Is het altijd verstandig aan liefdadige instellingen te geven?
HOE zou u het vinden aan een liefdadigheidsinstelling te geven als slechts één tot vijf percent van wat u bijdraagt werkelijk terechtkomt bij degenen die het nodig hebben, terwijl de rest werd gebruikt voor het bestrijden van de inzamelingskosten? Hoe zou u het vinden aan een instelling te geven waarvan u wist dat de president jaarlijks ƒ75.000 ontvangt in de vorm van salaris en onkostenvergoeding? U zou er nauwelijks gelukkig of blij mee zijn, is het wel? En toch gebeuren zulke dingen, en niet bij uitzondering, maar herhaaldelijk!
In de Verenigde Staten wordt jaarlijks meer dan twintig miljard dollar voor liefdadige instellingen geschonken, ongeveer 41 percent voor religieuze doeleinden, 16 percent voor gezondheid en onderwijs, 7 percent voor sociale voorzieningen en de rest voor culturele en andere doeleinden.
Talrijk zijn de liefdadigheidsorganisaties die inzamelingsacties houden om aan geld te komen — internationaal bekende, maar ook plaatselijke. En talrijk zijn ook de redenen waarom mensen geven. Sommigen geven omdat zij het een goede zakelijke transactie vinden of omdat giften mogen worden afgetrokken van de belasting. Anderen geven om schuldgevoelens af te wentelen, alsof zij door liefdadigheid hun zonden kunnen afkopen. Nog weer anderen hebben religieuze of humanitaire motieven, en worden door mededogen, medelijden of empathie bewogen.
Het valt niet te ontkennen dat uit geven rijke zegeningen kunnen voortvloeien, iets wat ook Jezus, de Zoon van God, beklemtoonde toen hij zei: „Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen” (Hand. 20:35). Hij toonde echter ook aan dat met een verkeerd motief geven, leeg kan blijken te zijn en geen gunst van God brengt. — Lees Matthéüs 6:1-4.
Hoewel geven een zegen is als het met juiste motieven wordt gedaan, is het hoe dan ook alleen maar redelijk als iemand zich ervan vergewist dat zijn geld ook voor nuttige zaken wordt gebruikt. Tot op welke hoogte worden de miljarden die liefdadigheidsinstellingen ontvangen, gebruikt om mensen te helpen, en in welke mate worden deze „filantropische” organisaties door mensen aangewend of geëxploiteerd voor commercieel gewin?
In de naam van religie
Aan deze liefdadigheidsgiften en de gebruikte inzamelingsmethoden wijdde een Californische krant een artikel met als titel „Te veel vaste lasten, beroepscollectanten gelaakt wegens hoge collectekosten”. In het artikel stond een uitspraak van de voorzitter van het plaatselijke „Ombudsbureau voor liefdadigheid” die in niet mis te verstane bewoordingen de inzamelingsacties „in de naam van God” de „gemeenste oplichterij op het terrein van liefdadigheid” noemde. Met betrekking tot deze professionele liefdadigheidsinzamelingen, vervolgde hij met te zeggen: „Religieuze groepen en degenen die in de naam van de Heer geld ophalen, zijn de ergste overtreders.”
Enig gewicht aan deze beschuldiging wordt verleend door een artikel dat enige jaren terug verscheen in Ramparts, een rooms-katholiek lekentijdschrift. Een van Amerika’s vooraanstaandste bisschoppen werd daarin beschuldigd van het bedrijven van een „liefdadigheids-grap” met Amerikaanse katholieken in verband met zijn geldinzamelingsorganisatie bekend als „De congregatie voor de bevordering van het geloof”. De schrijver van voornoemd artikel die vraaggesprekken had gehad met vijfendertig bisschoppen in diverse ontwikkelingslanden op aarde verklaarde: „De congregatie verzamelt elk jaar miljoenen dollars, zogenaamd om de armen van de wereld te helpen . . . maar is waarschijnlijk een van de ergste oplichtersorganisaties aller tijden op het gebied van liefdadigheid.” Toen deze aantijgingen onder de aandacht van de bisschop werden gebracht, weigerde hij vraaggesprekken toe te staan om opheldering te geven, terwijl zijn bureau verklaarde dat hij „geen commentaar had”.
Verrichten zij hun dienst belangeloos?
Algemeen heerst de gedachte dat personen die werkzaam zijn in liefdadigheidsorganisaties, worden gedreven door onbaatzuchtige, altruïstische motieven, maar is dat noodzakelijkerwijs het geval? Om een voorbeeld te noemen: Jaren achtereen is er in de Verenigde Staten een liefdadigheidsinstelling geweest die op allerlei wijzen bij de mensen aanklopte met verzoeken om geld voor voedsel ten bate van wezen in het Midden- en Verre-Oosten, waarvoor ze maandelijks $12 per wees nodig beweerde te hebben. Maar ging de voornaamste belangstelling van de president uit naar die wezen? Hij ontving een zelfde salaris ($20.000) als toen hij voorzitter was van de Kamer van Koophandel van de Amerikaanse staat Virginia.
Een ander voorbeeld wordt ons geleverd door de thans overleden Basil O’Connor, die met president Roosevelt medeoprichter was van de in 1938 opgerichte Nationale Stichting March of Dimes en tot zijn dood in 1972 voorzitter van deze stichting is geweest. Hoewel hij aanvankelijk slechts zijn onkosten vergoed kreeg, ontving hij de laatste dertien jaar een jaarsalaris van $54.000 en een onkostenvergoeding van $21.405. Hoeveel mensen die aan de March of Dimes geld hebben geschonken, zijn zich bewust geweest van het feit dat de president ervan jaarlijks $75.000 kreeg uitbetaald? Zou u na dit vernomen te hebben, nog met hetzelfde enthousiasme geven? Zou u niet het gevoel hebben dat u meer met uw geld zou kunnen doen door dit rechtstreeks te geven aan personen van wie u weet dat zij in behoeftige omstandigheden verkeren?
Hoge collectekosten
Gezaghebbende, internationaal bekende liefdadigheidsinstellingen als het Rode Kruis, achten een onkostenpercentage van 10 tot 15 percent bij het collecteren als redelijk en juist. Van elke bijgedragen gulden zou dus 85 à 90 percent besteed dienen te worden aan het doel waarvoor hij is bijgedragen. Maar tal van liefdadige instellingen komen daar bij lange na niet aan toe. Zo bracht de Amerikaanse Nierstichting in het eerste jaar van haar bestaan (1971-72) $779.000 bijeen. Doch slechts 5 percent daarvan, ofwel $39.000, kwam rechtstreeks aan de patiënten ten goede; de rest werd gebruikt voor de bestrijding van „administratieve onkosten”, aldus de New York Post van 8 juni 1973.
Aan deze zwakke stee in alle geldinzamelingsacties voor liefdadige doeleinden werd uitgebreid aandacht geschonken door een krant uit Seattle (Washington), in een artikel met een kop over de breedte van de gehele voorpagina: „Belachelijk hoge kosten van liefdadigheidsacties.” Het artikel maakte onder meer melding van een geval waarbij de betrokken liefdadigheidsinstelling slechts $25.000 ontving van de $500.000 waar zogenaamd voor was gecollecteerd, slechts vijf percent. Ook bij een van de vele andere voorbeelden die werden genoemd, was sprake van een vreemde geldverdeling. De professionele organisatoren van de actie ontvingen $131.288,92, de sociale instelling die welwillend haar naam aan de campagne had verleend, kreeg $7893 en de liefdadige instellingen waarom het in feite ging (de „Hartstichting” en „Gemeenschaps- en jeugdactiviteit”) slechts $1000; minder dan 1 percent ging dus naar degenen voor wie alles op touw was gezet!
Onder de titel: „De liefdadigheids-piraten; de onnozelen zijn hun prooi”, beschreef een Canadese krant niet lang geleden hoe bepaalde geldinzamelingsacties door beroepsmensen worden opgezet. Eerst wordt een religieuze of humanitaire organisatie verzocht haar naam aan de actie te verlenen, waarvoor haar een deel van de ingezamelde gelden wordt beloofd. Vervolgens neemt men ervaren personen in de arm om via de telefoon bijdragen bij de mensen los te krijgen, waarop een collectante bij de opgebelde personen langs gaat om de beloofde bedragen op te halen. De „opbellers” krijgen 25 percent en de collectanten 15 percent van de gelden die aldus worden ingezameld. De organisatoren krijgen 40 percent, zodat er 20 percent overblijft voor de liefdadige instelling waarvoor de actie werd georganiseerd.
In erkenning van dit gevaar van zelfzuchtige exploitatie bij liefdadigheidsacties, adviseerde de president van het Amerikaanse Genootschap voor Geldinzamelingsadviezen: „Men dient onder geen beding geld bij te dragen aan een liefdadig doel waarom men, via de telefoon, door een vreemde is verzocht.” Terloops zij echter opgemerkt dat een „telefoon”-man die bij het tumult rond deze kwestie betrokken was, de klacht uitte dat degenen die opbellen en de collectanten dan wel worden betaald, maar dat dat eenvoudig gebeurt omdat de religieuze, humanitaire of politieke organisatie waarvoor de actie wordt gehouden, niet bereid is zelf iets daadwerkelijks te doen. Als deze zelf het „loopwerk” zouden doen, was er met de inzameling een „netto”-resultaat van 85 tot 90 percent te bereiken.
Aan de individuele bedelaar geven?
Bedelen is in tal van grote steden in de wereld een lucratieve bron van inkomsten geworden. Hippiejongeren maken een belangrijk deel uit van degenen die daartoe hun toevlucht nemen. Niet langer hoeft de bedelaar blindheid, verlamdheid of armoede te suggereren. Elk alibi schijnt te voldoen. Zo is er in San Francisco een bedelaar die zich erop beroemt elke week $400 bijeen te bedelen van toeristen die het hippie-centrum van die stad komen bezoeken.
Nog beter vergaat het de Newyorkse violist die de theaterwijk als zijn werkterrein heeft. Met zijn tamelijk goede spel maar vooral met zijn bord: „Violist heeft geld nodig voor verdere studie”, weet hij het hart van tal van voorbijgangers te roeren. Zijn verdiensten zijn er dan ook naar: gemiddeld $35 per uur. Om nog maar te zwijgen van wat hij aan cheques, camera’s, horloges en uitnodigingen voor diners en cruises op de Caribische Zee ontvangt.
Natuurlijk is het altijd mogelijk dat iemand die bedelt werkelijk in nood verkeert: dat hij bereid is om te werken maar lichamelijk gebrekkig is of geen werk kan vinden. Ten tijde van natuurrampen, hongersnoden of ernstige economische depressies zullen er grote aantallen behoeftige personen zijn. Op zo’n moment is het alleen maar een kwestie van doen wat men kan om de nood van anderen te lenigen.
Overigens kunnen er ook momenten zijn waarop voorzichtigheid ons maant tot geven. Zo werd een al wat bejaarde persoon op een zaterdagmorgen in New York aangesproken door een man met de woorden: „Zeg, professor, ik ben gisteren uit de gevangenis gekomen, geef me een dollar.” Dat was duidelijk een verholen bedreiging, en de bedelaar bleef aanhouden. Vooral wanneer in zo’n geval ook nog de buurt een slechte reputatie heeft, kan men van mening zijn dat het maar het beste is aan het ’verzoek’ te voldoen. Elk moet in zo’n situatie voor zichzelf beslissen.
Een evenwichtige kijk
Het is buiten kijf dat wij, zoals Jezus zei, ’de armen altijd bij ons hebben’ (Matth. 26:11). Jezus zei tevens dat er geluk ligt in geven, in onzelfzuchtigheid, in behulpzaamheid. Maar met lichtgelovige onnozelheid begunstigt men alleen maar hebzuchtigen of werkschuwen. Aangezien er echter ook fatsoenlijke personen en fatsoenlijke zaken zijn aan wie en waaraan wij geld kunnen geven, dienen wij onderscheidingsvermogen te gebruiken. Ja, het bekende gezegde „De koper zij op zijn hoede”, zou heel goed geparafraseerd kunnen worden tot: „De gever zij op zijn hoede.”
En natuurlijk verkeren christelijke bedienaren van het evangelie in een positie iets veel beters dan zilver of goud te kunnen geven. Wat dan wel? De waarheid uit Gods Woord, die troost, hoop en vrede des geestes brengt en zelfs kan leiden tot eeuwig leven. Christenen hebben haar om niet ontvangen, en willen haar ook om niet geven. (Matth. 10:8; vergelijk Handelingen 3:1-8.) En het was met name ten aanzien van dit soort van geven dat de apostel Paulus Jezus’ woorden aanhaalde over het grotere geluk dat voortvloeit uit geven. — Hand. 20:35.