Waarom nonnen vertrekken
ER ZIJN natuurlijk altijd enkele afvallige nonnen geweest. Maar de huidige exodus van tienduizenden kloosterzusters heeft zijn weerga niet, noch in aantal noch in effect. Waarom zijn zovelen vertrokken?
Een aantal factoren is daarbij aan te wijzen. De voornaamste oorzaak evenwel heeft te maken met de structuur en inrichting van de katholieke Kerk zelf. Of zoals de voormalige non Mercedes Alonso het onder woorden bracht: „Het gestaag toenemende aantal toegewijde vrouwen dat dagelijks de kloosters verlaat, is niet hetgeen de crisis schèpt, maar haar slechts onthult.”
Maar welke omstandigheden in de Kerk hebben nonnen zo verontrust dat zij met duizenden zijn uitgetreden?
Een belangrijke reden voor hun vertrek
Waar nonnen vooral bezwaar tegen maken, zijn de door hen zinloos geachte tradities en beperkingen. Eén voorbeeld is de kerkelijke regel dat zij niet mogen trouwen.
De celibaatsplicht werd eeuwen geleden door de bestuurders van de Kerk ingesteld, en toegegeven wordt dat deze plicht niet schriftuurlijk is. De in 1963 overleden paus Johannes XXIII heeft zelfs gezegd: „Kerkelijk is de celibaatsplicht geen dogma. De Schrift legt deze plicht niet op. Het is zelfs gemakkelijk een verandering te bewerkstelligen.”
En duizenden nonnen en priesters hebben ook dringend om zo’n verandering geroepen, zich soms zelfs beroepend op het gezag van de Heilige Schrift. „Petrus en de apostelen waren en bleven getrouwd, zelfs toen ze het volledige discipelschap van Jezus bekleedden”, aldus de katholieke theoloog Hans Küng, „en dit is nog een hele reeks eeuwen daarna voor de leiders van de gemeenschap het patroon gebleven” (Matth. 8:14; 1 Kor. 9:5). Niettemin heeft de Kerk geweigerd een wijziging in de celibaatsregeling aan te brengen.
Zich aldus onrechtmatig gedwongen voelend een door mensen opgelegde verplichting na te komen, hebben tal van nonnen de kloosters verlaten — sommigen ook zelfs de katholieke Kerk, daarin ongetwijfeld gesterkt door het ontdekken van de waarschuwing in de bijbel: „Toch zegt de Schrift uitdrukkelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, en aan dwaalgeesten en duivelse leringen gehoor zullen geven, . . . Lieden, die verbieden te trouwen.”— 1 Tim. 4:1-3, Petrus-Canisiusvertaling.
Beperkende bepalingen
Deze celibaatsplicht is ondertussen slechts een van de kerkelijke regelingen waardoor nonnen zich onderdrukt voelen. Voorschriften met betrekking tot de soort van kleding die nonnen moeten dragen, was een andere bron van irritatie. Voor velen was de kloosterkledij ongemakkelijk en onprettig, vooral als het warm was.
Veel nonnen vonden het ook een nodeloze vernedering dat zij hun hoofdhaar volledig moesten laten afscheren om de uitgebreide hoofdbedekking te kunnen dragen. „Al de jaren die ik als religieuze heb doorgebracht”, aldus een voormalige non, „heb ik nooit kunnen wennen aan het feit dat ik geen haar had; en als ik geen kap droeg, probeerde ik, als ik het enigszins kon vermijden, niet in spiegels te kijken.”
Ook zijn er regels met betrekking tot zelfkastijding. Midge Turk, een voormalige non die zo’n achttien jaar in het klooster heeft doorgebracht, schrijft in haar autobiografie The Buried Life (1971): „De kastijding moest worden uitgevoerd met een dertig centimeter lange zweep, bestaande uit ineengevlochten jaloeziekoord, aan het einde uitlopend in vier met knopen bezette snoeren. We kregen te horen dat we deze zweep voor zelfkastijding alleen op de woensdag- en vrijdagmiddag in afzondering dienden te gebruiken, gedurende een speciale tijdsperiode, overeenkomstig de geschreven reglementen, en ons slechts dienden te slaan op onze rug, benen of onderrug.” Niet alleen dat deze „strenge behandeling van het lichaam” geen enkele ondersteuning in de bijbel vindt, velen achten haar ook zeer vernederend en middeleeuws. — Kol. 2:20-23.
En behalve dit soort zijn er nog tal van andere regels — voor zwijgperiodes onder andere, alsmede periodes van gebed en meditatie. Die eindeloze reeks van vaak onrechtvaardig en belachelijk lijkende bepalingen zijn voor nonnen een bron van frustratie. Zelfs kardinaal Suenens moest in zijn in 1963 uitgegeven boek The Nun in the World erkennen dat nonnen in veel gevallen gevangenen waren van verouderde regels die hen in hun mogelijkheden en doeltreffende dienst beknotten.
„We mochten niet eens zonder toestemming met medenonnen praten”, aldus een non die meer dan zeventien jaar in een Newyorks klooster doorbracht. „In het Heilige Reglement stond zelfs dat de eenvoudigste aanraking verboden was. Die bepaling was een overreactie op de beschuldigingen van lesbische liefde, een praktijk die veel in de middeleeuwse kloostergemeenschappen voorkwam.”
Weliswaar zijn er de afgelopen jaren enkele veranderingen in bovengenoemde bepalingen aangebracht, maar die zijn er niet gemakkelijk doorgekomen. Lange, wanhopige conflicten met de kerkelijke autoriteiten gingen aan de wijzigingen vooraf, en hervormingen werden pas dan toegestaan wanneer dat de enige weg scheen om de kloostergemeenschap van de ondergang te redden. Ondertussen echter hadden al veel nonnen gefrustreerd de kloosters verlaten, ondoenlijk als het hun telkens scheen om veranderingen doorgevoerd te krijgen.
Dat was bijvoorbeeld ook de reden waarom in 1970 in Los Angeles (Californië) ongeveer 315 van de 380 nonnen die behoorden tot de Zusters van het Onbevlekte Hart van Maria, en masse hun orde verlieten. Zij deden dit onder leiding van het hoofd van de orde, Anita Caspary, die reeds eerder haar religieuze naam, Moeder Humiliata, had opgegeven.
Doch niet alleen verouderde regels en vergeefse pogingen om die te wijzigen, hebben nonnen ertoe bewogen uit te treden. Het klimáát binnen de kloostermuren is misschien wel de belangrijkste factor geweest.
Houding en gedrag
Nonnen wijzen vaak zelf op het gebrek aan vriendelijkheid en warmte in de gemeenschap als een omstandigheid die ertoe heeft bijgedragen dat ze zijn vertrokken. En men kan zich ook heel goed voorstellen dat regels die zwijgen verplicht stellen, een vrij gesprek verbieden en zelfs het aanraken van elkaar taboe verklaren, bijdragen tot een koud, formeel klimaat.
Heel vaak hoort men dat het menselijke element ontbreekt. „Pogingen tot het aanknopen van een normale, gezonde vriendschap worden ontmoedigd en zelfs met wantrouwen bezien”, zo vertelde een voormalige non. „Wat ik miste was intimiteit” merkte een andere gewezen kloosterlinge op, „de soort van verbondenheid die je voelt als je deel uitmaakt van een grote, aan elkaar verknochte familie.”
Waar nonnen verder nog op wezen, was het gebrek aan oprechte belangstelling voor anderen binnen de Kerk. Midge Turk, die als non tot een administratieve functie opklom, klaagde: „Nooit kwam tijdens de vergaderingen met diocees-functionarissen ook maar de waarde van de menselijke wezens met wie ik samenwerkte ter sprake.” Ongetwijfeld was het deze houding die een katholieke schrijver in gedachten had toen hij schreef over nonnen die „het religieuze leven vaarwel zeiden omdat hun gemeenschap veeleer een hinderpaal dan een hulp voor een christelijke levenswijze was”.
Veel nonnen treden bovendien uit omdat zij zich in een keurslijf gewrongen voelen — al hun initiatief en zelfwerkzaamheid wordt in de kiem gesmoord. In 1967 verliet Jacqueline Grennan, nationaal erkend onderwijsdeskundige in de Verenigde Staten, haar religieuze orde; zij gaf als verklaring te kennen: „Onder de gelofte van gehoorzaamheid . . ., zo kwam ik tot het besef, kon ik niet leven als een produktief menselijk wezen met een eigen verantwoordelijkheid.”
Nonnen voelen zich vaak behandeld als onmondige kinderen — elke beslissing en elke handeling is reeds voor hen uitgedacht. De manier waarop de katholieke Kerk is opgebouwd, draagt hiertoe bij. De moeder-overste bijvoorbeeld is bekleed met grote autoriteit over het leven van de aan haar toevertrouwde nonnen, hetgeen ertoe kan leiden dat ze zich een speciale persoon gaat voelen. Een vrouw die het kloosterleven opgaf na zeven jaar in verschillende kloosters in Chili en Argentinië te hebben doorgebracht, berichtte:
„De superieuren eisten volslagen gehoorzaamheid, hetgeen in feite langzamerhand ontaardde in afgoderij; God namelijk had hen, zo zeiden zij, in hun positie geplaatst en daarom moesten allen hun onbetwiste gehoorzaamheid schenken. . . . Maar de gehoorzaamheid die zij van ons eisten, nam zulke extreme vormen aan dat we zelfs voor hen moesten buigen, zonder hun ooit iets te mogen vragen.”
De katholieke priester L. Delaney, die zich ongeveer vijfentwintig jaar heeft beziggehouden met het organiseren van klooster-missies, heeft op een dergelijke houding van superieuren gewezen als de oorzaak van de grote exodus van nonnen uit de kloosters van Ierland. Zijn commentaar luidde:
„Bepaalde moeder-oversten zijn koppig halsstarrig, verwaand in hun conservatisme . . . Zij leggen beperkende bepalingen op . . . Tegenwoordig houden jonge vrouwen niet meer van een dergelijke vrouwendictatuur in een klooster. Zij gaan er eenvoudig vandoor.”
Er zij echter opgemerkt dat al deze toestanden — het celibaat, de beperkende bepalingen, de liefdeloze, autoritaire houding van superieuren, enz. — al generaties lang bestaan. „Waarom dan nú, in deze afgelopen tien jaar, die massale exodus van nonnen?” zo luidt de vraag van velen.
Waarom nú het massale vertrek
Het Tweede Vaticaans Concilie, gehouden van 1962 tot 1965, is daar met zijn vernieuwingspogingen voornamelijk verantwoordelijk voor geweest. Het doel van het Concilie was volgens paus Johannes XXIII „wat frisse wind door de kerk te laten waaien”. Daarmee werd in feite een uitnodiging gedaan aan alle religieuzen om hun eigen roeping te onderzoeken en voor zichzelf te denken. Met welke gevolgen?
In haar in 1972 verstuurde „uittreed”-brief schreef een non die bijna achttien jaar had doorgebracht in het klooster van de Visitatie van de Heilige Maria, in Baybridge (Brooklyn), als verklaring voor haar vertrek: ’Veel Zusters raakten gedesillusioneerd toen wij onze gewoonten en tradities trachtten te moderniseren. Er kwam hardnekkige tegenstand van degenen die vernieuwing tegenstonden. Geen wonder dat zovelen de kloosters verlaten.’
Toen nonnen zelf een onderzoek gingen instellen, ontdekten zij dat allerlei leefregels waaraan zij onderworpen waren, zinloos en nodeloos beperkend waren, in plaats van een hulp te zijn voor een christelijke levenswijze. Hun ordekledij bijvoorbeeld was naar zij ontdekten niet van heilige oorsprong, zoals eerst werd verondersteld, maar was eenvoudig de soort van kleding die eeuwen geleden door boerenmensen werd gedragen. Ook de gordijnen rond hun bed, waaraan zij voorheen een heilige betekenis hadden toegekend, bleken oorspronkelijk slechts voor de warmte te zijn aangebracht, en derhalve in deze tijd van centrale verwarming volkomen overbodig te zijn geworden!
Het Tweede Vaticaans Concilie had de uitnodiging tot dit onderzoek gedaan, een onderzoek dat leidde tot teleurstelling en conflicten toen er pogingen tot modernisering werden ondernomen. Er is overigens nog een factor die tot de massale exodus van nonnen heeft bijgedragen. We denken aan de veranderde houding, alsook de status van de vrouw in de wereld in het algemeen.
De geest van de vrouwenemancipatiebeweging, die in het midden van de jaren zestig tot opbloei kwam, drong ook door de kloostermuren heen, veel kloosterzusters bezielend met een houding van onafhankelijkheid, waardoor zij er sneller toe kwamen in geval van teleurstelling uit het klooster te treden. Dit gaf weer anderen de moed om eveneens te vertrekken en zo is de exodus op gang gekomen.
Nog een belangrijke factor
Maar behalve dat, waren het ook de vernieuwingspogingen van de Kerk zelf die leidden tot nog andere en voor veel nonnen zeer verwarrende ontdekkingen. De heiligen hadden afgedaan, vlees kon nu op vrijdag gegeten worden en de beelden werden uit de kerken verwijderd. En daar bleef het niet bij. Een voormalige non vertelt: „Ik leerde ook dat bepaalde grondleerstellingen van de katholieke Kerk, zoals de Drieëenheid, de onsterfelijkheid van de ziel, het vagevuur, het voorgeborchte en de hel onschriftuurlijk en van heidense oorsprong waren.”
Het feit wordt duidelijk: De katholieke Kerk leert niet de bijbelse waarheid over God en zijn voornemen! Geen wonder dan ook dat de teleurstelling onder nonnen steeds verder om zich heen grijpt. „Ik voelde dat ik geestelijk stervende was”, zo sprak een voormalige non uit Adams (Massachusetts). „In ons klooster werd niet gesproken over de hoop op Gods koninkrijk. Het was ook maar zelden dat we spontaan over God spraken.” Zelfs katholieke hoogwaardigheidsbekleders beginnen het bestaan van deze geestelijke armoede openlijk toe te geven. De katholieke priester A. M. Greeley schreef bijvoorbeeld onlangs:
„Er is een religieuze energiecrisis in de kerk die veel ernstiger is dan de olieschaarste. Grote aantallen mensen zijn hongerig naar religie, naar verlichting en leiding in verband met de kritieke vraagstukken van leven en dood, goed en kwaad, liefde en haat, eenheid en verdeeldheid, God en de mens.
De laatste plaats waar zij in 1974 naar verlichting zullen kunnen zoeken, is de Rooms-Katholieke Kerk (en bij andere kerken zullen zij al evenmin succes hebben).” — The National Catholic Reporter, 11 januari 1974.
Kunt u het nonnen kwalijk nemen dat zij een kerk verlaten die zelfs door haar eigen priesters aldus wordt beschreven? Maar als andere kerken geestelijk evenzeer beroofd zijn, waar kan men dan de bijbelse waarheid over God en zijn voornemen vinden?
Nonnen vinden bevredigende antwoorden
Er bestaat een bron van betrouwbaar geestelijk onderricht. De hierboven reeds genoemde non uit Adams (Massachusetts) die in 1969 het klooster verliet, vertelt hierover: „Ik hield ermee op naar de kerk te gaan. Ik was tot de conclusie gekomen dat de katholieke Kerk de waarheid niet leerde, maar waar die waarheid dan wel werd geleerd, daarvan had ik geen flauw idee. Later kwamen er twee Jehovah’s getuigen bij mij aan de deur en met graagte nodigde ik hen binnen voor een gesprek.
Ik onderzocht wat de Getuigen mij onderwezen, omdat ik er zeker van wilde zijn niet opnieuw bedrogen te worden. Maar na twee à drie studies wist ik al dat Jehovah’s getuigen de waarheid uit de bijbel leerden. Wat mij vooral verheugde, was dat God geen Drieëenheid is.”
Maar het schenkt niet alleen voldoening de waarheid over God en zijn grootse voornemen te weten te komen, het is bovendien hartverwarmend de oprechte liefde te ervaren die onder Jehovah’s getuigen bestaat. „Dat trok me nog meer aan dan zelfs hun bijbelse leer”, aldus een voormalige non die tien jaar kloosterlinge is geweest en vorig jaar januari in Paraguay door Jehovah’s getuigen werd gedoopt.
Bent u een non, of was u er een? Bent u verbonden geweest of nog verbonden met een religieuze organisatie? Hebt u het verlangen God te dienen zoals Christus en zijn eerste volgelingen dit deden? Zou u genieten van de warme, liefdevolle kameraadschap zoals die bestaat onder hedendaagse christenen die werkelijk de eerste-eeuwse christenen navolgen? Jehovah’s getuigen zullen u graag helpen. Spreek met hen wanneer zij de volgende keer in uw omgeving komen, of schrijf naar de uitgevers van dit tijdschrift.