Een ontmoeting met de grootste der mensapen
Door Ontwaakt!-correspondent in Zaïre
„DUS denk eraan. Wanneer hij aanvalt, volkomen stil blijven staan. Plotseling komt hij met een luide schreeuw uit het bos, door het struikgewas aangestormd, om vervolgens een paar meter van ons te blijven staan. Dan richt hij zich op, slaat een paar maal op zijn borst en schreeuwt woedend. Ga dan niet lopen! Blijf stil. Het is alleen maar een blufaanval om ons, menselijke indringers af te schrikken.” „Ga dan niet lopen!” Die woorden van onze gids bleven naklinken in onze geest terwijl wij ons een weg zochten door de dichte regenwouden van oostelijk Zaïre, het voormalige Belgisch Kongo. Hoe zouden we reageren op een ontmoeting met een van de meest ontzaginboezemende dieren uit de natuur, de berggorilla, de grootste der apen? Zijn kracht is naar verluidt het vijftienvoudige van die van een mens! Hoe zou mijn vrouw reageren? En de anderen van onze groep van zes?
Onze gids en zijn pygmee-speurders waren al heel bekend met deze zeldzame en machtige dieren. Zij hadden reeds vele tochten door dit oerwoud-woongebied van de gorilla achter zich. Indien nodig jagen de pygmeeën ze zelfs voor voedsel. Nog nooit hadden ze echter een aap ontmoet die verder was gegaan dan een schijnaanval. Altijd waren ze op een paar meter afstand blijven staan.
Ofschoon er reeds meer dan honderd jaar zijn verstreken sinds de eerste blanke onderzoekers gorilla-land binnendrongen, zijn er pas de laatste twintig jaar intensieve wetenschappelijke onderzoekingen verricht. De mensapen behoren tot de zeldzaamste diersoorten van de wereld, die slechts voorkomen in enkele gedeelten van Centraal-Afrika. Het woongebied van de grootste der mensapen is gelegen op de met regenwouden bedekte hellingen van het berggebied dat parallel loopt met de grenzen van de Republiek Zaïre, westelijk Uganda en Rwanda.
Zacht van aard
Naarmate we verder hun gebied binnendringen, bedenken we dat gorilla’s normaliter niet agressief zijn. Ofschoon het dier met gemak een mens van top tot teen door midden kan scheuren, gaat er achter zijn woeste uiterlijk een schuwe, zachtaardige en zelfs introverte persoonlijkheid schuil. Soms gebeurt het wel dat hij bij zijn zwerftochten de rand van een thee- of koffieplantage bereikt en de arbeiders daar schrik aanjaagt. Maar normaal zal een gorilla nooit mensen meevoeren of hen ook maar enig letsel toebrengen, of hij moet lastiggevallen of mishandeld worden. Dat zijn aanmoedigende gegevens, maar kunnen we er geloof aan hechten?
Wij herinneren ons dat gorilla’s in familiegroepen reizen, waarvan de grootte sterk uiteenloopt en kan variëren van enkele exemplaren tot verschillende tientallen. Elke familie heeft haar eigen leider, jegens wie de leden genegenheid en trouw zullen betonen. Wat hij doet is bepalend voor de handelingen van de gehele groep. In het algemeen is het een mannetje van meer dan tien jaar oud, die zich van de anderen onderscheidt door zijn zilvergrijze rug, welke duidelijk afsteekt tegen de ijzergrauwe beharing op de rest van zijn lichaam.
Is hij eenmaal volwassen, dan heeft de mensaap een enorme gestalte; zijn massieve lichaam heeft dan een gewicht van wel 200 kilo en, rechtop staand, een hoogte van misschien wel één meter zeventig, alsmede gigantische armen waarmee hij twee en een halve meter kan omspannen! Wat een contrast met de anderhalf tot twee kilo zware baby die hij was bij zijn geboorte! Zijn lichamelijke ontwikkeling verloopt trouwens zeer snel, ongeveer tweemaal zo snel als bij een mens.
Een mensaap kan de rijpe ouderdom van dertig of zelfs vijfendertig jaar bereiken. Staat en loopt hij werkelijk als een mens? Neen, hij is een viervoeter, die er een intrigerende half-zwaaiende, half-springende manier van bewegen op na houdt. Zijn armen dienen voornamelijk als stutten, terwijl het gewicht van zijn lichaam rust op vereelte, gebogen knokkels.
Wij wisten bij voorbaat dat onze aanwezigheid een leider-gorilla zou inspireren tot borstgeroffel en een eventuele schijnaanval, en dat dit zijn manier zou zijn om zijn familie te waarschuwen voor het naderende gevaar, en benevens ons als menselijke indringers te intimideren. Niettemin trokken we steeds verder hun woongebied binnen, langs het pad dat een van hun familiegroepen de dag daarvoor had gemaakt.
Altijd onderweg
Door het oerwoud achter gorilla’s trekken is een onvergetelijke ervaring. Gorilla’s leven als nomaden en blijven nooit twee dagen op dezelfde plek; ze stropen grote oerwoudgebieden af op zoek naar voedsel, hoewel ze hun omzwervingen wel binnen strikte grenzen houden — een gebied van ongeveer veertig tot vijftig vierkante kilometer. Ofschoon ze wel zestien kilometer per dag kunnen reizen, afhankelijk van de beschikbaarheid van voedsel, is hun spoor niet moeilijk te volgen. Bij het trekken lopen ze altijd achter elkaar, de vegetatie vertredend en takken brekend, en zo nu en dan planten etend, alsmede andere tekenen achterlatend die vele dagen zichtbaar blijven.
Maar wacht! De pygmeeënleider roept iets: „Angalia!” Dat is een Swahili-woord dat, naar we geleerd hebben, zoveel betekent als „Kijk hier eens!” Wat zag hij? Hij heeft het kamp ontdekt waar de groep de afgelopen nacht geslapen heeft! In de schemering van de vorige dag heeft elk lid een nog duidelijk herkenbaar nest van bladeren en twijgen gemaakt. Kennelijk had elk dier zich bij de bouw van zijn bed, op een plek gesteld waar voldoende takken en bladeren waren en deze, aftrekkend en afbrekend, in een tamelijk ordelijke hoop rond zich heen gegroepeerd en zichzelf er daarna middenop laten vallen. Dit was de plek waar zij van zes uur ’s avonds tot zes uur ’s morgens hadden geslapen — twaalf uur lang.
Wij telden negentien bedden, die van de jongeren inbegrepen. In deze familie maakte iedereen zijn eigen bed. Sommige gorilla’s hadden zelfs in gevorkte boomtakken een soort van hangmatten gemaakt, met zwaarder materiaal, zodat ze er niet door zouden zakken. Eén zo’n bed hing wel negen meter boven de grond. Hoewel de nesten ons dus wel veel over de groep vertelden, was er op zich weinig patroon in te ontdekken. Ze waren niet zodanig gebouwd dat ze enige warmte of bescherming zouden bieden, tegen bijvoorbeeld wind of regen. Het waren in feite slechts comfortabele zachte hopen.
Wat eten gorilla’s?
Kort na het ochtendkrieken (wat hier in de tropen het hele jaar door rond 6 uur ’s ochtends valt) verlaten de gorilla’s van een groep de een na de ander hun bed om te beginnen aan een twee uur lang ontbijt, langzaam van lekker hapje naar lekker hapje kuierend. Sommige nuttigen hun ontbijt zelfs op bed. De een of andere bereiding van hun voedsel is niet nodig. Gorilla’s hoeven maar een poot uit te steken om een handvol heerlijk bladgroen te bemachtigen, dat ze zo naar binnen kunnen werken. Is op één plek alles van hun gading weg, dan doen ze eenvoudig een paar passen opzij naar een volgende plek.
Gorilla’s doden nooit omwille van hun voedsel. Ten ergste plunderen ze een bananenplantage. Nooit heeft men ze in het wild vlees zien eten, in tegenstelling tot hun bloedverwant de chimpansee. Deze vreedzame vegetariërs leven op een dieet van wortels, bladeren, jonge scheuten en fruit. Een van hun favoriete bezigheden bestaat in het afbijten en afscheuren van de schors van jonge bomen om bij het zachte inwendige te komen. Aangezien het hier voldoende regent en er ’s morgens een zware dauw ligt op de van zichzelf reeds sappige planten, zal men gorilla’s nooit bij een stroom of meer zien stoppen om te drinken.
Hun voeding is allesbehalve eentonig, gezien de minstens honderd plantevariëteiten waaruit ze kunnen kiezen. Na hun ontbijt luieren deze grote apen tot het midden van de morgen rond, om daarna opnieuw voedsel te gaan zoeken, in welk opzicht ze volkomen lijken op gibbons en chimpansees.
De ontmoeting
Naarmate wij dichterbij komen, zien we reeds allerlei tekenen die erop duiden dat onze eerste ontmoeting met de groep elk moment kan geschieden. Er hangt een penetrante geur in de lucht. De voor ons lopende pygmee beduidt ons stil te blijven staan. Men had ons reeds gewaarschuwd dat de gorilla scherp ziet en geringe bewegingen snel waarneemt. Langzaam sluipen we verder. Er knappen echter enkele takjes onder onze voeten. Ons hart klopt onstuimig. Plotseling klinkt voor ons uit het bos een afschuwelijke, snerpende gil, een bloedstollende kreet — en dan het geruis van bladeren als de groep van ons wegvlucht, het oerwoud in.
Een ogenblik was mijn eigen hartslag het enige wat ik hoorde. Toen verscheen hij. Op alle vier zijn poten kwam de zilverrug-leider door de oerwoudbegroeiing op ons aangestormd, alles op zijn pad wegmaaiend! Eén meter twintig brede schouders, een dikke nek en de befaamde zwarte kop met dikke wenkbrauwen. Op slechts twee en een halve meter van ons hield hij in!
Het is moeilijk te zeggen of we nu stil stonden omdat de gids dat gezegd had, of doordat we eenvoudig verlamd waren in onze bewegingen. In elk geval, we stonden daar, oog in oog met een massieve gorillakop, rechtstreeks geplaatst lijkend op brede schouders, met vooruitstekende kaken en geopende neusgaten. Toen, een zich plotseling oprichten en roffelen op de borstkas en een luide schreeuw, waarbij alle tanden en het inwendige van zijn bek zichtbaar werden.
Tot op dat moment had ik de tanden van een gorilla altijd smetteloos wit gedacht. Maar aan de bruine verkleuring was wel te zien dat ze nooit goed werden gepoetst. Het schelle gebrul van de mensapen is waarschijnlijk het meest explosieve geluid uit het dierenrijk. En wanneer het wordt gedaan om te imponeren, dan was de aap daar bij ons volledig in geslaagd.
Met niet mis te verstane geluiden beduidde hij ons zijn familie geen stap dichter te naderen. Een ogenblik bleef hij nog roerloos staan, ons slechts aanstarend met zijn scherpe, donkerbruine ogen, zodat we duidelijk zijn onbehaarde lippen, oren en neus konden opnemen. Zijn kleine zwarte oren hadden iets menselijks. We keken naar onze gids, die we kalm een blad zagen kauwen, een gebaar om mijnheer Zilverrug gerust te stellen. Wij hadden niets kwaads in de zin.
De nieuwsgierigheid is wederzijds
Een gevangen gorilla in een dierentuin zien is wel heel iets anders dan een familiegroep in hun eigen woongebied tegenkomen. Wij zagen moeders die hun jongen met één arm stevig tegen zich aangedrukt hielden. Andere jongen reden op de daarvoor ideaal geschikte brede rug van hun mamma’s, met voldoende haar binnen handbereik om zich aan vast te klampen. Wat meer naar links, op zo’n vijftien meter afstand, vermaakten drie jongen zich met een vrolijk spel dat een beetje leek op „volg-de-leider”. De oudere gorilla’s lieten ze begaan, doch toonden zelf geen enkele lust tot spelen.
Het was duidelijk dat nieuwsgierigheid een van de voornaamste redenen was, waarom ze waren gebleven. Ze wilden kennelijk net zo graag naar ons kijken als wij naar hen. Zij hadden echter het voordeel verscholen te gaan achter een dunne bladerwaas.
Achttien meter verderop begon een groot zwart mannetje in een boom te klimmen, waarschijnlijk om ons beter te kunnen begluren. Zijn wijze van klimmen was voorzichtig en doordacht; zorgvuldig en stevig plaatste hij zijn handen op de boom, ons terzelfdertijd gelegenheid gevend hem gade te slaan. Gespannen keken we toe, hopend dat er geen dode tak onder het zware gewicht van zijn lichaam zou breken. Van gorilla’s is bekend dat ze zich soms ernstig verwond hebben doordat er bij hun klimpartijen dode takken afbraken. Eenmaal in de boomtop aangeland, hervatte hij zijn met nieuwsgierige belangstelling bedreven kijkbezigheid, onderwijl takken afbrekend en de bladeren in zijn bek stoppend. Na een uur of anderhalf had hij ons genoeg beschouwd en begon weer aan een behoedzame afdaling, eerst de poten naar beneden en dan zijn lijf, geklemd tegen de stam.
Het begon zachtjes te regenen, maar wij mensen schenen de enigen te zijn die het merkten. Onze gids wees op een vrouwtje dat met een snelle beweging haar hand op een struikje legde om dit met één haal te ontbladeren en vervolgens alle bladeren tegelijk in haar mond te steken. Een ander, die eruit zag alsof iemand hem „bibob” had geknipt, boog op zijn gemak een stam naar zich toe, brak deze af en begon de schors en het hout weg te kauwen om bij het zachte inwendige te komen, zoals mensen wel een maïskolf eten. Twee anderen zaten zichzelf op armen en schouders te „vlooien” en ook elkaars vacht te verzorgen.
Een donkerbruine aap met langer dan gewoon haar staarde ons enkele minuten achtereen bewegingloos aan, greep toen plotseling naar een jonge boom, beroofde deze met een snelle draai van zijn bladerkroon en stak die in zijn bek. Weer een ander toonde hoe goed hij zijn vingers kon gebruiken door lagen van een malse scheut af te pellen, zoals wij een banaan van zijn schil ontdoen. Afgezien van enkele snel achtereen geuite kreten en geëmotioneerd borstgeroffel, begeleid door een soort gegrom en geknor van tevreden dieren, ging de groep in het algemeen rustig en kalm door met haar dagelijkse bezigheden.
Een lonende ervaring
Het werd laat en we hadden een nog ruim zes kilometer lange afdaling voor de boeg, langs de mistige hellingen van de Mount Kahuzi naar de theeplantage waar we onze auto achtergelaten hadden. Op de terugweg praatten we na over de vreugdevolle ervaring die we hadden beleefd.
Gorilla’s delen hun oerwoud met tal van andere dieren, maar hebben slechts weinig vijanden. De meeste dieren met kwade bedoelingen, worden wel door het luide apegebrul afgeschrikt. De grootste vijand van de gorilla is ongetwijfeld de mens. Ofschoon wel 40 tot 50 percent van de gorilla’s die geboren worden, ten slachtoffer vallen aan ziekten, worden er ook grote aantallen door de inheemse bevolking voor voedsel gedood. In de Republiek Zaïre, in het gebied van Kivu, wordt thans in een behoorlijk beschermd parkgebied een weloverwogen poging ondernomen hun voortbestaan zeker te stellen.
Deze grootste der mensapen geniet de bijzondere belangstelling van mensen die in de evolutie geloven, maar doet in het geheel niets wat deze theorie ook maar enigszins ondersteunt. Ons korte bezoek en van dichtbij gedane waarnemingen hebben daarentegen slechts onze waardering vergroot voor Jehovah’s schepping, waarvan deze dieren een buitengewoon en bijzonder deel uitmaken. De kenmerken die zij dan al met de mens gemeen mogen hebben, zijn trouwens toe te schrijven aan het feit dat wij allen een gemeenschappelijke Ontwerper hebben.