Wonderlijke toortsdragers op het land en in de zee
DOOR ONTWAAKT!-CORRESPONDENT OP DE BRITSE EILANDEN
IS HET niet een nederig stemmende gedachte dat lang voordat de met verstand begiftigde mens had ontdekt hoe hij kunstlicht kon maken, ontelbare aantallen redeloze schepselen op het land en in de zee reeds de beschikking hadden over hun eigen kleine, doch efficiënt functionerende „lantaarns”?
Blijf eens een ogenblik stilstaan bij een paar van zulke schepselen die de ondoordringbare duisternis bewonen van de diepten van de oceaan. Denk uzelf een ogenblik beneden de zeespiegel, op een diepte van, zeg, 1500 meter, terwijl u naar buiten tuurt door de patrijspoort van een bathysfeer. Wat is dat lichtje dat daar nadert? Wanneer het dichterbij komt, ongetwijfeld om het licht uit uw patrijspoort te onderzoeken, bemerkt u dat het een vreemd uitziende vis is, die bezig is met — vissen! Zijn vishengel is tweemaal zo lang als hijzelf en steekt boven zijn bek naar voren. En dat lichtje? Wel, dat is een lichtorgaan aan het eind van zijn hengel. Dit schepsel is een vertegenwoordiger van de diepzeehengelvissen. Een soortgenoot van hem, die ongeveer op dezelfde diepte leeft, heeft zijn „lokaas” — een lichtorgaan — in zijn bek zitten, direct achter zijn tanden.
Ook de zogenaamde lantaarnvissen zijn lichtdragers die hun naam te danken hebben aan de lichtgevende organen die zich als patrijspoorten van een passagiersschip in keurig gerangschikte reeksen op hun flanken bevinden. Andere jagers in de diepten van de zee hebben „kop”-lampen waarmee ze de omgeving tot wel meer dan een meter voor zich kunnen verlichten.
Een raadselachtig verschijnsel
Hoe is dit mysterieuze verschijnsel dat zeedieren (en andere levende wezens) hun eigen licht kunnen maken, te verklaren? De technische naam ervoor is bioluminescentie, waarmee wordt geduid op het vermogen van levende organismen om met een geringe warmteontwikkeling licht uit te stralen. De lichtproduktie wordt tot stand gebracht door de wisselwerking tussen de chemische stof luciferine en het enzym luciferase.
Hebt u wel eens gehoord van het „lichten van de zee”? In en rond de „Bahía Fosforescente” (Fosforescerende Baai) van het eiland Puerto Rico, in de Caribische Zee, zijn verscheidene „vuurbaaien”. Het vuur of het lichten van het water wordt veroorzaakt door ontelbare aantallen kleine diertjes, dinoflagellaten genaamd, die door flitsen chemisch licht uit te zenden de illusie wekken van een „brandende” zee. Volgens de National Geographic Society is dit een van de weinige plaatsen ter wereld waar dit verschijnsel wordt aangetroffen.
Men zou zich kunnen afvragen hoe het mogelijk is dat zulke grote aantallen van deze kleine diertjes ondanks de verspreidende werking van getijden en winden, zo dicht bij elkaar kunnen blijven. Het antwoord is dat in deze beschutte baaien het getijverschil niet groot is, terwijl de waterverbindingen met de Caribische Zee smal zijn. De kalmte die er dientengevolge in deze baaien heerst plus het vitaminerijke water zijn bevorderlijk voor de ontwikkeling van grote aantallen van deze micro-organismen. Deze „vuurbaaien” — oplichtend in het duister — worden dus mogelijk gemaakt door kleine schepseltjes die in het bezit zijn van hun eigen verlichtingssysteem.
De lantaarns van landdieren
Ook op het land zijn er dieren die hun eigen lantaarntje bij zich dragen, zoals aardwormen, duizendpoten, glimwormen en verschillende andere soorten van insekten. Tot de lichtgevende insekten behoort een opmerkelijke, in Nieuw-Zeeland voorkomende larve van een kleine mug. Gewoonlijk leven de larven van deze mug tegen het dak van vochtige grotten, waar ze webben weven en daaraan dunne, met kleverige slijmpropjes bedekte draden hangen. Wanneer dit alles klaar is doen deze larven hun lichten aan; enkele beginnen ermee, en daarna gaat het gelijk op — aan-uit-aan-uit, als de lichtflitsen van een vuurtoren. Met welk doel? Om de soort voor uitsterven te behoeden. Insekten vliegen de grotten in, om het flikkerende licht te onderzoeken, raken verward in de vanglijnen van de larven — en worden opgegeten.
Met betrekking tot deze insekten stond er in Life Nature Library: „Een gloed van duizenden lichtende larven schept tegen het plafond van een van de Waitomogrotten in Nieuw-Zeeland een ’met sterren bezaaid’ ondergronds universum boven een onderaardse rivier, terwijl de zijdeachtige draden van de larven als vislijnen naar beneden hangen. Insekten, aangetrokken door het licht van de larven, blijven op de draden kleven en worden dan opgehaald. De larven groeien uit tot ware vuurvliegen.”
Het licht dat deze toortsdragers afgeven, heeft wat koelheid betreft zijn weerga niet; de warmte-afgifte is slechts het één tachtigduizendste deel van de warmte die een kaars van gelijke helderheid zou uitstralen. Waarlijk „koud” licht.
Van alle toortsdragers zijn de glimwormen of „vuurvliegjes” waarschijnlijk het fascinerendst. Op warme zomeravonden is het in vele streken een genot om naar het lichtschijnsel van deze kevers te kijken. Wie kan echter het geheimzinnige vermogen verklaren dat ze bezitten om hun lichtmechanisme volkomen gelijktijdig aan en uit te doen? Men heeft geopperd dat ze misschien het een of andere soort van teken of signaal gebruiken waardoor ze, onhoorbaar en onzichtbaar voor de mens, in staat worden gesteld „in koor” te reageren. De wetenschap heeft gezocht naar antwoorden, maar zonder bevredigend resultaat!
Van de insekten zijn tevens de kniptorren — een andere kevergroep — en de springstaarten lichtgevend. Ook de zogenaamde „trein”-worm mogen we niet over het hoofd zien. Deze worm is verwant aan de glimworm en heeft een rij geelgroene lichtjes langs de zijden van zijn lichaam, alsook — heel passend — een rood lichtje op zijn kop!
Lichtgevende paddestoelen
Zelfs bepaalde planten hebben hun eigen lantaarntjes. Opmerkelijk is een soort van lichtgevende paddestoelen, waarvan sommige exemplaren op rottende boomstammen in Aziatische wouden worden aangetroffen. Terwijl ze er in daglicht tamelijk gewoon uitzien, stralen ze ’s nachts een mysterieus maar toch prachtig schijnsel uit, waarvan de kleur varieert van blauwgroen tot geeloranje. Dit licht is zo helder dat het naar zeggen even sterk is als het licht van een klein nachtlampje.
Mensen die wel eens na een zware regenbui ’s nachts in een bos hebben gewandeld, zullen misschien ook op de hoogte zijn van het vreemde verschijnsel dat nat hout, of het nu dood of levend is, met een stralende gloed overdekt kan zijn. Ook dit licht is afkomstig van zwammen — van schimmels die op hout groeien.
De vele toortsdragers in de zeeën
Als wij slechts een blik zouden kunnen werpen op enkele van de ontelbare fascinerende toortsdragers in de wereldzeeën, zouden wij alras bemerken dat het mysterieuze ingebouwde vermogen om de een of andere vorm van licht af te geven, niet beperkt is tot slechts één orde van zeedieren, maar bij een verbazende verscheidenheid van bewegende en niet-bewegende levensvormen in zee wordt aangetroffen.
Welk een verschil in grootte bestaat er tevens tussen de lichtgevers! Oceaanreizigers zullen beslist wel eens in opgewonden verbazing hebben staan kijken naar zeediertjes die als miljoenen kleine lantaarntjes in een lichtende wolk door elkaar heen zwermden en de zee tot op aanzienlijke diepte verlichtten. Onder zulke diertjes zijn er die zo klein zijn dat ze met het ongewapend oog niet zouden kunnen worden waargenomen als ze geen licht zouden uitstralen.
Maar ook grotere zeedieren, zoals kwallen, ribkwallen, schaaldieren, wormen, slagsterren, weekdieren, reuzeninktvissen, enzovoort, stralen licht uit. Naast deze vrij-zwemmende schepselen, zijn er de zeeveren (poliepenkolonies) en de lichtgevende hydroïden (ook van poliepachtige aard) die op rotsen en palen vastzitten.
Sommige diepzeevissen, zoals we reeds opmerkten, dragen lantaarns op hun flanken of ook wel op hun buik. Andere — de inktvis en de garnaal bijvoorbeeld — zijn in het bezit van lichtgevende organen met een tamelijk ingewikkelde bouw, bestaande uit groepen lichtgevende cellen, alsmede lenzen, reflectoren en afschermende lagen, die alle harmonisch samenwerken en het lichtgevende orgaan tot een prachtige lantaarn maken. Of deze lichtorganen zich nu op de kop, langs de flanken of op de buik bevinden en of ze alléén voorkomen of in groepen of (als paarlemoeren knoopjes) in rijen zijn gerangschikt, de dieren zijn klaarblijkelijk altijd in staat ze naar willekeur aan en uit te doen.
Geen ander soort van licht
U zult u misschien afvragen: Is dit mysterieuze schijnsel of licht dat al deze levensvormen uitstralen, afwijkend van andere soorten van licht? Volgens professor E. N. Harvey niet; hij schrijft namelijk: „De kleur ervan kan roodachtig, geel, groen of blauw zijn, terwijl het spectrum altijd een continue, smalle band is, in een van deze verschillende gebieden van het zichtbare licht. Er wordt geen infrarode, ultraviolette of doordringende straling geproduceerd.”
En op welk een economische wijze wordt dit licht gemaakt! De mens met al zijn vernuft en twintigste-eeuwse wetenschappelijke toverij, kan zelfs niet tippen aan het rendement waarmee deze toortsdragers hun licht produceren. Hoe zo? Wel, het licht of het schijnsel van deze levensvormen is naar men zegt „koud” licht, hetgeen wil zeggen dat de hoeveelheid warmte die met het licht wordt uitgestraald, verwaarloosbaar klein is. Ze gebruiken de benodigde energie voor hun lichtproduktie op zo’n effectieve wijze dat bijna niets ervan in warmte wordt omgezet.
Waarom zo uitgerust?
Maar met welk doel zijn zo’n veertig verschillende orden in het dierenrijk (in de ruimste betekenis van het woord), alsmede twee groepen planten (schimmels en bacteriën) uitgerust met fascinerende lichtorganen waarmee een geweldige verscheidenheid van helder gekleurd licht uitgestraald kan worden? Na uitgebreide onderzoekingen zijn geleerden nog niet in staat daarop een al te definitief antwoord te geven. Zij zijn echter van mening dat deze organen in de eerste plaats dienen voor het verlichten van de „weg”.
Ter ondersteuning van deze theorie wijst men wel op het opmerkelijke lantaarnvisje van de Banda-eilanden in Indonesië. Onder elk oog heeft deze vis een holte die is gevuld met lichtgevende bacteriën. Deze geven zo’n helder schijnsel af dat het lijkt alsof de vis twee koplampen voert als een auto. Het dier kan elk „koplicht” naar believen afzonderlijk aan en uit doen door een donker vlies, gelijkend op een ooglid, over de holte te trekken. Het lijkt echter niet redelijk te veronderstellen dat de lichtorganen die bij de verschillende levensvormen in het water — en speciaal bij de diepzeevissen — voorkomen, noodzakelijk zijn om de omgeving te verlichten in de donkere diepten van de zee waar de zon nooit doordringt.
Mogelijk gebruiken deze schepselen hun licht ook voor de paring, om signalen te geven aan de andere sekse; dit is vooral waarschijnlijk als wij horen dat zowel de mannetjes als de vrouwtjes van elke lichtgevende diersoort (op het land maar ook in de zee) een karakteristiek lichtsignaal hebben dat ze gebruiken om leden van de andere sekse te vinden. Men denkt zelfs dat sommige toortsdragers hun lantaarns slechts gedurende de paartijd gebruiken.
De vuurwormen van de Bermuda-eilanden kunnen als voorbeeld worden aangehaald om deze theorie te ondersteunen. Het grootste deel van hun leven brengen ze op de zeebodem door. Maar gedurende bepaalde maanden worden ze na volle maan op mysterieuze wijze door de een of andere instinctieve kracht naar de oppervlakte gedreven, waar hun zwermen het water in een prachtige gloed van aan- en uitflitsende lichtjes zetten. Daarna paren ze. Dit gebeurt echter niet op een willekeurig tijdstip! Neen, integendeel! De uitzwerming en paring vindt ongeveer vijfenvijftig minuten na zonsondergang plaats!
De diepzeevissen gebruiken hun gloeilichtjes — die in of rond hun bek zitten of ervoor bengelen — klaarblijkelijk om kleinere zeedieren als prooi naar zich toe te lokken. Mogelijk wenden deze diepzeetoortsdragers hun licht ook aan om roofzuchtige vissen die het op hun leven gemunt hebben, af te schrikken!
Er is voor de mens nog heel veel te leren in verband met deze lichtgevende schepselen. De geheimen van hun „koude” licht zijn nog niet volledig ontsluierd, terwijl de mens ook niet in staat is de produktie ervan met hetzelfde nuttige effect na te bootsen. Waarlijk, men kan niet anders dan tot de conclusie komen dat deze wonderlijke levende toortsdragers een Majestueuze Schepper als maker hebben gehad.