffen — gewoonlijk met Chinese steun. Dit werkt ten nadele van de Westerse industrielanden.

Ook de Westerse „cultuur” wordt grotendeels afgewezen. Met name geldt dit voor de religies, de kerken, van de christenheid. De zendelingen van deze kerken worden in ontwikkelingsland na ontwikkelingsland uitgewezen of op zijn minst sterk in hun activiteiten beknot. In China is dit bijna totaal gebeurd.

Deze ondermijning van de Westerse belangen kan men ook binnen de Verenigde Naties waarnemen. Meer en meer leden van deze organisatie spreken en stemmen tegen de voorheen uitgeoefende overheersing van de Westerse landen. Ook hier is het weer communistisch China dat dit toenemende aantal oppositie-voerende landen steunt.

Deze ontwikkeling heeft in de Verenigde Staten en diverse Europese landen diepe bezorgdheid gewekt.

Wat is de oorzaak?

Wat is de oorzaak van deze keer in de gebeurtenissen, zelfs binnen de gelederen van de Verenigde Naties? Waarom hebben de belangrijkste „christelijke” landen zoveel invloed verloren?

In principe is de oorzaak terug te voeren tot het bijbelse beginsel: ’Men oogst wat men zaait’ (Gal. 6:7; Job 4:8). Het is het gevolg van vervreemding, niet slechts van volk en leiders onderling, maar, meer nog, van de Almachtige God zelf.

Deze ontwikkeling in de wereldaangelegenheden is evenmin iets wat zich plotseling heeft voorgedaan. Er is een lange geschiedenis aan voorafgegaan. Reeds honderden jaren vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hadden de landen van de christenheid het grootste deel van Azië, Afrika en Latijns-Amerika onder elkaar verdeeld. Hoewel die gebieden al bewoond werden door grote inheemse bevolkingsgroepen met een eigen cultuur, werden deze met geweld onderworpen aan de heerschappij en de cultuur van hun veroveraars.

Natuurlijk hebben de Europese landen in bovengenoemde gebieden wel goede dingen tot stand gebracht, maar er is door hen ook veel kwaad gesticht; vaak buitten ze de bevolking uit en profiteerden zwaar van de aanwezige hulpbronnen. Langzamerhand gingen de inheemse bewoners de Europeanen als ongewenste vreemdelingen bezien.

Vooral sinds de Tweede Wereldoorlog hebben veel van deze landen onafhankelijkheid verworven. En zij herinneren zich de vernederingen uit het verleden. De meeste hebben besloten hun lot in eigen hand te nemen en niet langer kolonies van de Europese machten te blijven.

Wat zien we dus? Dat de 138 landen die thans als het grootste aantal landen in de Verenigde Naties verenigd zijn, voor het merendeel fanatiek onafhankelijkheid nastreven en zeggenschap eisen over hun eigen hulpbronnen, cultuur en politiek.

Een voorbeeld

China is er een voorbeeld van hoe buitenlandse overheersing tot bittere haat tegen de christenheid heeft geleid. Duizenden jaren lang had China zijn eigen cultuur. Het ontwikkelde ook zijn eigen economische en politieke systeem en bereikte soms een beschavingspeil dat op dat zelfde moment in de geschiedenis door geen enkel ander land werd geëvenaard.

De heerschappij van de keizerlijke dynastieën van China heeft eeuwenlang geduurd. Soms voerden ze een vrekkerig en corrupt bewind, hetgeen dan groot lijden met zich bracht — maar hoe het ook zij, de Chinezen konden zich goeddeels zelf bedruipen. Tot voor twee eeuwen terug had China nog maar weinig contact met de buitenwereld gehad, en vrijwel helemaal niet met de Westerse mogendheden.

Maar daarna, zo’n tweehonderd jaar geleden, begonnen de Westerse machten hun infiltratie in China. Deze landen, vooral die van het Europese continent, oefenden in de 18e eeuw een toenemende druk uit om vaste voet in China te kunnen krijgen. En zij kregen vaste voet, zelfs in die mate dat in de 19e eeuw hun invloed een ernstig probleem voor de Chinezen was gaan vormen. De Encyclopædia Britannica verklaart hierover:

„Onder regimes die vaak onmachtig en corrupt bleken, moest [China] machteloos blijven toezien hoe buitenlandse mogendheden aan zijn grondgebied en hulpbronnen knaagden en hoe zijn vernederde bevolking moest vechten voor het naakte bestaan.

Hoewel het genoemd werd een ’onafhankelijk land’ te zijn, had het wat status en toestand betreft meer weg van een buitenlandse kolonie.”

Eerst ging de Westerse invloed niet verder dan de stichting van een Engelse handelspost in 1715 te Canton. Later sloten Franse, Hollandse en Amerikaanse handelaren zich daar bij de Britten aan.

De Westerse kooplieden waren uit op de rijkdommen van China en wilden bovendien Europese produkten aan de Chinezen verkopen, want daarmee moesten ze aan geld komen om Chinese produkten te kunnen kopen. Van Chinese zijde was er echter weinig belangstelling voor Westerse goederen. Tegen het eind van de 18e eeuw ontving de Britse koning George III van de toen regerende Chinese Mantsjoe-keizer een brief waarin onder meer stond:

„Zoals uw Ambassadeur zelf kan waarnemen, bezitten wij alles. Ik hecht geen waarde aan vreemde of ingenieuze objecten en heb geen werk voor de fabrikanten van uw land.”

Maar toen ontdekten de Westerse handelaars iets dat zij wel aan de Chinezen konden verkopen: opium, een verslavend en verdovend middel. Spoedig werd het een van de voornaamste produkten die naar China werden geëxporteerd.

Toen de Chinese regering waarnam welke slechte invloed de opium op de bevolking had, ging ze over tot het uitvaardigen van een verbod op de invoer. Hoewel de drug hiermee illegaal was geworden, verhinderde dit de handel niet. Veel handelaars begonnen opium te smokkelen, omdat ze het zo’n winstgevend produkt vonden.

Tegen 1839 had de hoeveelheid opium die China werd binnengesmokkeld, een astronomische omvang aangenomen. Wat eens slechts een stroompje van een paar ton opium per jaar was geweest, was bezig een vloedstroom van duizenden tonnen per jaar te worden. Wie zorgde voor deze illegale import? Het boek A History of the Far East in Modern Times zet uiteen:

„Alleen al de waarde van de geïmporteerde opium [overtrof] die van alle geëxporteerde goederen. De meeste opium kwam uit India, een kleine hoeveelheid uit Perzië, en op het eind werd door de Amerikanen ook wat Turkse opium geïmporteerd.

Alle nationaliteiten die in Canton vertegenwoordigd waren . . . namen aan de handel deel, hoewel Engeland evenals bij de handel in het algemeen een toonaangevende positie innam.”

Deze publikatie voegt hier nog aan toe: „Er mag wellicht op gewezen worden dat het opiumschuiven geen natuurlijke ondeugd van de Chinezen was, maar van buitenaf in het land werd ingevoerd. . . . De buitenlandse verantwoordelijkheid wat het bevorderen van het opiumschuiven onder de Chinezen betreft, kan niet worden genegeerd en dient evenmin te worden gebagatelliseerd.”

Het is niet moeilijk in te zien waarom de Chinezen de Westerlingen als barbaren beschouwden. Terwijl de Europeanen beweerden gelijk met de zendelingen van hun kerken een superieure cultuur in China te brengen, zagen de Chinezen hen slechts als buitenlandse veroveraars.

Alles wat reeds was voorgevallen, was voldoende om in hun Oosterse geest een bittere haat te wekken tegen deze landen van de christenheid, tegen hun cultuursystemen, hun economie, hun politiek en hun religie. Maar hierbij bleef het niet. Er zou nog meer volgen — nog veel meer.

De oorlog verklaard

De Chinese regering ondernam namelijk verdere stappen om deze illegale handel in te dammen. Ze zond troepen die tegen de buitenlandse kooplieden optraden. Hoeveelheden opium ter waarde van miljoenen dollars werden van Britse en andere kooplieden in beslag genomen, terwijl er tevens diverse beperkende bepalingen ten aanzien van de buitenlanders van kracht werden.

Deze maatregelen wekten de woede van de handelaars op, vooral die van de Engelse kooplieden. Zij zagen hun winstgevende opiumhandel en andere handelsbelangen al in rook opgaan. Zo ontbrandde in 1839 een van de meest bizarre oorlogen in de geschiedenis. De Engelsen verklaarden China de oorlog, en eisten het recht om aan het Chinese volk opium te blijven verkopen. Ook andere voorrechten werden geëist.

De oorlog had voor China een slecht verloop. Het was niet toegerust om zich tegen de wapens van de Engelsen te verdedigen. De „opiumoorlog” eindigde dan ook in een makkelijke overwinning voor de Britten. Hetgeen gebeurde in 1842, met de ondertekening van het Verdrag van Nanking.

Dat was het eerste en bij lange na niet het laatste verdrag dat de Chinezen met geweld werd opgedrongen. Het ontketende een hele reeks van, zoals de Chinezen het noemden, „ongelijke verdragen”.

Het Verdrag van Nanking gaf de Engelsen handelsrechten in diverse havensteden, terwijl zij tevens in bezit kwamen van het gebied van Hong Kong, dat een Engelse kolonie werd. China was ook gedwongen de oorlogskosten te betalen. Zelfs de waarde van de in beslag genomen opium moest aan de Engelse kooplieden worden vergoed.

Ook andere Europese landen, alsmede de Verenigde Staten, begonnen spoedig daarna vergunningen te eisen. De Chinezen stonden hier machteloos tegenover. Meer oorlogvoering door andere landen leidde tot nieuwe verdragen. Meer havens en meer privileges moesten worden opgegeven: Engeland voegde Kowloon toe aan Hong Kong; Rusland ontving gebied in het noorden; andere landen eisten hun eigen soorten van voorrechten.

Aldus begon China de soevereiniteit over eigen land, steden en bevolking te verliezen. Krachtens een van de verdragen kon China op goederen van buitenlandse handelaren maar heel weinig belasting meer heffen, terwijl deze belasting niet verhoogd mocht worden, tenzij met toestemming van de betrokken mogendheid, die daar natuurlijk nauwelijks toe bereid was. Bovendien was er verlies van rechterlijke autoriteit. Als bijvoorbeeld een Amerikaanse burger een misdaad tegen een Chinees beging, kon hij slechts door Amerikaanse autoriteiten berecht worden.

Wat was tegenover dit alles de houding van de zendelingen en andere vertegenwoordigers van de kerken van de christenheid? Het rooms-katholieke jezuïeten-tijdschrift America gaf onlangs toe dat de kerken het Chinese volk in de steek hebben gelaten. Er werd in gesproken over hun „monsterverbond in het missionaire verleden met de imperialistische machten en hun oorlogsboot-diplomatie, en ongelijke verdragsrechten”. De conclusie van dit tijdschrift was: „Het falen van de missie in China moet grotendeels op rekening van de zendelingen en/of de Westerse christenen zelf geschreven worden.” Ja, de kerken zijn vaak arrogant in China opgetreden en hebben aan het machtsmisbruik van de Westerse mogendheden hun steun verleend.

Meer verliezen

Het hoeft dan ook weinig verbazing te wekken dat The World Book Encyclopedia het volgende commentaar geeft op China’s houding ten aanzien van buitenlanders:

„Tegen de jaren ’90 van de vorige eeuw hadden veel Chinezen een hevige afschuw gekregen van alle niet-Chinese personen en landen, die ze de schuld van de ongelijke verdragsrechten gaven. Chinese opstandelingen vormden geheime genootschappen en zwoeren dat ze aan de Westerse invloed in China een eind zouden maken. Deze genootschappen ondervonden veel steun van het Chinese volk.”

In 1899 begonnen deze genootschappen een geweld-campagne tegen de westerlingen, welke tevens was gericht tegen de Chinezen die tot een van de kerken van de christenheid waren bekeerd. Deze campagne kwam bekend te staan als de „Boksersopstand”, omdat naar het heet een van de belangrijkste geheime genootschappen, de zogenaamde „Boksers”, een ceremonieel beoefende dat veel geleek op schaduwboksen.

Maar reeds het volgende jaar landde er in China een internationaal leger dat de „opstand” neersloeg. China kreeg zware straffen opgelegd. In het hart van Peking bijvoorbeeld werd een groot stadsdeel voor gebruik door buitenlandse gezantschappen in beslag genomen. Geen Chinees had meer het recht daar te wonen. Het gebied werd permanent door buitenlandse troepen bezet. Daarnaast moest China aan dertien buitenlandse mogendheden een boete van in totaal honderden miljoenen dollars betalen.

Een bittere ervaring

Dat wat naar aanleiding van de „opiumoorlog” en daarmee verband houdende gebeurtenissen voorviel, heeft in grote mate het beleid bepaald dat China in moderne tijd heeft gevoerd. De huidige Chinese vijandschap ten aanzien van het Westen houdt direct verband met de wijze waarop de landen van de christenheid China in het verleden hebben behandeld.

En zo zijn er nog meer radicale landen binnen de organisatie van de Verenigde Naties aan te wijzen die thans met hun toename in aantal en kracht eveneens voor de christenheid een levende bevestiging vormen van de waarheidsgetrouwheid van het bijbelse beginsel dat ’men oogst wat men zaait’. Zulke landen zijn wat de christenheid betreft een ongunstige weg van politieke en economische ontwikkeling ingeslagen.

Ook de van het Westen afkomstige morele en religieuze waarden — die van de Westerse kerken inbegrepen — worden vrijwel geheel afgewezen vanwege het feit dat ze in de geest van veel mensen nog onafscheidelijk verbonden zijn met de bittere ervaringen van het koloniale verleden. Het is zoals C. Lacy in Christianity amid Rising Men and Nations onder woorden brengt:

„Het gehele erfgoed van het Westerse kolonialisme is plotseling tegen de vertegenwoordigers ervan opgestaan, nu het nationalistische zelfbewustzijn in Afrika, Azië en Latijns-Amerika is ontwaakt.

Als gevolg daarvan is de algemene neiging gegroeid om de technische verworvenheden van de Westerse cultuur te scheiden . . . van de geestelijke en ideologische factoren die ’een levenswijze’ bepalen.

Algemeen heerst de mening dat de sociale en morele principes van het Westen — en dus ook het religieuze geloof waarin ze geworteld zijn — niet superieur zijn aan die van andere gemeenschappen. Men zou ze zelfs voor inferieur kunnen houden.”

De christenheid heeft inderdaad honderden miljoenen mensen van zich vervreemd. Het droevige gevolg hiervan is echter dat deze mensen zich ook van het christendom hebben afgewend. Zij beseffen niet dat hetgeen de christenheid vertegenwoordigt, het ware christendom in het geheel niet is, maar iets huichelachtigs dat door God wordt verfoeid. In het geval van China heeft deze vervreemding ertoe geleid dat een natie van 800.000.000 mensen zich tegen het christendom heeft gekant.

Voor dit alles zal de christenheid tegenover God rekenschap moeten afleggen. En de duidelijke vervulling van de bijbelprofetieën waarvan de huidige gebeurtenissen getuigen, tonen aan dat het moment waarop God rekenschap gaat eisen, snel naderbij komt. — Matth. 7:15-23; Openbaring, hoofdstuk 17.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen