Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g73 22/3 blz. 17-19
  • Het oude Griekenland — Bakermat van de filosofie

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Het oude Griekenland — Bakermat van de filosofie
  • Ontwaakt! 1973
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Epicuristen en Stoïcijnen
  • Iets groters dan Griekse filosofie
  • Stoïcijnen
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Stoïcijnen
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Epicuristen
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Epicuristen
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
Ontwaakt! 1973
g73 22/3 blz. 17-19

Het oude Griekenland — Bakermat van de filosofie

DE OUDE Grieken, vooral zij die in Athene woonden, hechtten grote waarde aan de filosofie. Zij trachtten met behulp van logica en allerlei bespiegelingen belangrijke vraagstukken in verband met het leven en het universum op te lossen. Zij bespraken dolgraag nieuwe dingen. Een arts uit de eerste eeuw G.T. bericht: „Nu was het zo, dat alle Atheners en de vreemdelingen die daar tijdelijk verbleven, hun vrije tijd met niets anders doorbrachten dan met het vertellen van of het luisteren naar iets nieuws.” — Hand. 17:21.

De filosofieën van de oude Grieken strookten niet met de boodschap die door de christenen werd bekendgemaakt. Toen de apostel Paulus in Athene was, gingen „enigen van zowel de Epikurische als de Stoïsche filosofen . . . hem bestrijden”. Sommigen zeiden smalend: „Wat zou deze babbelaar toch willen vertellen?” (Hand. 17:18) Zij beschouwden Paulus als een ijdele prater, iemand die van alle kanten wat kennis had bijeengeschraapt en deze nu zonder orde of methode herhaalde. Maar hadden deze filosofen werkelijk iets waardevols te bieden? Ga dat voor uzelf eens na:

Epicuristen en Stoïcijnen

De Epicurische filosofen stonden een levenswijze voor waarbij men zich ten doel stelde zoveel mogelijk genot uit het leven te putten, dit echter op bescheiden wijze ten einde de onplezierige gevolgen van onmatigheid te vermijden. Niet de fysieke, maar de geestelijke genoegens werden beklemtoond.

Onnodige verlangens dienden onderdrukt te worden. Het werd afgeraden zich bezig te houden met dingen die aanleiding zouden geven tot moeilijk te bevredigen verlangens. Kennis werd voornamelijk nagestreefd om zich te bevrijden van religieuze angsten en bijgelovige gedachten. De twee belangrijkste angsten die men moest uitbannen, waren de angst voor de goden en de angst voor de dood.

Volgens deze filosofie was het overtreden van de wet ’onraadzaam’, maar dan eenvoudig wegens de schande die een eventuele ontdekking en een daarna volgende straf met zich zouden brengen. Als men zou moeten leven met de angst ontdekt en/of gestraft te worden, zou men geen plezier meer in het leven hebben.

Voor de Epicuristen hadden deugd en moraliteit op zichzelf geen enkele waarde. Slechts wanneer ze konden dienen als middel om geluk te verwerven, werden ze waardevol geacht. Ook vriendschap was gebaseerd op een zelfzuchtige basis, namelijk op het ’plezier dat er voor de ontvanger uit voortvloeide’.

De Epicuristen geloofden in het bestaan van goden, maar dachten dat zij zich te ver van de aarde bevonden om voor de mens belangstelling te hebben. Het had dus geen zin tot hen te bidden of aan hen te offeren. De Epicuristen geloofden niet dat de goden het universum hadden geschapen. Zij geloofden ook niet dat de goden straffen toedienden of zegeningen schonken. Volgens deze filosofie konden de goden niemand helpen geluk te verwerven. Het leven werd bezien als een toevallige totbestaankoming in een mechanisch universum. De dood werd beschouwd als het einde van alles, als de bevrijding van de nachtmerrie van het leven. De Epicuristen geloofden dat de mens een ziel had, bestaande uit atomen die uiteenvielen als het lichaam stierf.

Droeg de Epicurische filosofie, met de nadruk die ze legde op genot, bij tot een zinvol leven? Verschafte ze een deugdelijke hoop? Neen, want zelfs de vader van dit filosofische systeem, Epicurus, beschreef het leven als een „bitter geschenk”.

Hadden de Stoïcijnen echter iets beters te bieden? Neen, want net als de Epicuristen kenden zij geen persoonlijke verhouding tot God. De Stoïcijnen geloofden zelfs niet eens in het bestaan van een persoonlijke God. Zij waren van mening dat alle dingen deel uitmaakten van een onpersoonlijke godheid, waaruit ook de menselijke ziel voortkwam. Naar men aannam, overleefde de ziel de dood van het lichaam. Sommige Stoïcijnen waren van mening dat de ziel ten slotte met het universum vernietigd zou worden.

De Stoïcijnen hielden vast aan de overtuiging dat de mens voor het bereiken van het hoogste doel, geluk, zijn verstand diende te gebruiken om de natuurwetten die het universum bestuurden te begrijpen en er in overeenstemming mee te leven. Met het leiden van een deugdzaam leven bedoelden zij daarom het ’volgen van de natuur’. De waarlijk wijze man stond, naar hun opvatting, onverschillig tegenover pijn of genot. Het noodlot, zo geloofden zij, bestuurde de menselijke aangelegenheden. Als de problemen onoverkomelijk leken, beschouwden de Stoïcijnen zelfmoord niet als een verwerpelijke daad.

De Stoïcijnen trachtten, net als de Epicuristen, op hun eigen manier geluk te verwerven. Maar zij slaagden er niet in hun doel te bereiken. Hoe kwam dat? Doordat zij niet hadden geleerd dat Jehovah God het fundament van de ware wijsheid is, en dat er afgescheiden van hem geen waar geluk kan bestaan. Eeuwen vóór het ontstaan van de Epicurische en Stoïsche filosofie, werd in een geïnspireerde verklaring reeds het volgende toegegeven: „De vrees voor Jehovah is het begin van wijsheid, en de kennis van de Allerheiligste, dát is verstand.” — Spr. 9:10.

Iets groters dan Griekse filosofie

De boodschap die door de apostel Paulus werd verkondigd, was iets wat zowel de Epicuristen als de Stoïcijnen nodig hadden. Hij maakte duidelijk dat geluk voortsproot uit een juiste verhouding tot de Schepper. Deze Schepper was geen onpersoonlijke God, noch was hij ver van de mensheid verwijderd. De apostel Paulus zei:

„De God die de wereld heeft gemaakt en alles wat daarin is, Hij die Heer is van hemel en aarde, woont niet in door handen gemaakte tempels en wordt ook niet door mensenhanden verzorgd, alsof hij iets nodig had, daar hij zelf aan allen leven en adem en alle dingen geeft. En hij heeft uit één mens elke natie van mensen gemaakt om op de gehele oppervlakte der aarde te wonen, en hij heeft de gezette tijden en de vastgestelde grenzen van de woonplaats der mensen verordend, opdat zij God zouden zoeken, of zij wellicht naar hem tasten en hem werkelijk vinden zouden, ofschoon hij eigenlijk niet ver is van een ieder van ons.” — Hand. 17:24-27.

Terwijl noch de filosofie van de Epicuristen noch die van de Stoïcijnen een betrouwbare hoop voor de doden kon verschaffen, was Paulus, op grond van een betrouwbaar bewijs, hiertoe wel in staat; hij zei namelijk: „[God] heeft een dag vastgesteld waarop hij voornemens is de bewoonde aarde in rechtvaardigheid te oordelen door een man die hij heeft aangesteld, en hij heeft alle mensen een waarborg verschaft doordat hij hem uit de doden heeft opgewekt” (Hand. 17:31). Op het moment dat Paulus die woorden uitsprak, waren de meesten van de ongeveer vijfhonderd personen aan wie de opgestane Heer Jezus Christus zich had vertoond, nog in leven om dit feit te bevestigen (1 Kor. 15:6). Gods verzekering met betrekking tot de opstanding en het toekomstige oordeel had dus een krachtige ondersteuning.

Sommigen van degenen die Paulus aanhoorden, onder wie een rechter van het gerechtshof van de Areópagus, kwamen tot het besef dat zowel de filosofie van de Stoïcijnen als die van de Epicuristen de mensheid niets te bieden had. Zij aanvaardden het christendom en werden gedoopt. — Hand. 17:33, 34.

Op overeenkomstige wijze zijn tienduizenden personen in deze tijd tot het besef gekomen dat de filosofie van „laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij”, iemands leven leeg en zonder inhoud laat (1 Kor. 15:32). Zij hebben ontdekt dat de erkenning van Gods bestaan door zijn wet te gehoorzamen, aan het leven doel en richting geeft, doordat deze wet, in tegenstelling tot de filosofieën van de oude Grieken, gebaseerd is op liefde voor God en een onzelfzuchtige belangstelling en bezorgdheid voor de medemens (Rom. 13:10; 1 Kor. 10:24; 1 Joh. 5:3). Dat is de reden waarom Jehovah’s getuigen mensen overal ter wereld uitnodigen Gods Woord aan een onderzoek te onderwerpen om voor zichzelf te zien of hierin niet de beste levensweg wordt aangegeven die mensen in deze twintigste eeuw kunnen bewandelen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen