De onderdrukking overwonnen
DE EXTREME maatregelen van Duplessis en de ongetemperde uitlatingen van enkele lagere rechters, brachten een keten van reacties onder vrijheid minnende Canadezen teweeg.
Bij een rechtszaak in de stad Quebec liet rechter J. Mercier zich in bittere bewoordingen tegenover een van Jehovah’s getuigen uit, iemand die vanwege de „overtreding” van een simpele plaatselijke verordening terechtstond. De Globe and Mail, een invloedrijk dagblad van Toronto, ging op 19 december 1946 in een redactioneel commentaar op deze rechtszaak in. Onder het kopje „Terugkeer van de Inquisitie”. schreef dit blad:
„De vervolging van de religieuze sekte der Jehovah’s Getuigen, welke nu in de provincie Quebec met zware ambtelijke en rechterlijke verbodsbepalingen wordt doorgevoerd, heeft een nieuwe wending genomen, die het erop doet lijken alsof de Inquisitie in Frans-Canada is weergekeerd. Rechter J. Mercier van de stedelijke rechtbank van de stad Quebec heeft naar verluidt gezegd dat de politie van Quebec nu instructies heeft gekregen om ’elke bekende of vermoedelijke Getuige die zij zien, te arresteren’. Als dit waar is, dan wordt de Quebeckse politiemacht nu aangewend om mannen en vrouwen wegens het huldigen van een religieuze mening op te sluiten.
Dit is een schandalige vertreding van burgerlijke vrijheden. Een van de theorieën waarop de Inquisitie stoelde, was het idee dat rechtbanken tot taak hebben de gemeenschap te vrijwaren tegen ketters. De Inquisitie veroordeelde ketters ter dood, terwijl Quebec ze alleen maar in de gevangenis werpt; maar rechter Mercier zou er stellig niet afkerig van zijn die zwaardere straf weer in te voeren. Hij zou elke getuige van Jehovah ’minstens levenslang’ geven indien dat mogelijk was, zo heeft hij naar verluidt gezegd.”
Veel Canadezen geschokt
De berichten over de vervolging van Jehovah’s getuigen vormden voor veel Canadezen een schok. Het geloof en de vasthoudendheid die deze minderheidsgroep tegenover een overweldigende tegenstand aan de dag legde, dwongen veel respect af.
Een bekende journalist, J. Karr, berichtte in de Toronto Star van 26 december 1946:
„Er is in deze tijd moed voor nodig om in de provincie Quebec een getuige van Jehovah te zijn — moed en iets wat we aards gezegd lef noemen. Want de Getuigen zijn het voorwerp van haat, achterdocht en minachting van de zijde van de gewone bevolking. Slechts weinig Quebeckers schijnen echter te weten wat zij nu precies in de Getuigen haten en verafschuwen, behalve dan dat hun door de regering is gezegd voor deze mensen op hun hoede te zijn.
Maar als het voor niet-Quebeckers al moeilijk is om in de provincie een getuige te zijn, hoeveel zwaarder moet het dan wel zijn voor de echte Quebeckers die hun geloof hebben opgegeven en zich bij de beweging hebben aangesloten. Zij zijn hun vrienden kwijtgeraakt en in feite sociale verworpelingen geworden in hun eigen omgeving. Mensen die eens hun vrienden waren, zijn nu hun spionnen geworden en geven berichten door over hun activiteiten, zo zeggen zij, en wanneer er vergaderingen worden gehouden, dan toont de onmiddellijke omgeving zich gespannen vijandig en is ze onverholen aan het spioneren.
Om die reden is het voor een buitenstaander soms een beetje moeilijk de volle omvang van de situatie te beseffen en zich volkomen te realiseren dat deze dingen werkelijk in Canada plaatsvinden. Een waarnemer zal het allicht niet volledig met de leer van de Getuigen eens zijn noch met hun methoden waarmee zij hun doeleinden trachten te bereiken, maar op zijn minst zal hij na contact met hen een reusachtig respect hebben overgehouden voor hun moed en de vasthoudendheid waarmee zij voor hun rechten opkomen. . . .
Kortom, de Getuigen van Jehovah, een klein groepje van 200 mensen, hebben in het oude Quebec een hele strijd ontketend. En in een stad waarvan de bevolking voor 90 percent uit Frans-sprekenden en voor 95 percent uit rooms-katholieken bestaat, gaan hun vergaderingen steeds meer lijken op de bijeenkomsten van de vroege christenen in het Rome van Nero.”
En wat is het resultaat van al dit lijden geweest?
Jehovah’s getuigen bevochten tussen 1949 en 1959 vijf sleuteloverwinningen voor het Hooggerechtshof van Canada en ontnamen daarmee de kracht aan de harde en gecombineerde aanval die in Quebec door Kerk en Staat tegen hen werd ondernomen. Deze proefprocessen voor het Hooggerechtshof leverden richtlijnen op die met succes konden worden toegepast bij de vele honderden andere zaken.
De laatste twee belangrijke zaken werden in 1959 gewonnen. Eén ervan was een persoonlijk proces dat door een getuige van Jehovah die een restaurant in Montreal had gehad, maar wiens tapvergunning was ingetrokken omdat hij voor tal van beschuldigde getuigen van Jehovah een borgsom had verschaft, tegen Maurice Duplessis was aangespannen. Het Hooggerechtshof stelde Duplessis persoonlijk verantwoordelijk voor de schade. Drie maanden nadat Duplessis de door de rechtbank opgelegde boete had betaald, stierf hij.
Waarde van de beslissingen erkend
De waarde van deze beslissingen en van het moedige standpunt dat Jehovah’s getuigen hebben ingenomen, is volmondig door vooraanstaande rechtskundige autoriteiten in Canada erkend. In zijn boek Federalism and the French Canadian verklaart Pierre E. Trudeau, de huidige premier van Canada: „In de provincie Quebec zijn Jehovah’s getuigen . . . het voorwerp geweest van spot, vervolging en haat van de zijde van onze gehele maatschappij; zij zijn er echter in geslaagd met wettelijke middelen de kerk, de regering, het land, de politie en de publieke opinie te bestrijden.”
Professor F. Scott van de McGill-universiteit bespreekt in zijn boek Civil Liberty and Canadian Federalism de zaak Lamb versus Benoit: „De zaak Lamb is slechts één voorbeeld van onwettige politiële actie, nochtans maakt ze deel uit van het trieste beeld dat Quebec de afgelopen jaren maar al te vaak heeft vertoond. Mejuffrouw Lamb, eveneens een getuige van Jehovah, werd onwettig in arrest genomen en zonder iets ten laste te zijn gelegd een heel weekeind vastgehouden, zonder ook een advocaat te mogen bellen, en kreeg toen weer haar vrijheid aangeboden op voorwaarde dat zij een document zou tekenen waardoor de politie zou worden vrijgesteld van elke verantwoordelijkheid voor de manier waarop zij haar hadden behandeld. Bij het lezen van zo’n verhaal vraagt men zich af hoeveel andere onschuldige slachtoffers op soortgelijke wijze door de politie zijn behandeld, zonder de moed en de kracht te hebben gehad de zaak uiteindelijk tot de overwinning te voeren — in dit geval 12 1/2 jaar nadat de arrestatie had plaatsgehad. We dienen dankbaar te zijn dat we in dit land slachtoffers van onderdrukking door de overheid hebben gehad die voor hun rechten zijn opgekomen. Hun overwinning is de overwinning van ons allen.”