Pelsjagen — in heden en verleden
Door Ontwaakt!-correspondent in Canada
DIEREPELZEN hebben in de loop van de geschiedenis in de meeste beschavingen een belangrijke rol gespeeld, doordat ze in één en vaak in meer dan één fundamentele levensbehoefte van de mens voorzagen. Het eerste boek van de bijbel vertelt hoe God voor Adam en Eva na hun daad van ongehoorzaamheid „kleren van vel” maakte voordat zij uit hun paradijstehuis werden verdreven (Gen. 3:21). Dierepelzen hebben ook heel lang dienst gedaan als dekkleden of dakbedekking. Zo was bijvoorbeeld het dekkleed van de draagbare heilige tabernakel die de Israëlieten na hun vertrek uit Egypte in 1513 v.G.T. hadden gebouwd, gemaakt van robbevellen. — Ex. 26:14.
Hier in Canada zijn het, net als in sommige andere landen, de jagers en de bonthandelaars geweest die het land hebben verkend, in kaart hebben gebracht en geopend. Later werden zij gevolgd door de veehouders en de landbouwers.
In de tijd dat de Europeanen voor het eerst voet aan wal zetten in Noord-Amerika, was dit werelddeel meer dan enig ander deel van de aarde met wild en pelsdieren bevolkt. De grote vlakten waren gevuld met bizonkudden, en in de bossen wemelde het van de elanden, gewone en wapitiherten en beren, terwijl op de noordelijke toendra-vlakten grote kudden kariboes en muskusossen zwierven.
De overvloedige rijkdom aan pelzen was in feite hetgeen de blanke man naar dit nieuwe land trok. Wegens de hongerige Europese markt bestond er een geweldige vraag naar bont. Uit hebzucht werden er daarom moedwillig grote kudden bizons en kariboes afgeslacht, alleen om de pelzen en de tongen. Een aantal diersoorten kwam op de rand van uitsterven te staan.
De oorspronkelijke jagers
Dit was echter niet het geval vóór de komst van de blanke. De Indianen en Eskimo’s joegen op dieren omdat zij ze nodig hadden. Dieren voorzagen vaak in hun drie fundamentele levensbehoeften: voedsel, kleding en onderdak. Deze oorspronkelijke Noordamerikaanse jagers waren daardoor ware meesters in hun vak geworden.
De Indiaanse jager was succesvol op de jacht doordat hij een grondige kennis bezat van het wild waarop hij joeg. Vanaf zijn prilste jeugd bestudeerde hij de levenswijze van de dieren rondom hem heen. Hij leerde al hun gewoonten en eigenaardigheden kennen. Sommigen beschouwen deze vroege jagers misschien als primitief, maar de werkelijkheid is dat de eerste blanke jagers de vele knepen van de jacht leerden van de Indianen.
De Indiaan was zeer bedreven in het gebruik van materialen die hem direct ter beschikking stonden. Zowel op het land als in het water en in de lucht zette hij zijn vallen. De vallen — die konden werken met een verende stam waaraan een lus met schuifknoop, een verzwaarde hefboom of naar beneden vallende gewichten — werden zo opgezet dat ze in werking traden wanneer ze werden beroerd. Soms werden er zelfs signaalgevers ingebouwd, zoals een bosje gedroogde hertehoeven die begonnen te ratelen als er wild in de strik gevangen was. De grootste beer kon in een val gevangen worden.
De jacht tot handel gemaakt
Toen de blanke arriveerde, besefte hij al gauw welk een winst er met de pelshandel gemaakt kon worden. In 1670 werd de Hudson-Baaicompagnie een machtiging verleend; de naam van de compagnie was eerst: „Avonturiers van Engeland, handel drijvend in de Hudson-Baai.” De compagnie bouwde forten en dreef handel met de Indianen, kleurrijke kralen en wollen kleding ruilend voor mooie, zachte pelzen. In het begin was de blanke dus voornamelijk de handelaar en de Indiaan de jager.
Hoe succesvol de Indiaanse jager was bij de jacht, blijkt wel uit een verslag van de oude historicus Perrot, die vertelt dat de „Ojibwa-Indianen alleen gedurende de winter 1670-71 op het Manitoulin-eiland niet minder dan 2400 elanden in hun strikken vingen”. Dit eiland, dat in het Huronmeer ligt, beslaat ongeveer 3300 vierkante kilometer.
Het jagen in vroeger tijd
In vroeger tijd gebruikte de Indiaan zijn kano van berkebast om in de zomer voorraden naar zijn jachtgebied te brengen en in de lente de pelzen mee terug te nemen. Hoewel, ook hondesleeën werden in de winter voor transport gebruikt. Hiervoor werden speciaal gefokte honden gebruikt.
De Indiaanse jager had ontdekt dat het kruisen van sledehonden met wolven, een nageslacht met een groter weerstandsvermogen voortbracht. De poten van een hond waren in de regel het kwetsbaarst. Er vormden zich ijspegels aan de lange haren tussen de tenen, waardoor deze gingen opzetten, kloven en bloeden. Vaak had de noordelijke jager kleine mocassins bij zich die hij, als zoiets gebeurde, aan de poot van de hond bond. Maar aangezien de wolf nagenoeg geen last had van dit probleem, was een hond met wolfsbloed in zijn aderen een veel betere sledehond.
De jager of vallenzetter in vroeger tijd, of het nu een Indiaan of een blanke was, nam gewoonlijk een minimum aan wintervoorraden naar zijn jachtgebied mee. De voornaamste dingen die hij meenam, waren meel, suiker, zout, bakpoeder, varkensreuzel en thee. De rest van zijn voedsel haalde hij uit de natuur.
Oorspronkelijk bestonden er geen wettelijke beperkingen in verband met de plaatsen waar men zijn vallen mocht zetten, hoewel men in het algemeen wel elkaars jachtgebied respecteerde. Als de jager een gebied gevonden had waarvan hij dacht dat het genoeg wild zou opleveren, bouwde hij gewoonlijk in het midden van zijn werkterrein een hut van boomstammen. Vaak gebeurde het echter dat hij wel vier of vijf dagen van zijn hut weg was. Dan overnachtte hij onder de beschermende overkoepeling van wat kreupelhout, vaak bij temperaturen van 45 graden Celsius onder nul. De Indiaanse vallenzetter nam altijd zijn vrouw en kinderen mee, daar zijn vrouw grotendeels de pelzen bewerkte en verzorgde.
Het jagen nu
De levenswijze van de vallenzetter is in deze tijd sterk veranderd. Dit is hoofdzakelijk teweeggebracht door de moderne middelen van transport. Terwijl het de jager eens weken of zelfs maanden kostte om zijn voorraden naar en zijn pelzen van zijn jachtgebied te vervoeren, kan hij dit nu, door gebruik te maken van een vliegtuigje met piloot, in slechts een paar uur voor elkaar krijgen.
De moderne vallenzetter gaat gewoonlijk voor een maand of twee naar het bos en komt dan weer terug. Vele anderen hebben echter vallen staan binnen een straal van dertig tot vijftig kilometer van hun huis. Uitgerust met een gemotoriseerde slee, kan een jager nu om de drie à vier dagen thuis zijn. En waar gewoonlijk een volle week nodig was om alle vallen langs te gaan, kan nu met de gemotoriseerde slee met een dag worden volstaan. Hierdoor is de jager in staat een groter gebied te bestrijken. Nog maar zelden wordt er van de hondenslee gebruik gemaakt.
De laatste tijd zijn de jagers meer aandacht gaan schenken aan het humane aspect van de jacht, zodat het dier vaak niet veel meer te lijden heeft. Er wordt nu veel gebruik gemaakt van een nieuw soort van val, de „Conibar” genoemd. Deze val doodt onmiddellijk als het dier erin terechtkomt. Ook de vallen die in en rond water moeten worden geplaatst, zijn zodanig ontworpen dat de dieren meteen verdrinken.
Het gereedmaken van de pelzen voor de markt
Wanneer het dier eenmaal gevangen is, moet er nog heel wat werk gedaan worden voordat de pels gereed is voor de markt. De vaardige handen van de jager moeten heel voorzichtig te werk gaan, wil hij voor de pels een topprijs krijgen. Neem bijvoorbeeld eens een bevervel.
Nadat het dier van zijn huid is ontdaan, moeten al het vet en vlees voorzichtig van de huid worden losgesneden. De jager zal zijn pels waarschijnlijk bevestigen op een groot, glad oppervlak en dan met zijn vleesmes beginnen het vlees en vet aan de buikkant te verwijderen. Hier laat het makkelijk los. Dan werkt hij in halvemaanvormige slagen naar boven toe. Dezelfde procedure herhaalt zich de andere kant op. Verder is het een kwestie van hard werken om het vlees van het overige deel van de pels te schrapen.
Het reinigen van de pels van vleesresten vergt ongeveer een uur. De jager neemt elke voorzorgsmaatregel in acht om de pels schoon te houden en vrij van vet en gaten, die de waarde ervan aanzienlijk zouden doen dalen.
Vervolgens wordt de pels uitgespreid en gespannen op een droogplank of in een drooghoepel. De pootgaten worden dichtgenaaid of dichtgeregen. Weer is uiterste voorzichtigheid geboden. Elke pels moet van gelijke vorm zijn en mag niet te sterk in de breedte zijn uitgerekt, daar dat een nadelige invloed heeft op de dikte van de pels op de rug. Daarna wordt het vel te drogen gezet op een koele, goed geventileerde plaats. Het droogproces duurt ongeveer vijf dagen bij een temperatuur van 7 tot 10 graden Celsius.
Dan wordt de pels naar de markt gezonden. De keurders gaan de kwaliteit en het uiterlijk ervan na en classificeren de pels dan in een van de vier bestaande categorieën. Daarna komen de kopers uit allerlei landen, die hun scherpe ogen over de pelzen laten gaan. De uiteindelijke prijs die voor een pels wordt betaald, hangt af van de kwaliteitscategorie en de grootte van vraag en aanbod.
Controle op de wildstand
In verscheidene districten van Canada heeft het Department of Lands and Forests grenzen vastgesteld met betrekking tot de gebieden waarin mag worden gejaagd. Jaarlijks worden er bepaalde limieten gesteld aan het aantal dieren van één soort die langs één vallenroute mogen worden gevangen. Hiermee is een blijvende dierenbevolking verzekerd. Zo komt de bever, die enkele jaren geleden op uitsterven stond, weer overvloedig in de noordelijke bossen voor. Door dergelijke controlemaatregelen gaat een jager ook meer het belang beseffen van het behoud van de wildstand, waarvan hij uiteindelijk voor zijn levensonderhoud afhankelijk is.
Het is waar dat sommige mannen in het verleden, alsook in deze tijd misbruik hebben gemaakt van hun heerschappij over de dieren, zo zelfs dat zij bepaalde diersoorten bijna of geheel hebben uitgeroeid. Bij de aanwezigheid echter van een juiste controle kan aan de bontbehoefte van de mens worden voldaan zonder dat het bestaan van de dieren wordt bedreigd.