Wat de cel ons vertelt
VOOR de totstandkoming van evolutie hebben levenloze chemische stoffen zich moeten samenvoegen tot een levende cel. Volgens Isaac Asimov in The Wellspring of Life voltrok zich dit op de volgende manier:
„Op een keer, heel lang geleden, misschien wel twee en een half miljard jaar terug, onder de stralen van een dodelijke zon, in een met ammonia doortrokken zee onder een giftige atmosfeer, te midden van een soep van organische moleculen, geraakte bij toeval een nucleïnezuurmolecule in de omstandigheid dat ze op de een of andere wijze een duplicaat van zichzelf kon vormen — en van toen af volgde alles vanzelf!”
Heeft men zoiets echter ooit ’toevallig’ zien gebeuren? En wat meer is, is het ooit door de allerbekwaamste geleerden tot stand gebracht?
Wat de feiten aantonen
Het boek Introduction to Geology stelt vast: „Nooit is een geval van spontane generatie in de realiteit waargenomen.” Zo ligt de zaak, eenvoudiger kan het niet; nog nooit in de geschiedenis heeft iemand een levende cel „bij toeval” uit dode stoffen gevormd zien worden.
Zelfs in de best toegeruste laboratoriums kunnen geleerden dit niet laten plaatsgrijpen. Weliswaar hebben zij bepaalde koolstofverbindingen kunnen doen ontstaan, maar deze zijn verre, verre verwijderd van een levende cel die zichzelf kan reproduceren. In de publikatie The Cell wordt toegegeven dat zulke experimenten „niet verduidelijken hoe nu eigenlijk leven is ontstaan uit levenloze materie”.
Met het oog op deze feiten schreef scheikundig ingenieur M. S. Keringthan het volgende aan de in Toronto verschijnende Globe & Mail:
„Naar mijn schatting bestaat een amoebe [eencellig dier] uit om en nabij de honderd duizend biljoen atomen, hoofdzakelijk koolstof, waterstof, zuurstof en stikstof, met sporen van andere elementen als fosfor, calcium en zwavel, in niet snel afbreekbare verbindingen.
Wat de evolutionist zegt, komt er in feite op neer dat al deze atomen elkaar bij toeval in de juiste verhouding hebben ontmoet, zich van reeds bestaande verbindingen hebben losgesplitst en zich daarna hebben gehergroepeerd tot een levende amoebe. . . .
Zien wij amoeben op deze manier tot stand komen? Kunnen we de benodigde chemicaliën in een reageerbuis doen en een amoebe maken? Het antwoord is neen, waarmee het tevens verkeerd is te zeggen dat dit in het verleden wel is gebeurd. . . . De evolutiehypothese stort in bij de oorsprong van het leven; de schepping van het leven behoeft een andere verklaring.”
Verbaasd heeft het de geleerden bovendien te ontdekken welk een ingewikkelde bouw een levende cel bezit. Evolutionist F. Salisbury van de staatsuniversiteit van Utah zegt: „Wij weten nu dat de cel veel ingewikkelder is dan we hadden vermoed.” Naar zijn schatting bevat de kern van één cel in het menselijk lichaam „109 genetische informatie-eenheden, die uitgespeld in normale druk 1000 boekdelen van normaal formaat zouden vullen”.
Verder onderzoek van de cel heeft onthuld dat de vele onderdelen ervan wat hun functie betreft in complexe relaties tot elkaar staan. Zouden al deze functies niet tegelijkertijd doorgang vinden, dan zou het voor de cel onmogelijk zijn om in leven te blijven, hetgeen ook de reden is waarom Salisbury onder meer nog opmerkte: „Het is alsof alles tegelijkertijd moest gebeuren: het totale systeem moet als eenheid tot bestaan zijn gekomen, anders zou het waardeloos zijn geweest.” Het is duidelijk dat zoiets niet bij toeval en zelfs niet door de mens tot stand kan worden gebracht, zodat zijn klacht was: „Mogelijk bestaan er uitwegen uit dit dilemma, maar op het moment zie ik ze niet.”
Van bioloog J. W. Krutch is de volgende interessante opmerking aangaande deze materie:
„Er is al heel wat inkt besteed aan beschouwingen over de ’ontbrekende schakel’ tussen de [apen] en de [mens]. Maar deze ontbrekende schakel is niets in vergelijking met alle schakels die — zo ze ooit bestaan hebben — ontbreken tussen de amoebe en dat eerste deeltje materie dat nog nauwelijks leven genoemd kon worden . . .
Het verschil tussen het bezielde en het onbezielde, de discontinuïteit tussen leven en niet-leven, blijft absoluut.”
Ook in het boek The Cell stond: „In veel opzichten is de verschijning van biologische cellen in een woeste en vijandige wereld onwaarschijnlijker dan de daaropvolgende ontwikkeling van primitieve cellen tot dinosaurussen en primaten. . . . de essentiële wetenschappelijke vraag inzake de oorsprong van het leven blijft onopgelost.”
Levenloze chemische stoffen brengen dus niet „bij toeval” levende, zichzelf reproducerende cellen voort. Ze kunnen hiertoe zelfs niet door met verstand begiftigde mensen worden gebracht. Eencellige dieren zoals de amoebe komen thans slechts tot bestaan als nakomelingen van reeds bestaande eencellige dieren — ja, „naar hun soort”. Uitzonderingen hierop zijn nog nimmer waargenomen.
Beperken we ons even tot de verschijning van levende cellen, en zien we even het „giswerk” voorbij, wat wordt dan volgens u door de feiten ondersteund — de bijbel of de evolutie?
Hoger op de ladder
De volgende stap in dit proces was, aldus de evolutionisten, de ontwikkeling van de ’eenvoudige’ eencellige organismen zoals de amoebe tot meercellige organismen. Bestaat er evenwel enig bewijs van een stapsgewijze toename in ingewikkeldheid onder zulke levensvormen? Het boek Earth’s Most Challenging Mysteries geeft als antwoord op deze vraag:
„Er zijn geen twee- of driecellige overgangsvormen van protozoa [eencellige dieren] naar metazoa [meercellige dieren]. Niettemin stort het hele evolutiestaketsel ineen als deze belangrijke kloof niet kan worden overbrugd.”
En ze is nog altijd niet overbrugd. Van een verandering van eencelligen in twee- of driecelligen is absoluut niets gebleken. Integendeel, er is een groot verschil vastgesteld tussen de eencellige protozoa en de eenvoudigste meercellige metazoa. Van een overgang van protozo naar metazo is nog nooit iets geconstateerd.
Van belang is ook het feit dat deze bewuste levensvormen heden ten dage precies dat blijven wat ze zijn. Geen van deze ’eenvoudige’ organismen vertoont ook maar een verlangen zichzelf te ’verbeteren’. Nimmer is er bij hen sprake geweest van een opwaartse strijd tot de wording van een hoger ontwikkeld organisme. Welk motief kan men dan aanvoeren om te zeggen dat dit in het verleden wel is gebeurd?
Het respectabele wetenschapsblad Science gaf onlangs commentaar op een boek waarin een theorie aan de hand werd gedaan over de mogelijke beginevolutie van eencelligen tot veelcelligen, en merkte daarbij op dat de uitleg van dit bewuste boek geheel tot de „science fiction” behoorde. Wij citeren: „Hoe veelcellige dieren ontstonden en of deze stap zich één- of meermalig en op één of verschillende wijzen heeft voltrokken, blijft een moeilijk en veelomstreden vraag die misschien, om op een uitspraak van John Corliss terug te vallen, ’als het erop aankomt bepaald niet te beantwoorden is’.”
„Bepaald niet te beantwoorden” en „science fiction”, jazeker, vanuit het gezichtspunt van de evolutie, maar hoe staat het ervoor als wij de bewijzen beschouwen voor wat ze zijn, en opnieuw afzien van „giswerk”? De feiten komen precies overeen met wat wij op grond van het bijbelverslag mochten verwachten. Ze brengen aan het licht dat de eencellige en de veelcellige levensvormen afzonderlijk, los van elkaar, werden geschapen en zich vervolgens „naar hun soort” vermenigvuldigden.
Is er sprake van een toenemende gecompliceerdheid?
Een toename in gecompliceerdheid, zoals die volgens de evolutie moet hebben plaatsgevonden, zou ook op enigerlei wijze in de celstructuur zelf tot uiting moeten komen. We zouden een of ander patroon mogen verwachten van zich ’op verschillende sporten van de ladder’ bevindende cellen.
De kern van levende cellen bevat de dragers van de erfelijkheidskenmerken, aangeduid met de naam chromosomen. Is evolutie waar, dan ligt het in de lijn der verwachtingen een ordelijke toename in het aantal chromosomen aan te treffen naarmate de levensvormen complexer, ingewikkelder, worden.
Professor Moore van de staatsuniversiteit van Michigan merkte in dit verband op:
„In mijn hoedanigheid van docent die aan een groep intelligente, onafhankelijk van elkaar werkende studenten, evolutionaire opvattingen onderwijst, heb ik vaak verschillende lijsten met chromosoomaantallen, geput uit een verscheidenheid van leerboeken, onder ogen gekregen . . .
Mijn onafhankelijk denkende studenten formuleerden het vraagstuk of het probleem als volgt: Indien dieren zijn veranderd van zogenaamd eenvoudige tot complexe veelcellige vormen (en hetzelfde merkten zij op met betrekking tot het plantenrijk), is er dan enig patroon waar te nemen in de toename van het chromosomenaantal?”
Ja, is er een patroon? Welnu, laten we beginnen met de mens. Deze heeft 46 chromosomen in zijn lichaamscellen. Dan hebben de minder ontwikkelde planten en dieren er vast en zeker minder. Mis. We ontdekken iets geheel anders. We ontdekken onder andere dat de witvoetmuis er 48 heeft, de gestreepte skunk 50, de kapucijnaap 54, de koe 60 en de ezel 62! Zelfs de nederige aardappel en de katoenstruik kunnen bogen op een aantal van respectievelijk 48 en 52 chromosomen! Maar daarmee zijn we nog niet aan een eind; de eencellige protozo met de naam aulacantha bezit er 1600!
Van een bepaalde lijn in chromosoomtoename, zoals men op grond van de evolutie mocht verwachten, valt dus niets te bespeuren. In plaats daarvan ontdekken we dat elke groep zijn eigen speciale chromosomenstructuur bezit, en dat deze gehandhaafd blijft. Het is wel hetgeen we zouden verwachten als we uitgaan van de gedachte dat elke soort afzonderlijk, met zijn eigen karakteristieke kenmerken, zou zijn geschapen, zonder verwantschap met andere soorten.
[Illustratie op blz. 10]
Een amoebe bestaat uit om en nabij de honderd duizend biljoen atomen. Zouden al deze atomen elkaar bij toeval in de juiste verhouding hebben ontmoet en zich tot een levende amoebe hebben gegroepeerd?