Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g74 8/2 blz. 11-14
  • Hoe gaat evolutie in haar werk?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Hoe gaat evolutie in haar werk?
  • Ontwaakt! 1974
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Produceren ze iets NIEUWS?
  • Een nog ernstiger probleem
  • Leiden mutaties tot een oog?
  • Evolutie of . . . degeneratie?
  • Vormen mutaties een basis voor evolutie?
    Leven — Hoe is het ontstaan? Door evolutie of door schepping?
  • Hoe onlogisch!
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
  • Evolutie — Mythen en feiten
    Is het leven geschapen?
  • Is evolutie een feit?
    Ontwaakt! 2006
Meer weergeven
Ontwaakt! 1974
g74 8/2 blz. 11-14

Hoe gaat evolutie in haar werk?

EEN ander probleem dat nog op een antwoord wacht, is het volgende: als de evolutie waar is, hoe gaat ze dan in haar werk? Hoe komt het dat levende organismen dermate veranderen dat eencellige planten en dieren zich tot steeds hoger georganiseerde soorten ontwikkelen?

Dit moet volgens de evolutionisten worden gezien als een gevolg van veranderingen in de kern van de cel. De genen zijn naar zij aannemen daarbij de belangrijkste betrokken mechanismen; het zijn de erfelijkheidsdragers in de chromosomen.

Genveranderingen worden mutaties genoemd. Het zijn deze mutaties waaraan het optreden van nieuwe kenmerken zou moeten worden toegeschreven en die de drijvende kracht zouden zijn achter de evolutie van eencellige levensvormen tot de mens. De Britse geneticus professor P. Koller stelde het als volgt: „Mutaties verschaffen variaties en zijn om die reden noodzakelijk voor de voortgang der evolutie.”

Produceren ze iets NIEUWS?

Maar brengen deze veranderingen, deze mutaties, werkelijk nieuwe kenmerken tot stand? Neen, dat doen ze niet. Zoals professor Moore het stelde: „Elke genmutatie heeft niet meer dan een verandering van reeds bestaande of bekende eigenschappen ten gevolge.” Elke genmutatie is dus slechts een variatie op een reeds bestaande eigenschap. Genmutaties zorgen voor variëteit, maar niet voor het ontstaan van iets spiksplinternieuws.

Om een voorbeeld te noemen: genmutaties kunnen verandering teweegbrengen in de kleur, elasticiteit en lengte van iemands haar. Maar het haar zal altijd haar blijven. Het zal nooit in veren veranderen. Mutaties kunnen veranderingen teweegbrengen in het uiterlijk van iemands hand, maar een vogelvleugel zal deze nooit worden. En wat meer is, zulke veranderingen hebben slechts een beperkt bereik, ze bewegen zich om een centraal gemiddelde. Ter verduidelijking een voorbeeld: sommige mensen worden twee meter tien (de Watutsi’s) terwijl anderen nauwelijks de één meter vijfentwintig halen (pygmeeën). Heel enkelen zullen boven de twee meter tien uitkomen (de bijbel maakt melding van zo’n man — Goliath, die twee meter achtentachtig mat), terwijl een kleine groep dwergmensen niet langer zal worden dan één meter twintig. Nooit zullen evenwel mutaties mensen van zes meter of slechts vijftien centimeter doen ontstaan. De lengte van de meesten zal schommelen tussen de één meter vijftig en één meter tachtig.

Hierbij komt nog dat de door mutaties teweeggebrachte variaties doorgaans zeer klein zijn en nooit resulteren in totaal afwijkende eigenschappen. Daarvandaan ook de volgende opmerking in het boek Darwin Retried over de vermaarde en zeer gerespecteerde geneticus wijlen Richard Goldschmidt: „Na talrijke jaren mutaties in fruitvliegjes te hebben gadegeslagen, verviel Goldschmidt tot wanhoop. De veranderingen — zo klaagde hij — waren zo hopeloos microscopisch klein dat er zelfs met duizend mutaties in één exemplaar geen nieuwe soort zou ontstaan.”

Een nog ernstiger probleem

Maar buiten dit alles om is er nog een veel ernstiger probleem aan de orde. Een probleem dat te maken heeft met de aard van deze veranderingen, deze afwijkingen van het normale. De veranderingen, hetzij in de genen hetzij in de chromosomen, zijn doorgaans onwenselijk.

Zo verklaart het boek Chromosomes and Genes over chromosoomveranderingen: „De meeste leiden tot zowel fysieke als mentale stoornissen.” Wanneer een mens wordt geboren met zevenenveertig in plaats van met de normale zesenveertig chromosomen kan zich dit openbaren in mongolisme of andere geestelijke en fysieke gebreken. Achtenveertig chromosomen leiden bij mensen onherroepelijk tot geestelijke defecten en lichamelijke misvormingen.

Hetzelfde heeft men waargenomen bij genmutaties. Evolutionist Koller gaf toe: „Het merendeel van de genmutaties is recessief, schadelijk en mogelijkerwijs dodelijk.” Wat hij bovendien zei, was: „Uitgebreide onderzoekingen . . . hebben aan het licht gebracht dat het overgrote deel der mutaties schadelijk is voor de drager van het gemuteerde gen. Bij experimenten werd ontdekt dat er tegenover elke succesvolle of nuttige mutatie vele duizenden schadelijke staan.”

Mutaties, zo wordt dus algemeen toegegeven, maken de betrokken organismen zwakker, minder vruchtbaar en minder langlevend dan hun normale soortgenoten. Stebbins vertelt ons hoe een situatie van gemuteerde insekten in mededinging met normale, onveranderlijk hetzelfde resultaat oplevert: „Na een groter of minder groot aantal generaties zijn de mutanten geëlimineerd.” Een bloeiende generatie mutanten behoort tot de onmogelijkheden omdat ze gedegenereerd zijn.

Waren mutaties zo belangrijk voor de evolutie, dan zouden ze verwelkomd, ja, toegejuicht moeten worden. Let echter op een uitspraak van Asimov: „Blootstelling aan extra straling heeft, behalve voor de verhoging van de mutatie-frequentie, geen enkele zin. Dit is vervelend, vooral ook omdat de meeste mutaties ten kwade zijn.” Deze erkenning verhinderde hem evenwel niet te concluderen: „Desondanks veroorzaken mutaties op de lange duur stellig een opwaartse en geen neerwaartse evolutielijn.” Klinkt u dat redelijk in de oren?

Lijkt het u logisch toe dat alle momenteel bestaande cellen, organen, ledematen en levensprocessen, die ons verbazen door hun ingewikkeldheid zijn opgebouwd via een afbrekend proces? Houd hierbij in gedachten dat, zoals evolutionisten zelf toegeven, „er tegenover elke succesvolle of nuttige mutatie vele duizenden schadelijke staan”.

Zou u een huis laten bouwen door een aannemer van wie bekend is dat hij op elk goed stuk werk duizenden malen klungelwerk aflevert? Zou u bij een automobilist instappen van wij u weet dat hij op elke goede beslissing duizenden verkeerde neemt? Laat u zich opereren door een chirurg die op duizenden handelingen slechts één goede verricht?

Leiden mutaties tot een oog?

Moeten wij bijvoorbeeld het oog beschouwen als het resultaat van een dergelijk prullerig mechanisme? Willen wij kunnen zien, dan dienen al onze oogonderdelen in perfecte staat te verkeren. Zelfs bij de lichtste storing of onvolkomenheid van een onderdeel staakt het oog zijn werkzaamheid en is onbruikbaar.

Volgens evolutionisten accepteert de „natuur” slechts die veranderingen die het desbetreffende organisme onmiddellijk nut of voordeel opleveren, wat dan betekent dat volgens hun theorie het oog nooit kan zijn ontstaan.

Nemen wij vervolgens nog in aanmerking dat er diverse oogtypen bestaan, dat de ogen van een mens, van een viervoetig dier, van een insekt, van een vogel en van een vis allemaal van elkaar verschillen, dan zou dit betekenen dat de evolutie van het oog zich vele malen, op verschillende tijdstippen en op verschillende wijzen moet hebben voltrokken. Hebt u ooit vernomen dat verschillende soorten van camera’s zo, „bij toeval”, tot bestaan kwamen? Deze in vergelijking met het oog zo simpele instrumenten hebben een ontwerper en maker nodig.

Niet vreemd is het dan ook evolutionist Salisbury over het oog te horen opmerken: „Het is al moeilijk genoeg dat zoiets één keer zou gebeuren, maar ik duizel bij de gedachte, zoals de moderne [evolutie] theorie die oppert, dat dit verscheidene malen moet zijn voorgevallen.”

In aansluiting hierop rijst tevens de vraag hoe vaak mutaties plaatsvinden. World Book-encyclopedie geeft als antwoord: „Natuurlijke mutaties geschiedden zo zeldzaam dat de onderzoekers weinig vorderingen maakten.” Studie van mutaties bleek slechts mogelijk wanneer men het ontstaan ervan kunstmatig verhoogde met radioactieve straling en chemische middelen. Evolutionist Stebbins stelde dienaangaande vast: „Mutatiefrequenties lopen ver uiteen . . . maar zijn zonder uitzondering laag. Directe experimenten ter bepaling van de oorzaak van ’spontane’ mutaties zijn hoegenaamd onmogelijk wegens hun geringe mate van optreden.” En van Koller is de uitspraak: „De kans op het optreden van een dergelijke fout in een gen is één op de honderd miljoen.”

Evolutie of . . . degeneratie?

Deze evolutionist betitelt een mutatie dus als een „fout”. De optreedkans is „één op de honderd miljoen”. En treden mutaties op, dan staan er „tegenover elke succesvolle of nuttige vele duizenden schadelijke”.

Komen mutaties u, na een beschouwing van het bovenstaande, nog voor als een mechanisme dat de levensvormen verrijkt, verbetert, dat zorgt voor het ontstaan van betere, ’modernere’ exemplaren? Of is er volgens u veeleer sprake van een mechanisme dat het reeds bestaande afbreekt? Verbetering of degeneratie, dat is de vraag waarvoor men zich bij mutaties gesteld ziet.

Wij lezen in Chromosomes and Genes: „Muller schat dat een zes percent van alle mensen ten gevolge van genmutaties geboren wordt met een aanzienlijk mindere levensgeschiktheid. Niet verrassend is het daarom onder sommige biologen de mening opgeld te zien doen dat de mensheid ondanks haar voortschrijdende culturele en technische evolutie, biologisch degenereert in plaats van verbetert.”

Wat is, na confrontatie met al dit feitenmateriaal, uw conclusie? Is de kern van de evolutietheorie, daar waar ze haar steun vindt, de leer van de mutaties, gezond en deugdelijk? Of lijkt het er veel meer op dat binnen elke basissoort van levensvormen de individuele exemplaren door mutaties zullen worden geschaad? En wijzen de feiten er niet op dat elke eventuele goede verandering louter een variëteit oplevert binnen de basissoort?

Om deze kwestie van mutaties, de hoofdpijler van de evolutie, nog eens in een notedop samen te vatten, willen we als laatste professor Moore van de staatsuniversiteit van Michigan aan het woord laten, die zei:

„Als fouten en vergissingen leiden mutatieveranderingen in het DNA hoofdzakelijk tot verlies, degeneratie of degradatie van bekende aanwezige fysieke kenmerken. Verminderde levensvatbaarheid, verminderd voortplantingsvermogen en zelfs dodelijke eigenschappen zijn het direct aantoonbare resultaat van de meeste genmutaties. . . .

Iemand is er misschien nu direct bij om te wijzen op ’gunstige’ genmutaties. Een mot die van kleur verandert of een bacterie die op ander voedsel overstapt worden mogelijk genoemd als resultaten van ’gunstige’ genmutaties. Niettemin vinden zulke veranderingen in motten en bacteriën slechts plaats binnen één soort van levende organismen en overschrijden ze niet de grenzen van de soorten. . . .

Na een rigoureuze beschouwing en analyse blijkt elke dogmatische bewering . . . erop neerkomend dat genmutaties de grondslag zouden vormen van elk evolutionaire proces . . . terug te voeren tot een mythe.”

[Illustratie op blz. 13]

Zou u bij een automobilist instappen van wie u weet dat hij op elke goede beslissing duizenden verkeerde neemt? Toch zijn er op elke nuttige mutatie vele duizenden die schadelijk zijn

[Illustratie op blz. 14]

Zouden menselijke ogen het resultaat van zulk een prullerig mechanisme als mutaties kunnen zijn?

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen